8.3.Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf of maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen, een winkeldiefstal met licht geweld en wederspannigheid. Dat zijn strafbare feiten en verdachte is daar strafbaar voor. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 23 februari 2026 blijkt dat verdachte de afgelopen jaren veelvuldig is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassing Inforsa van 18 maart 2026, opgemaakt door mw. [naam] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:
“Tot en met 2010 werd hij enkele keren veroordeeld, maar daarna kwam hij dertien jaar niet meer in beeld bij justitie. Vermoedelijk door het krijgen van een relatie en zijn zoon. Na zijn echtscheiding in 2022 ging het slecht met betrokkene en ontstonden er zowel psychische problemen als verslavingsproblematiek in de vorm van alcohol en cocaïne, hetgeen uiteindelijk resulteerde in crackgebruik. Er is sprake van een patroon van vermogensdelicten, dat samenhangt met zijn sinds 2022 bestaande verslavingsproblematiek. Er is sprake van instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden, met zijn verslavingsproblematiek en psychische problematiek als grootste risicofactoren. Daarnaast zijn er risico’s ten aanzien van zijn houding jegens de reclassering en forensische hulpverlening.
Het is de heer [verdachte] op eigen kracht niet gelukt zijn problematiek onder controle te krijgen, waarna er in het afgelopen jaar middels meerdere reclasseringstoezichten is gepoogd hulpverlening op te starten en zijn leven te stabiliseren. De contactmomenten zijn echter minimaal geweest, wegens detenties door recidive en het niet verschijnen op afspraken/uit contact blijven met toezichthouder.
Hij kreeg een laatste kans middels een schorsingstoezicht en zelf georganiseerde klinische opname in Thailand. Nadat hij op de dag van terugkomst in Nederland is teruggevallen in drugsgebruik en zich onttrok aan contact met reclassering en ouders, is hij opnieuw gerecidiveerd.
Reclassering Inforsa acht een forensische behandeling ten aanzien van de verslavingsproblematiek en psychische problematiek en het verkrijgen van actuele diagnostiek noodzakelijk om passende hulpverlening te kunnen bieden. Echter, er is structureel sprake van onttrekking aan de voorwaarden (mede doordat zijn drugsgebruik op de voorgrond staat en hij wegens recidive meerdere malen gedetineerd raakte) waardoor de opgelegde reclasseringstoezichten voor detentie onvoldoende kader boden om te werken aan gedragsverandering en een lager recidiverisico. In onze optiek is de heer [verdachte] niet zelfstandig in staat gebleken om stabiliteit te creëren op de verschillende leefgebieden en zijn problematiek zelfstandig te doorbreken. Ook middels een ambulant drangkader is dit niet gelukt en betrokkene vertoont weerstand tegen het verplichte kader, hetgeen de samenwerking bemoeilijkt. Alleen de inzet van een gedwongen kader heeft op dit moment nog de potentie om de problematiek beheersbaar te maken.
Reclassering Inforsa merkt ten aanzien van zijn houding op dat betrokkene aangeeft graag hulp te willen en over de nodige kennis en ervaring te beschikken, maar vooral hulpverlening wenst op zijn eigen voorwaarden. De heer [verdachte] geeft aan “het niet op te kunnen brengen (energie/motivatie) om mee te werken zodra hij het nut niet inziet” en zodra hij het gevoel krijgt onder druk te staan gaat hij in de weerstand. Hij wil dan de regie terugpakken door zijn hakken in het zand te zetten. Dit maakt een goede samenwerking met de heer [verdachte] ingewikkeld in een forensisch drangkader zoals middels een reclasseringstoezicht, aangezien hier te allen tijde verplichtingen en regels mee gemoeid zijn, waaraan hij zich dient te houden.
Behandeling en begeleiding in een dwangkader zoals de ISD-maatregel biedt de meest reële kans om de onderliggende problematiek te doorbreken, leefgebieden te stabiliseren, te komen tot gedragsverandering en een lager recidiverisico. De heer [verdachte] heeft baat bij een kader waaraan hij zich niet zo gemakkelijk kan onttrekken en er repressiemiddelen zijn gedurende zijn extramurale fase, door hem terug te plaatsen in de penitentiaire inrichting indien hij zich niet houdt aan de (bijzondere) voorwaarden”.
Verder heeft de rechtbank ter terechtzitting van 25 maart 2026 reclasseringswerker mw. [naam] , verbonden aan Reclassering Inforsa, als deskundige gehoord.
Zij heeft bovenstaand advies bevestigd en als toelichting gegeven dat er bij verdachte geen sprake is van onwil om mee te werken aan behandelingen voor zijn verslaving, maar dat sprake is van een zekere onmacht die voortvloeit uit zijn onderliggende psychische problematiek waaronder niet/onvoldoende verwerkt trauma. Niet-forensische behandelingen bieden onvoldoende mogelijkheden in het geval dat verdachte zich aan de behandeling onttrekt als het op enig moment te zwaar wordt, hetgeen inherent is aan een verslavingsbehandeling. Daarvoor is een strakker kader nodig met eventuele pressiemiddelen. Bovendien wordt bij forensische verslavingszorg in de behandeling meer aandacht besteedt aan de verhouding tussen verslaving en delictgedrag, alsmede aan de onderliggende problematiek en kan in dat kader verdere diagnostiek plaatsvinden. Indien een klinische behandeling plaatsvindt vanuit een ISD-maatregel, kan verdachte sneller in een forensische kliniek worden geplaatst, dan vanuit een ambulante setting, omdat hij dan al abstinent is van middelen. Als klinische behandeling plaats moet vinden in het kader van bijzondere voorwaarden, zal daarnaast een nieuwe indicatiestelling moeten worden aangevraagd en komt hij op een wachtlijst. Gedurende de wachttijd zal verdachte alleen ambulant behandeld kunnen worden en zijn er veel risico’s op onttrekking en recidive.
De behandeling bij [instelling] , zoals door de verdediging is voorgesteld, betreft een ambulante behandeling die alleen gericht is op de verslaving. Het ambulante kader is kwetsbaar gelet op het hoge risico van onttrekking. Ook is samenwerking met een niet-forensische kliniek moeilijker, omdat zij geen informatie met de reclassering zullen delen als verdachte daar geen toestemming voor geeft.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 26 februari 2026 blijkt dat verdachte de afgelopen vijf jaren ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op dit moment een stap te ver. Weliswaar is al eerder in het kader van bijzondere (schorsing-)voorwaarden geprobeerd verdachte voor zijn verslavingsproblematiek te behandelen, maar het is niet zo dat alle reële minder ingrijpende alternatieven volledig zijn uitgeput. Verdachte wil graag geholpen en behandeld worden, maar het is voor hem, vanuit zijn eigen kennis en ervaring als hulpverlener voor verslaafden, lastig om zich daartoe over te geven aan de reclassering en de (in zijn ogen) beperkte middelen die hen ter beschikking staan. Toch zal hij zich daaraan moeten conformeren om de behandeling én de nazorg te krijgen die hij nodig heeft. De rechtbank is van oordeel dat verdachte daartoe een laatste kans geboden moet worden, met daarbij een flinke stok achter de deur in de vorm van een voorwaardelijke ISD-maatregel. Daarmee is het aan verdachte om deze kans te pakken en zich in samenwerking met de reclassering te laten behandelen voor zijn verslaving en onderliggende problematiek.
Als verdachte dat niet (naar behoren) doet, of zich niet houdt aan één van de andere voorwaarden die de rechtbank aan de oplegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel verbindt, kan de officier van justitie de rechtbank vragen de maatregel alsnog ten uitvoer te leggen.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht
nietin mindering brengen op de duur van de maatregel.