Partijen, voormalige partners met een minderjarige dochter, zijn in geschil over een verhuisverbod en omgangsregeling. De man vordert een verbod voor de vrouw om met de dochter naar Suriname te verhuizen en wil de hoofdverblijfplaats van de dochter aan hem toevertrouwd krijgen. De vrouw verzoekt in reconventie om wijziging van de omgangsregeling en vervangende toestemming voor een reis naar Suriname.
De rechtbank oordeelt dat de man onvoldoende belang heeft bij het verhuisverbod omdat de dochter onder gezamenlijk gezag staat en de vrouw niet zonder toestemming kan verhuizen. Ook wijkt de rechtbank niet af van de bestaande omgangsregeling, die partijen in goed overleg naleven. De gevraagde vervangende toestemming voor de reis naar Suriname wordt geweigerd vanwege de verhuisplannen van de vrouw en het feit dat de dochter al meerdere keren in Suriname is geweest.
De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter wijst alle gevorderde voorzieningen in conventie en reconventie af en bevestigt de bestaande omgangsregeling.