Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Ontvankelijkheid van de officier van justitie
4.Beslissing
Deze uitspraak is gedaan door
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 april 2026 de vordering van de officier van justitie tot in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Federaal Parket in België. De opgeëiste persoon, geboren in 1996, was aanwezig en werd bijgestaan door zijn advocaat. De verdediging voerde aan dat het EAB niet door een bevoegde autoriteit was uitgevaardigd, omdat het Federaal Parket volgens Belgische wetgeving niet bevoegd zou zijn.
De officier van justitie stelde dat het EAB een zelfstandig bevel was waarop de rechtbank een beslissing moest nemen. De rechtbank oordeelde echter dat het EAB van 2026 slechts een bevestiging en aanvulling was op een eerder EAB uit 2022, dat was gebaseerd op een aanhoudingsbevel van een onderzoeksrechter. Dit bleek uit een toelichting van de Federaal Magistraat bij het Federaal Parket.
Omdat het EAB geen zelfstandig bevel was, hoefde de rechtbank niet te beoordelen of het door een bevoegde autoriteit was uitgevaardigd. De rechtbank verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot in behandeling nemen van het EAB en hief het bevel tot gevangenhouding op. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot in behandeling nemen van het Europees aanhoudingsbevel en het bevel tot gevangenhouding is opgeheven.