ECLI:NL:RBAMS:2026:349

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
11489023 \ CV EXPL 25-882
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.J. Boeve
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsveroordeling voor achterstallige drinkwaterfacturen en rente

Het Waterleidingbedrijf vordert betaling van openstaande bedragen voor drinkwaterlevering, bestaande uit periodeafrekeningen en voorschotfacturen, plus rente en proceskosten. De gedaagde heeft een deel van de hoofdsom voldaan maar bleef een bedrag van € 556,54 aan facturen en € 28,73 aan rente verschuldigd.

De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen een overeenkomst tot levering van drinkwater bestaat sinds 2006 en dat de facturen en aanmaningen rechtsgeldig zijn. De gedaagde heeft de vorderingen niet betwist, behalve een disproportionaliteitsverweer tegen de rente, dat niet slaagt.

De rechter veroordeelt de gedaagde tot betaling van de openstaande bedragen en de proceskosten van € 791,04. Tevens verklaart de rechter het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst op de mogelijkheid van een betalingsregeling indien de gedaagde hierom verzoekt.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige drinkwaterfacturen, rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11489023 \ CV EXPL 25-882
Vonnis van 9 januari 2026
in de zaak van
N.V. PWN WATERLEIDINGBEDRIJF NOORD-HOLLAND,
te Velserbroek,
eisende partij,
hierna te noemen: het Waterleidingbedrijf,
gemachtigde: Syncasso Amsterdam B.V.,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
[gedaagde] wordt in dit vonnis veroordeeld tot betaling aan het Waterleidingbedrijf van periodeafrekeningen en voorschotfacturen met betrekking tot de levering van drinkwater. Tevens moet [gedaagde] aan het Waterleidingbedrijf rente en proceskosten betalen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 september 2025;
- de akte vermindering en vermeerdering van eis van het Waterleidingbedrijf;
- de mondelinge behandeling van 27 november 2025, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is voor het Waterleidingbedrijf, in opdracht van haar gemachtigde, verschenen haar advocaat mr. S. El Morabit (Osborne Clarke). [gedaagde] is niet verschenen. Mr. El Morabit heeft vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
Samenvattend vordert het Waterleidingbedrijf dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 28,73, een bedrag van € 556,54 en van de proceskosten.
2.2.
Het Waterleidingbedrijf legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. In de dagvaarding vorderde het Waterleidingbedrijf betaling van € 460,71 aan hoofdsom en de daarover tot de dag van de dagvaarding verschuldigde rente van € 32,02. Gaandeweg de procedure heeft [gedaagde] € 464,00 betaald. Toen resteerde een rentebedrag van € 28,73. Het Waterleidingbedrijf heeft haar eis dienovereenkomstig verminderd. Daarnaast heeft zij haar eis verminderd, in die zin dat zij niet meer de buitengerechtelijke incassokosten vordert. Tevens heeft het Waterleidingbedrijf haar eis vermeerderd met een totaalbedrag van € 556,54 aan achterstallige periodeafrekeningen en voorschotfacturen. Ter zitting heeft mr. El Morabit verklaard dat het Waterleidingbedrijf afziet van het vorderen van rente na de datum van dagvaarding. Voor zover die rente nog onderdeel van de vorderingen van het Waterleidingbedrijf was, begrijpt de kantonrechter dat zij haar vorderingen dienovereenkomstig heeft verminderd. Als de in het ongelijk te stellen partij moet [gedaagde] volgens het Waterleidingbedrijf de proceskosten betalen.
2.3.
Voor zover nog van belang, heeft [gedaagde] in zijn bericht van 26 juli 2025 (antwoordakte) aangevoerd dat de gevorderde rente disproportioneel hoog is.

3.De beoordeling

3.1.
In het tussenvonnis van 19 juni 2025 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [gedaagde] in 2006 een overeenkomst tot levering van drinkwater aan het adres [adres] heeft gesloten met het Waterleidingbedrijf. De overgelegde periodeafrekeningen en voorschotfacturen zijn van het Waterleidingbedrijf, gericht aan [gedaagde] op het genoemde adres en hebben betrekking op de levering van drinkwater. Het Waterleidingbedrijf heeft [gedaagde] op 23 mei 2023 aangemaand om onder meer de periodeafrekening van 12 december 2019 en de voorschotfactuur van 9 september 2020 te voldoen. Mr. El Morabit heeft toegelicht dat de periodeafrekeningen en voorschotfacturen niet zijn voldaan. [gedaagde] heeft de vordering van in totaal € 556,54 niet weersproken. Op grond van het voorgaande zal deze vordering worden toegewezen.
3.2.
In het tussenvonnis van 19 juni 2025 heeft de kantonrechter vastgesteld dat [gedaagde] de vorderingen zoals die zijn omschreven in de dagvaarding heeft erkend. Voor zover nog van belang, heeft [gedaagde] niet weersproken dat € 28,73 van het daarin gevorderde rentebedrag resteert. Anders dan [gedaagde] heeft begrepen, is de gevorderde rente niet disproportioneel hoog. [gedaagde] verwijst op dit punt namelijk naar het in de dagvaarding genoemde totaalbedrag, waar dit rentebedrag echter onderdeel van is. De gevorderde rente zal daarom eveneens worden toegewezen.
3.3.
Opgemerkt zij nog dat mr. El Morabit heeft verklaard dat het Waterleidingbedrijf bereid is om met betrekking tot de gevorderde bedragen een betalingsregeling met [gedaagde] overeen te komen. De kantonrechter vertrouwt erop dat het Waterleidingbedrijf zich hieraan zal houden als [gedaagde] om een dergelijke regeling vraagt.
3.4.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het Waterleidingbedrijf worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
113,54
- griffierecht
340,00
- salaris gemachtigde
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
791,04

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan het Waterleidingbedrijf te betalen een bedrag van € 556,54,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan het Waterleidingbedrijf te betalen een bedrag van € 28,73,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van het Waterleidingbedrijf van € 791,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Boeve en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026.