ECLI:NL:RBAMS:2026:3460

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
13-025788-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor ontvoering en gijzeling

De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 april 2026 de vordering van de officier van justitie tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Duitse justitiële autoriteit. De opgeëiste persoon werd verdacht van ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling, strafbare feiten die in Nederland ook op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet (OLW) staan.

Tijdens de zitting op 24 maart 2026 verscheen de opgeëiste persoon, die aanvankelijk ontkende de persoon te zijn die in het EAB werd genoemd. De rechtbank stelde echter vast aan de hand van biometrisch en dactyloscopisch onderzoek dat de opgeëiste persoon en de in het EAB genoemde alias dezelfde persoon zijn.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke vereisten van de OLW, dat er geen weigeringsgronden zijn en dat de overlevering niet in strijd is met het Nederlandse recht. De straf betreft een vrijheidsstraf van één jaar en twee maanden waarvan nog vrijwel de gehele duur resteert. De rechtbank besloot daarom de overlevering aan Duitsland toe te staan.

De uitspraak is gedaan door de voorzitter en twee rechters, en is onherroepelijk omdat tegen deze beslissing geen gewoon rechtsmiddel openstaat volgens de OLW.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe voor ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-025788-26 (EAB 2)
Datum uitspraak: 7 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 28 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 juni 2023 door de
Mannheim District Court, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] , alias [alias] ,
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Bulgarije), alias [geboorteplaats alias] (Duitsland),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 maart 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat in Alkmaar en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

In het EAB wordt de overlevering van [alias] , geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats alias] (Duitsland). Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij niet de persoon is van wie de overlevering wordt gevraagd. De opgeëiste persoon heeft verklaard te zijn: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Bulgarije). De personalia die in het EAB staan, zeggen hem niets.
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en stelt op grond van de ID-staat van 24 januari 2026 (die is opgesteld toen de opgeëiste persoon in Amsterdam werd aangehouden als verdachte van vernieling) vast dat de opgeëiste persoon op basis van biometrie op die datum geïdentificeerd werd als [de opgeëiste persoon] én [alias] met de geboortedata als hierboven vermeld. Uit het rapport dactyloscopisch identiteitsonderzoek van 31 januari 2026 (dat op de zitting aan het dossier is toegevoegd) in combinatie met het mailbericht van het IRC van 27 januari 2026 blijkt dat de vingerafdrukken die door de uitvaardigende justitiële autoriteit zijn gevoegd bij de signalering op naam van [alias] en de vingerafdrukken die in Nederland zijn afgenomen van de persoon die zichzelf [de opgeëiste persoon] noemt, afkomstig zijn van één en dezelfde persoon. De rechtbank stelt op grond van deze informatie vast dat [de opgeëiste persoon] dezelfde persoon is als [alias] , de persoon waarvoor de Duitse autoriteiten de overlevering verzoeken.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
Mannheim District Courtvan 22 oktober 2021 met kenmerk 20 Ds 302 Js 21652/20.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog de gehele straf, minus één dag. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
Mannheim District Court, Duitsland voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. L. Sanders en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.