ECLI:NL:RBAMS:2026:3461

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
13/241128-25 (A) + 13/182817-25 (B) + 13/046564-26 (C) + 05/143479-24 (tul)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 38p SrArt. 57 SrArt. 180 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd voor recidiverende winkeldiefstal met geweld en wederspannigheid

De rechtbank Amsterdam heeft op 8 april 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte, die werd vervolgd voor meerdere winkeldiefstallen, geweldpleging en wederspannigheid. De feiten betreffen diefstal van winkelgoederen bij Jumbo, Albert Heijn en een café, waarbij bij de Jumbo ook geweld werd gebruikt om de vlucht te bewerkstelligen. Verdachte verzette zich ook met geweld tegen politieambtenaren.

De rechtbank achtte alle ten laste gelegde feiten bewezen verklaard, waarbij het geweld bij de diefstal als licht werd gekwalificeerd maar wel met het oogmerk om de vlucht mogelijk te maken. Verdachte heeft een uitgebreid strafblad met meerdere veroordelingen voor vermogensdelicten en kampt met verslavings- en psychische problematiek, die samenhangen met zijn recidive.

Op basis van een rapport van Reclassering Inforsa en een deskundigenhoor concludeerde de rechtbank dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel te zwaar is, maar dat een voorwaardelijke ISD-maatregel met bijzondere voorwaarden passend is. Deze maatregel biedt een gedwongen kader voor behandeling van verslaving en onderliggende problematiek, met een proeftijd van twee jaar en voorwaarden zoals meldplicht, klinische opname, ambulante behandeling, middelenverbod en controle.

De rechtbank wees de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf af en hief het bevel tot voorlopige hechtenis op. De maatregel is opgelegd met het oog op het doorbreken van het recidivepatroon en het beschermen van de maatschappij.

Uitkomst: Verdachte krijgt een voorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar met bijzondere voorwaarden gericht op behandeling en gedragsverandering.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/241128-25 (A) + 13/182817-25 (B) + 13/046564-26 (C) (gevoegd)
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 05/143479-24
Datum uitspraak: 8 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
nu gedetineerd te: [detentieplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 maart 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Kramer, en van wat verdachte, zijn raadsvrouw, mr. D.R. Backers, en mw. [naam] van Reclassering Inforsa, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij
In zaak A:
1
op of omstreeks 13 september 2025te Amsterdam één of meerdere winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Jumbo, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd door geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever] en/of een (onbekend gebleven) medewerker van de Jumbo, gepleegd met het oogmerk om die diefstal bij betrapping op heterdaad, hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- zich één of meerdere malen los te trekken en/of
- in een worsteling te geraken met die [aangever] en/of een (onbekend gebleven)
medewerker van de Jumbo;
2
op of omstreeks 13 september 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant 2] (werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Amsterdam) en/of [verbalisant 1] (werkzaam als agent bij de Eenheid Amsterdam), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten door (zich) één of meerdere malen
- (met kracht) in tegenovergestelde richting te bewegen,
- groot/zwaar te maken,
- op de grond te laten vallen en/of
- (wild) met de benen te bewegen;
In zaak B:
op of omstreeks 15 juni 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, een of meerdere voedingsmiddelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
In zaak C:
op of omstreeks 12 februari 2026 te Amsterdam, één of meerdere flessen drank, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam café] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen flessen drank onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde geweld, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte met de geweldshandelingen het oogmerk heeft gehad de diefstal te bewerkstelligen of te vergemakkelijken.
Ten aanzien van de overige feiten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal gevolgd van geweld met het oogmerk om de vlucht mogelijk te maken. Verdachte heeft immers op de zitting verklaard dat hij, nadat hij na de ontdekking van de diefstal de goederen aan de winkelmedewerker had afgegeven, de winkel wilde verlaten en dat hij, toen hij werd tegengehouden, zich heeft geprobeerd los te wurmen. Dit handelen is, hoewel het een lichte variant is, te kwalificeren als geweld.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de
bijlagevervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
In zaak A:
1
op 13 september 2025te Amsterdam, winkelgoederen die aan de Jumbo toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd gevolgd door geweld tegen [aangever] en een onbekend gebleven medewerker van de Jumbo, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad de vlucht mogelijk te maken, door
- zich los te trekken en
- in een worsteling te geraken met die [aangever] en een onbekend gebleven
medewerker van de Jumbo;
2
op 13 september 2025 te Amsterdam, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar,
[verbalisant 2] (werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Amsterdam) en [verbalisant 1]
(werkzaam als agent bij de Eenheid Amsterdam), werkzaam in de rechtmatige
uitoefening van hun bediening, te weten door zich
- met kracht in tegenovergestelde richting te bewegen,
- zwaar te maken,
- op de grond te laten vallen en
- wild met de benen te bewegen;
In zaak B:
op 15 juni 2025 te Amsterdam, voedingsmiddelen die aan Albert Heijn toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
In zaak C:
op 12 februari 2026 te Amsterdam, flessen drank, die aan [naam café] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de op te leggen straf of maatregel

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de ‘zachte’ criteria voor het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel en dat nog reële, minder ingrijpende alternatieven voor hulpverlening en het voorkomen van recidive bestaan, zoals in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel of een voorwaardelijke ISD-maatregel.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf of maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen, een winkeldiefstal met licht geweld en wederspannigheid. Dat zijn strafbare feiten en verdachte is daar strafbaar voor. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 23 februari 2026 blijkt dat verdachte de afgelopen jaren veelvuldig is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassing Inforsa van 18 maart 2026, opgemaakt door mw. [naam] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:
“Tot en met 2010 werd hij enkele keren veroordeeld, maar daarna kwam hij dertien jaar niet meer in beeld bij justitie. Vermoedelijk door het krijgen van een relatie en zijn zoon. Na zijn echtscheiding in 2022 ging het slecht met betrokkene en ontstonden er zowel psychische problemen als verslavingsproblematiek in de vorm van alcohol en cocaïne, hetgeen uiteindelijk resulteerde in crackgebruik. Er is sprake van een patroon van vermogensdelicten, dat samenhangt met zijn sinds 2022 bestaande verslavingsproblematiek. Er is sprake van instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden, met zijn verslavingsproblematiek en psychische problematiek als grootste risicofactoren. Daarnaast zijn er risico’s ten aanzien van zijn houding jegens de reclassering en forensische hulpverlening.
Het is de heer [verdachte] op eigen kracht niet gelukt zijn problematiek onder controle te krijgen, waarna er in het afgelopen jaar middels meerdere reclasseringstoezichten is gepoogd hulpverlening op te starten en zijn leven te stabiliseren. De contactmomenten zijn echter minimaal geweest, wegens detenties door recidive en het niet verschijnen op afspraken/uit contact blijven met toezichthouder.
Hij kreeg een laatste kans middels een schorsingstoezicht en zelf georganiseerde klinische opname in Thailand. Nadat hij op de dag van terugkomst in Nederland is teruggevallen in drugsgebruik en zich onttrok aan contact met reclassering en ouders, is hij opnieuw gerecidiveerd.
Reclassering Inforsa acht een forensische behandeling ten aanzien van de verslavingsproblematiek en psychische problematiek en het verkrijgen van actuele diagnostiek noodzakelijk om passende hulpverlening te kunnen bieden. Echter, er is structureel sprake van onttrekking aan de voorwaarden (mede doordat zijn drugsgebruik op de voorgrond staat en hij wegens recidive meerdere malen gedetineerd raakte) waardoor de opgelegde reclasseringstoezichten voor detentie onvoldoende kader boden om te werken aan gedragsverandering en een lager recidiverisico. In onze optiek is de heer [verdachte] niet zelfstandig in staat gebleken om stabiliteit te creëren op de verschillende leefgebieden en zijn problematiek zelfstandig te doorbreken. Ook middels een ambulant drangkader is dit niet gelukt en betrokkene vertoont weerstand tegen het verplichte kader, hetgeen de samenwerking bemoeilijkt. Alleen de inzet van een gedwongen kader heeft op dit moment nog de potentie om de problematiek beheersbaar te maken.
Reclassering Inforsa merkt ten aanzien van zijn houding op dat betrokkene aangeeft graag hulp te willen en over de nodige kennis en ervaring te beschikken, maar vooral hulpverlening wenst op zijn eigen voorwaarden. De heer [verdachte] geeft aan “het niet op te kunnen brengen (energie/motivatie) om mee te werken zodra hij het nut niet inziet” en zodra hij het gevoel krijgt onder druk te staan gaat hij in de weerstand. Hij wil dan de regie terugpakken door zijn hakken in het zand te zetten. Dit maakt een goede samenwerking met de heer [verdachte] ingewikkeld in een forensisch drangkader zoals middels een reclasseringstoezicht, aangezien hier te allen tijde verplichtingen en regels mee gemoeid zijn, waaraan hij zich dient te houden.
Behandeling en begeleiding in een dwangkader zoals de ISD-maatregel biedt de meest reële kans om de onderliggende problematiek te doorbreken, leefgebieden te stabiliseren, te komen tot gedragsverandering en een lager recidiverisico. De heer [verdachte] heeft baat bij een kader waaraan hij zich niet zo gemakkelijk kan onttrekken en er repressiemiddelen zijn gedurende zijn extramurale fase, door hem terug te plaatsen in de penitentiaire inrichting indien hij zich niet houdt aan de (bijzondere) voorwaarden”.
Verder heeft de rechtbank ter terechtzitting van 25 maart 2026 reclasseringswerker mw. [naam] , verbonden aan Reclassering Inforsa, als deskundige gehoord.
Zij heeft bovenstaand advies bevestigd en als toelichting gegeven dat er bij verdachte geen sprake is van onwil om mee te werken aan behandelingen voor zijn verslaving, maar dat sprake is van een zekere onmacht die voortvloeit uit zijn onderliggende psychische problematiek waaronder niet/onvoldoende verwerkt trauma. Niet-forensische behandelingen bieden onvoldoende mogelijkheden in het geval dat verdachte zich aan de behandeling onttrekt als het op enig moment te zwaar wordt, hetgeen inherent is aan een verslavingsbehandeling. Daarvoor is een strakker kader nodig met eventuele pressiemiddelen. Bovendien wordt bij forensische verslavingszorg in de behandeling meer aandacht besteedt aan de verhouding tussen verslaving en delictgedrag, alsmede aan de onderliggende problematiek en kan in dat kader verdere diagnostiek plaatsvinden. Indien een klinische behandeling plaatsvindt vanuit een ISD-maatregel, kan verdachte sneller in een forensische kliniek worden geplaatst, dan vanuit een ambulante setting, omdat hij dan al abstinent is van middelen. Als klinische behandeling plaats moet vinden in het kader van bijzondere voorwaarden, zal daarnaast een nieuwe indicatiestelling moeten worden aangevraagd en komt hij op een wachtlijst. Gedurende de wachttijd zal verdachte alleen ambulant behandeld kunnen worden en zijn er veel risico’s op onttrekking en recidive.
De behandeling bij [instelling] , zoals door de verdediging is voorgesteld, betreft een ambulante behandeling die alleen gericht is op de verslaving. Het ambulante kader is kwetsbaar gelet op het hoge risico van onttrekking. Ook is samenwerking met een niet-forensische kliniek moeilijker, omdat zij geen informatie met de reclassering zullen delen als verdachte daar geen toestemming voor geeft.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 26 februari 2026 blijkt dat verdachte de afgelopen vijf jaren ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op dit moment een stap te ver. Weliswaar is al eerder in het kader van bijzondere (schorsing-)voorwaarden geprobeerd verdachte voor zijn verslavingsproblematiek te behandelen, maar het is niet zo dat alle reële minder ingrijpende alternatieven volledig zijn uitgeput. Verdachte wil graag geholpen en behandeld worden, maar het is voor hem, vanuit zijn eigen kennis en ervaring als hulpverlener voor verslaafden, lastig om zich daartoe over te geven aan de reclassering en de (in zijn ogen) beperkte middelen die hen ter beschikking staan. Toch zal hij zich daaraan moeten conformeren om de behandeling én de nazorg te krijgen die hij nodig heeft. De rechtbank is van oordeel dat verdachte daartoe een laatste kans geboden moet worden, met daarbij een flinke stok achter de deur in de vorm van een voorwaardelijke ISD-maatregel. Daarmee is het aan verdachte om deze kans te pakken en zich in samenwerking met de reclassering te laten behandelen voor zijn verslaving en onderliggende problematiek.
Als verdachte dat niet (naar behoren) doet, of zich niet houdt aan één van de andere voorwaarden die de rechtbank aan de oplegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel verbindt, kan de officier van justitie de rechtbank vragen de maatregel alsnog ten uitvoer te leggen.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht
nietin mindering brengen op de duur van de maatregel.

9.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 3 maart 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 05/143479-24, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 8 mei 2024 van de politierechter te Gelderland, locatie Zutphen, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 14 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf afwijzen, omdat zij toewijzing daarvan niet opportuun acht gelet op de aan verdachte opgelegde maatregel.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 38p, 57, 180, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A onder 1:
diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.
Ten aanzien van zaak A onder 2:
wederspannigheid.
Ten aanzien van zaak B en C:
telkens: diefstal.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de
maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (twee) jaren.
Beveelt dat deze maatregel
niet ten uitvoerwordt gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht
Veroordeelde moet zich zo spoedig mogelijk na vrijlating melden bij Reclassering Inforsa op [adres 2] , en moet zich gedurende de proeftijd blijven melden, zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
Klinische opname
Veroordeelde moet zich laten opnemen in een forensische verslavingskliniek, te bepalen door de reclassering, waarbij veroordeelde zich moet houden aan de aanwijzingen die veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven.
Ambulante behandeling
Veroordeelde moet zich onder behandeling stellen bij een door de reclassering te bepalen instelling teneinde zich te laten behandelen voor zijn middelenverslaving, hechtingsproblematiek en trauma. Dit kan het Forensisch FACT van Inforsa zijn of een soortgelijke (forensische) instelling, of – indien de reclassering dit passend acht - [instelling] .
Middelenverbod en middelencontrole
Veroordeelde moet zich onthouden van het gebruik van alcohol en drugs en is verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek, zo vaak en zo lang de reclassering dit nodig acht.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Wijst afde vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 05/143479-24.
Heft ophet bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt en ondertekend.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. Biҫer, voorzitter,
mrs. C. Klomp en B. Vogel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 april 2026.
[..]