Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3455

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
25/1994
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vaststelling premie vrijwillige AOW-verzekering ongegrond verklaard

Eiser, woonachtig in Polen en ondernemer, heeft zich aangemeld voor de vrijwillige AOW-verzekering. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft de premie voor de periode van 30 juni 2021 tot en met 31 december 2023 definitief vastgesteld op € 8.641,-, gebaseerd op het bruto belastbaar inkomen zoals opgegeven in de Poolse belastingaanslag.

Eiser maakte bezwaar tegen deze berekening en stelde dat de Svb ten onrechte het bruto inkomen hanteerde zonder aftrek van kosten zoals winkelhuur, accountant en inkoopkosten. Tijdens de zitting gaf eiser aan geen bewijsstukken te kunnen overleggen, omdat dergelijke kosten in Polen niet verplicht worden opgevoerd en hij de huur contant betaalt.

De rechtbank oordeelt dat zonder objectief bewijs de door eiser aangevoerde kostenposten niet kunnen leiden tot vermindering van het belastbaar inkomen. Ook een verklaring over de huur van de winkelruimte is onvoldoende, omdat de Svb meer onderbouwing vereist, zoals bankafschriften.

Daarom is de premieberekening van de Svb juist en wordt het beroep ongegrond verklaard. Eiser krijgt het betaalde griffierecht niet terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde premie voor de vrijwillige AOW-verzekering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/1994

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] (Polen), eiser

en
de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder (hierna: de Svb)
(gemachtigde: mr. P. Stahl-de Bruin).

Procesverloop

1.1.
Met het primaire besluit van 14 oktober 2024 heeft de Svb de hoogte van eisers premie voor de vrijwillige AOW [1] -verzekering over 30 juni 2021 tot en met
31 december 2023 berekend op € 8.641,-.
1.
1.2.
Met het bestreden besluit van 5 februari 2025 heeft de Svb het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de Svb.

Beoordeling door de rechtbank

2.1.
Eiser woont in Polen. Hij ontvangt inkomsten uit zijn antiekwinkel en uit vertaalwerkzaamheden die hij verricht. Eiser heeft zich op 24 september 2021 bij de Svb aangemeld voor de vrijwillige AOW-verzekering.
2.
2.2.
Eisers vrijwillige AOW-verzekering is ingegaan op 30 juni 2021. Met een besluit van 13 november 2023 heeft de Svb berekend dat eisers premie over 30 juni 2021 tot
31 december 2023 voorlopig € 4.223,- bedraagt.
2.3.
Naar aanleiding van door eiser ingestuurde inkomensgegevens over 30 juni 2021 tot en met 31 december 2023, heeft de Svb met het primaire besluit de premie voor de vrijwillige AOW-verzekering definitief berekend op € 8.641,-. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.4.
Met het bestreden besluit heeft de Svb gemotiveerd dat de premieberekening is gebaseerd op eisers bruto-inkomen en niet op eisers netto-inkomen. In principe stelt de Svb het inkomen van alle ondernemers die in de vrijwillige verzekering zitten vast volgens de Nederlandse boekhoudkundige regels. Echter, gelet op de vele buitenlandse ondernemingsvormen met wisselende mate van aansprakelijkheid, is dit in de praktijk niet uitvoerbaar. Daarom heeft de Svb ervoor gekozen om ook akkoord te gaan met de inkomensvaststelling voor de inkomstenbelasting volgens het belastingstelsel van het land van vestiging. Dat betekent dat de Svb in het geval van buitenlandse ondernemingen uitgaat van het bruto belastbaar inkomen. De Svb heeft bij de berekening van de premie het belastbaar inkomen overgenomen zoals opgegeven op de door eiser verstrekte Poolse aanslag. De premieberekening is daarom juist, aldus de Svb.
2.5.
Eiser voert aan dat het Poolse zusterorgaan van de Svb, de Zakład Ubezpieczeń Społecznych (ZUS), de regel hanteert dat de helft van de bruto omzet eisers bruto inkomen is, welke ZUS hanteert om sociale lasten over te heffen. Op de zitting heeft eiser nader toegelicht dat het door de Svb gehanteerde belastbaar inkomen niet klopt, omdat er nog aftrekposten af moeten (zoals kosten voor de winkelhuur, zijn accountant, de inkoop van antiek en het repareren van goederen). Hij verzoekt de Svb om hier rekening mee te houden.

Overwegingen

3.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Bij de berekening van de premie heeft de Svb het belastbaar inkomen overgenomen zoals dat is opgegeven op de door eiser verstrekte Poolse aanslag. Voor de periode 30 juni 2021 tot en met 31 december 2021 is dit € 7.988,-, voor 2022 € 23.615,- en voor 2023 € 34.330,-. Eiser voert aan dat dit belastbaar inkomen niet klopt, omdat er nog kostenposten af moeten worden getrokken. Dit standpunt heeft eiser echter verder niet onderbouwd. Hij heeft niet aangegeven wat deze kosten concreet inhouden. Op de zitting heeft eiser aangegeven dat hij niet over bewijsstukken beschikt met betrekking tot deze kosten, omdat het in Polen niet nodig is om deze kosten op te voeren. Verder betaalt hij de huur van de winkelruimte contant, zodat deze kostenpost ook om die reden niet objectief vastgesteld kan worden. Dit betekent dat de door eiser aangevoerde kostenposten niet tot vermindering van het belastbaar inkomen kunnen leiden.
3.
3.2.
Op de zitting heeft eiser aangeboden om ten aanzien van de winkelruimte, die hij van de kerk huurt, een verklaring te vragen waaruit blijkt hoeveel huur eiser de afgelopen jaren heeft betaald, zodat hij daarover geen premie hoeft te betalen. De gemachtigde van de Svb heeft echter aangegeven dat dit geen soelaas biedt, omdat de Svb meer onderbouwing nodig heeft om tot premieverlaging over te kunnen gaan, zoals bankafschriften. De rechtbank kan het standpunt van de Svb volgen dat ook een dergelijke verklaring achteraf onvoldoende objectief bewijs zal bieden om tot verlaging van het belastbaar inkomen over te gaan.

Conclusie

4. De Svb heeft de hoogte van de premie voor de vrijwillige AOW-verzekering terecht vastgesteld op € 8.641,-. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van
mr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.

Voetnoten

1.Algemene ouderdomswet.