Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3479

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
25-032401
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 94 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in beklagprocedure teruggave inbeslaggenomen geldbedrag na vrijspraak

Op 5 september 2025 werd een geldbedrag van €4.200,- in beslag genomen in een strafrechtelijk onderzoek tegen klager. Klager werd op 8 januari 2026 onherroepelijk vrijgesproken van witwassen en de rechtbank besliste dat het geldbedrag aan hem moest worden teruggegeven.

Ondanks deze beslissing had klager het geldbedrag nog niet ontvangen en diende hij op 16 december 2025 een klaagschrift in voor teruggave van het geldbedrag. De rechtbank behandelde het klaagschrift op 19 februari 2026, waarbij klager niet aanwezig was, maar zijn advocaat wel.

De officier van justitie verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren omdat het beslag op het geldbedrag reeds was opgeheven door de onherroepelijke uitspraak. De rechtbank oordeelde dat klager geen belang meer had bij de behandeling van het beklag en verklaarde hem niet-ontvankelijk.

Tegen deze beslissing staat klager en het openbaar ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open binnen veertien dagen na betekening respectievelijk dagtekening van de beslissing.

Uitkomst: De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk in het beklag omdat het beslag reeds is opgeheven na onherroepelijke vrijspraak.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer : 13-234210-25
raadkamernummer : 25-032401
datum : 19 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. S.R. Heerenveen;
[adres] ,
hierna te noemen: klager, tevens beslagene.

Feiten

Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 Sv Pro blijkt dat op 5 september 2025 in het strafrechtelijk onderzoek tegen klager in beslag is genomen: een geldbedrag van in totaal € 4.200,- (goednummer 6706702) (hierna: het geldbedrag).

Procedure

Het klaagschrift is op 16 december 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 19 februari 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van klager, mr. S.R. Heerenveen, en de officier van justitie, mr. J.J. Smilde, op zitting gehoord.
Klager is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Beklag

Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag.
Namens klager is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.
Hoewel cliënt inmiddels op 8 januari 2026 door de rechtbank onherroepelijk is vrijgesproken van witwassen en is beslist dat het inbeslaggenomen geldbedrag aan hem moet worden teruggegeven, heeft hij nog geen enkel bericht ontvangen van het Openbaar Ministerie. Nu cliënt het geldbedrag nog niet terug heeft, heeft hij wel degelijk een belang bij de behandeling van het klaagschrift.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren.

Beoordeling

De rechtbank is bevoegd.
Bij onherroepelijke uitspraak van 8 januari 2026 in de strafzaak tegen klager is een beslissing genomen met betrekking tot het inbeslaggenomen geldbedrag, namelijk dat het geldbedrag aan hem wordt teruggegeven. Hiermee is het beslag op grond van artikel 94 Sv Pro reeds geëindigd. Gelet hierop heeft klager geen belang meer bij de behandeling van het beklag. Klager zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het beklag.

Beslissing

De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk in het beklag.
Deze beslissing is gegeven door
mr. A.A. Spoel, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager en het openbaar ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank: voor klager binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing en voor het openbaar ministerie binnen veertien (14) dagen na de dagtekening van de beslissing.
.