Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3439

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
11283819 \ CV EXPL 24-11213
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wegens onvoldoende onderbouwing overeenkomst vervangend vervoer

Eiser, een besloten vennootschap, vordert schadevergoeding van gedaagde wegens niet-betaling van een verkeersboete opgelegd op kenteken van een leenauto die gedaagde bestuurde tijdens werkzaamheden aan zijn eigen voertuig.

De vordering is gebaseerd op onrechtmatige daad (art. 6:162 BW Pro) en subsidiair op een overeenkomst voor vervangend vervoer. De rechtbank constateert dat eiser niet heeft aangetoond dat een schriftelijke huurovereenkomst is gesloten, noch dat voldaan is aan de informatieplichten omtrent de overeenkomst en algemene voorwaarden.

Eiser heeft slechts een achteraf opgemaakte werkorder overgelegd, wat onvoldoende is om de voorwaarden van de vermeende overeenkomst vast te stellen. Ook heeft eiser zich niet uitgelaten over de wijze van totstandkoming van de overeenkomst en de transparantie van de bedingen.

Daarom oordeelt de rechtbank dat eiser niet aan haar stelplicht heeft voldaan en wijst de vordering af. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten, die nihil worden begroot aan de zijde van gedaagde.

Uitkomst: Vordering afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de overeenkomst en niet-naleving van informatieplichten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11283819 \ CV EXPL 24-11213
Vonnis van 7 april 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: M. Verheij,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 oktober 2025,
- de akte van eisende partij.
1.2.
Gedaagde partij heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet gereageerd op de akte van eisende partij.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij, kort gezegd, in de gelegenheid gesteld zich (nader) uit te laten over:
  • de wijze waarop de overeenkomst is gesloten,
  • hoe is voldaan aan de informatieplichten,
  • de transparantie van het beding over de prijs,
  • de toepasselijkheid c.q. het hanteren van algemene voorwaarden,
  • de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd, en
  • de gevolgen van eventuele vernietiging van deze bedingen voor het geval ze als oneerlijk worden aangemerkt.
2.2.
Eisende partij heeft in de akte toegelicht, kort gezegd, dat betaling van gedaagde partij wordt gevorderd van de aan eisende partij op kenteken opgelegde beschikking (verkeersboete), als bestuurder van het voertuig (leenauto), terwijl aan het voertuig van gedaagde partij werkzaamheden werden uitgevoerd. Eisende partij heeft een formulier verstrekt aan gedaagde partij met daarop de gegevens van gedaagde partij, met daarop ook de belangrijkste kenmerken van de overeenkomst voor het vervangende vervoer: de prijs per dag, het eigen risico per schadegeval, het aantal vrije kilometers en de meerprijs per kilometer. Na inlevering van de leenauto heeft gedaagde partij de vergoeding voor het gebruik daarvan voldaan. Op de overeenkomst ter zake het vervangende vervoer zijn geen algemene voorwaarden van toepassing. Eisende partij hanteert wel algemene voorwaarden, maar die zien uitsluitend op overkoop, onderhoud en reparatie van voertuigen. Daarvan is in dit geval geen sprake. Gedaagde partij heeft nagelaten de doorbelaste boete te betalen. Dit levert een onrechtmatige daad op jegens eisende partij. Gedaagde partij is verplicht de door eisende partij geleden schade te vergoeden.
2.3.
Eisende partij baseert haar vordering op artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), dan wel subsidiair op handelen in strijd met wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer wordt betaamd, namelijk dat de bestuurder van het voertuig eventuele boetes voor zijn rekening neemt.
2.4.
Weliswaar baseert eisende partij haar vordering op de wet, maar niet worden uitgesloten dat zij haar vordering had kunnen baseren op de overeenkomst ter zake het vervangende vervoer. De kantonrechter acht zich op dit punt onvoldoende voorgelicht. Eisende partij heeft uitsluitend een achteraf opgemaakte werkorder overgelegd, waarop is te zien hoeveel kilometers gedaagde partij met de gehuurde auto heeft gereden. Een achteraf opgemaakt stuk kan niet de schriftelijke huurovereenkomst zijn waar gedaagde partij mee akkoord is gegaan. Eisende partij stelt dat een overeenkomst voor vervangend vervoer is gesloten. Niet gesteld is dat deze overeenkomst mondeling is gesloten. Nu de kantonrechter niet over de schriftelijke overeenkomst beschikt, kan niet worden vastgesteld onder welke voorwaarden die is aangegaan, noch kan worden beoordeeld in hoeverre de onderhavige vordering op die overeenkomst is of kan worden gebaseerd.
2.5.
Afgezien van de omstandigheid dat eisende partij de overeenkomst ter zake van het vervangend vervoer niet in het geding heeft gebracht, is in het tussenvonnis gevraagd toe te lichten hoe de onderliggende overeenkomst tot stand is gekomen en is voldaan aan de informatieplichten. Hierover heeft eisende partij zich in het geheel niet uitgelaten.
2.6.
Op grond van het voorgaande wordt geoordeeld dat eisende partij de voor de beoordeling van belang zijnde informatie en stukken niet volledig heeft aangevoerd. Eisende partij heeft dan ook niet voldaan aan haar stelplicht. Dat leidt tot afwijzing van de vordering.
2.7.
Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van gedaagde partij worden begroot op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vordering af,
3.2.
veroordeelt eisende partij in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
991