Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3423

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
12007675 \ CV EXPL 25-17085
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 e.v. RvRichtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing proceskostenveroordeling wegens oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomst

In deze civiele bodemzaak vordert Mijn Blokje Osdorp betaling van een hoofdsom en proceskosten van de gedaagde, die niet is verschenen. De kantonrechter heeft ambtshalve de algemene voorwaarden getoetst en geoordeeld dat de bedingen over buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten oneerlijk zijn en daarom buiten toepassing blijven.

Mijn Blokje Osdorp verwees naar een arrest van de Hoge Raad en lopende vragen aan het Hof van Justitie van de EU, maar de rechtbank volgt het huidige EU-recht zoals uitgelegd door het HvJ EU. Dit betekent dat proceskostenveroordelingen op basis van oneerlijke bedingen in consumentenzaken worden afgewezen om te voorkomen dat een partij economisch voordeel behaalt uit onrechtmatig gedrag.

De kantonrechter veroordeelt de gedaagde tot betaling van de hoofdsom van €6.978,67 plus wettelijke rente, maar wijst de gevorderde buitengerechtelijke kosten en proceskostenveroordeling af. Het vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.

Uitkomst: De gevorderde proceskostenveroordeling en buitengerechtelijke kosten worden afgewezen vanwege oneerlijke bedingen; alleen de hoofdsom en rente worden toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12007675 \ CV EXPL 25-17085
Vonnis van 17 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MIJN BLOKJE OSDORP B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Mijn Blokje Osdorp ,
gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 januari 2026,
- de akte van Mijn Blokje Osdorp .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is Mijn Blokje Osdorp in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de gevolgen van het buiten toepassing laten van de bedingen in de algemene voorwaarden over buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten, die door de kantonrechter als oneerlijk zijn aangemerkt.
2.2.
Mijn Blokje Osdorp heeft bij akte aangevoerd, kort gezegd, dat de Hoge Raad in zijn arrest van 23 mei 2025 (ECLI:NL:HR:2025:820) niet heeft beslist dat de proceskosten moeten worden afgewezen. Die vraag is gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). Bovendien blijkt uit de conclusie van de plv. P-G dat de terugvalrechtspraak van het HvJ EU niet in de weg staat aan aansprakelijkheid op een buitencontractuele grondslag, zoals artikel 237 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten refereert Mijn Blokje Osdorp zich aan het oordeel van de kantonrechter.
2.3.
De kantonrechter is bekend met de door Mijn Blokje Osdorp aangehaalde jurisprudentie en annotaties. Die geven op dit moment echter onvoldoende aanleiding om af te wijken van het geldende EU-recht, zoals tot op heden uitgelegd door het HvJ EU.
Pas na beantwoording door het HvJ EU van de door de Hoge Raad gestelde vraag kan daar, afhankelijk van de uitkomst, verandering in komen. Tot die tijd wordt de gevorderde proceskostenveroordeling, naar vast beleid van deze rechtbank, in consumentenzaken afgewezen als sprake is van een oneerlijk proceskostenbeding.
2.4.
Daarbij is in overweging genomen dat het HvJ EU herhaaldelijk heeft beslist dat niet kan worden aanvaard dat een partij economisch voordeel haalt uit haar onrechtmatige gedrag – waaronder het hanteren van oneerlijke bedingen – noch dat zij wordt gecompenseerd voor de nadelen die door dergelijk gedrag worden veroorzaakt (ECLI:EU:C:2023:478, punt 81: het “nemo auditur propriam turpitudinem allegans” (NAPTA) beginsel). Het doel van Richtlijn 93/13 EG is oneerlijke bedingen uit overeenkomsten met consumenten te laten verdwijnen en eerlijke concurrentie tussen handelaren te bevorderen. Om dat doel te bereiken dienen sancties onder meer afschrikkend te zijn. Verwacht wordt dat daardoor de handelaar wordt aangezet zijn onjuiste werkwijze, opzettelijk of onopzettelijk gehanteerd, aan te passen. Toewijzing van proceskosten uit hoofde van de wet, terwijl Mijn Blokje Osdorp een oneerlijk proceskostenbeding hanteert, zou hieraan ernstig afbreuk doen en geen enkele prikkel vormen om het oneerlijke beding uit de voorwaarden te verwijderen.
2.5.
Nu Mijn Blokje Osdorp niet om aanhouding van de beslissing heeft verzocht, wordt in navolging van overwegingen 2.10 en 2.11 van het tussenvonnis beslist op basis van het geldende beleid. Dat leidt tot afwijzing van de gevorderde proceskostenveroordeling ten laste van [gedaagde] .
2.6.
Nu Mijn Blokje Osdorp zich ten aanzien van het beding over de buitengerechtelijke kosten heeft gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter, blijft het beding buiten toepassing. Gevolg hiervan is dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.
2.7.
Het voorgaande leidt tot toewijzing van uitsluitend de gevorderde hoofdsom van € 6.978,67 en de rente zoals hierna in de beslissing vermeld.
2.8.
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Mijn Blokje Osdorp van:
- € 6.978,67 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 november 2025 tot de dag van de voldoening,
- € 265,35 aan vervallen rente tot 25 november 2025,
3.2.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
3.3.
wijst het meer of anders gevorderde af, waaronder de proceskostenveroordeling ten laste van [gedaagde] .
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
991