Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
- de akte van eisende partij.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Amsterdam
In deze civiele bodemzaak heeft de kantonrechter Amsterdam op 24 maart 2026 uitspraak gedaan in een vordering van een besloten vennootschap tegen een gedaagde die niet is verschenen. De procedure kende een tussenvonnis waarin de hoedanigheid van de gedaagde partij werd onderzocht, met name of sprake was van een zakelijke overeenkomst of consumentenrecht van toepassing was.
De kantonrechter oordeelde dat de overeenkomst zakelijk van aard was, omdat de goederen en diensten bestemd waren voor een klant in het kader van een project en niet voor privégebruik van gedaagde. Ondanks dat de eenmanszaak van gedaagde kort voor het sluiten van de overeenkomst was opgeheven, bleef de zakelijke aard van de overeenkomst overeind.
De vordering van eiser werd niet onrechtmatig of ongegrond bevonden. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Tevens werd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van hoofdsom, rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.