ECLI:NL:RBAMS:2026:3459

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
13-024726-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 13 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor drugshandel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 april 2026 het verzoek tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Mannheim District Court. De verdachte betwistte zijn identiteit, maar de rechtbank stelde vast dat biometrisch en dactyloscopisch onderzoek bevestigde dat het om dezelfde persoon ging.

Het EAB betrof strafbare feiten die in Duitsland zijn gepleegd, namelijk illegale handel in verdovende middelen, een zogenoemd lijstfeit onder de Overleveringswet (OLW). Hierdoor was een onderzoek naar dubbele strafbaarheid niet vereist. De verdachte werd gedetineerd in Nederland en de rechtbank verlengde de termijn voor uitspraak en beval gevangenhouding.

De verdediging nam geen standpunt in over de mogelijke weigeringsgrond dat het feit gedeeltelijk in Nederland zou zijn gepleegd. De officier van justitie stelde dat de Duitse rechtsmacht prevaleert omdat het merendeel van de feiten in Duitsland plaatsvond en de strafprocedure daar al was aangevangen.

De rechtbank oordeelde dat overlevering de hoofdregel is en dat de weigeringsgrond slechts in uitzonderlijke gevallen geldt. Gezien de internationale dimensie, de locatie van bewijs en slachtoffers, en de voortgang van de procedure in Duitsland, zag de rechtbank geen reden om de overlevering te weigeren.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en geen weigeringsgronden aanwezig zijn. De overlevering aan Duitsland werd daarom toegestaan.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Duitsland toe op grond van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-024726-26 (EAB 1)
Datum uitspraak: 7 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 28 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 april 2025 door de
Mannheim District Court, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] , alias [alias] ,
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Bulgarije), alias [geboorteplaats alias] (Duitsland),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 maart 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat in Alkmaar en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

In het EAB wordt de overlevering gevraagd van [alias] , geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats alias] (Duitsland). Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij niet de persoon is van wie de overlevering wordt gevraagd. De opgeëiste persoon heeft verklaard te zijn: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Bulgarije). De personalia die in het EAB staan, zeggen hem niets.
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en stelt op grond van de ID-staat van 24 januari 2026 (die is opgesteld toen de opgeëiste persoon in Amsterdam werd aangehouden als verdachte van vernieling) vast dat de opgeëiste persoon op basis van biometrie op die datum geïdentificeerd werd als [de opgeëiste persoon] én [alias] met de geboortedata als hierboven vermeld. Uit het rapport dactyloscopisch identiteitsonderzoek van 31 januari 2026 (dat op de zitting aan het dossier is toegevoegd) in combinatie met het mailbericht van het IRC van 27 januari 2026 blijkt eveneens dat de vingerafdrukken die door de uitvaardigende justitiële autoriteit zijn gevoegd bij de signalering op naam van [alias] en de vingerafdrukken die in Nederland zijn afgenomen van de persoon die zichzelf [de opgeëiste persoon] noemt, afkomstig zijn van één en dezelfde persoon. De rechtbank stelt op grond van deze informatie vast dat [de opgeëiste persoon] dezelfde persoon is als [alias] waarvoor de Duitse autoriteiten de overlevering verzoeken.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel (
arrest warrant) van
Mannheim District Courtvan
24 februari 2025 met kenmerk 41 Gs 670/23.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [4]
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat moet worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond omdat het onderzoek in Duitsland is aangevangen, Duitsland rechtsmacht heeft, het merendeel van de feiten alleen op Duits grondgebied zijn gepleegd en de Duitse rechtsorde geschaad is omdat de verdovende middelen op verschillende locaties in Duitsland werden verhandeld.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- in een geval als het onderhavige de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt [5] .
De uitvoerende rechterlijke autoriteit (in dit geval de rechtbank) moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals:
- de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie;
- de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken;
- de locatie van de slachtoffers;
- de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen;
- en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat. [6]
De rechtbank is, gelet op de omstandigheden die de officier van justitie heeft aangevoerd, van oordeel dat de omstandigheid dat één enkel feit (feit 9) wordt geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding is om de weigeringsgrond toe te passen. De rechtbank ziet dan ook af van toepassing van deze weigeringsgrond.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Mannheim District Court, Duitsland voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. L. Sanders en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
5.HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 (
6.HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 (