8.3.Oordeel van rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de
ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de
persoon van verdachte, zoals op zitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende maatregel en
bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling en huisvredebreuk. Door de voordeur van de woning van zijn moeder open te trappen heeft verdachte zonder toestemming de woning betreden. Dit deed hij omdat hij een slaapplaats wilde hebben, terwijl hij wist dat hij niet in de woning mocht komen. Door de deur open te trappen en de woning binnen te dringen heeft verdachte overlast en schade veroorzaakt en inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn moeder en haar gezin.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)
van verdachte van 9 februari 2026. Hieruit volgt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld, waaronder voor vernieling en huisvredebreuk.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van het Leger des Heils van
10 maart 2026, opgemaakt en ondertekend door [reclasseringsmedewerker] . Dit rapport houdt zakelijk weergegeven onder meer het volgende in:
Er is sprake van een delictpatroon, waarmee betrokkene voldoet aan de harde ISD-criteria. De reclassering ziet instabiliteit op de meeste leefgebieden, waarbij er sprake is van dakloosheid, een gebrek aan dagbesteding en een precaire verhouding tot de andere gezinsleden wegens de verdenkingen.
Betrokkene staat sinds 25 maart 2025 onder toezicht van Reclassering Leger des Heils Amsterdam, met als voorwaarden: meldplicht, behandeling, begeleid wonen en middelencontrole. Op 15 december 2025 is door de toezichthouder een advies ter tenuitvoerlegging voorgelegd aan het Openbaar Ministerie, vanwege onvoldoende medewerking en een gebrek aan contact met betrokkene bij zowel de reclassering als andere betrokkeninstanties. Binnen het toezicht zijn verschillende woontrajecten getracht op te starten, maar door de problematiek en geringe motivatie van betrokkene zijn deze toeleidingspogingen tot dusver mislukt. Er is diagnostiek uitgevoerd, die volgens de behandelaar niet volledig uit te voeren was wegens de afsprakenontrouwheid van betrokkene. Op dit moment is er in ieder geval een licht verstandelijke beperking en het vermoeden van schizofrenie geconstateerd, waardoor een klinische opname noodzakelijk wordt geacht. De reclassering acht de kans van een dergelijke opname binnen een voorwaardelijk kader zeer laag, met het oog op de geringe motivatie van betrokkene. Mede vanuit het ambulante begeleidingsteam Amsta heeft de reclassering vernomen dat structuur en ‘hand in hand’-zorg essentieel zijn om betrokkene afdoende te kunnen begeleiden. De reclassering signaleert geen daderbewustzijn en een afkeurende houding ten opzichte van de aantijgingen, waardoor zij een pro-criminele houding bij betrokkene concluderen.
Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als hoog. De interventies in
een voorwaardelijk kader hebben niet geleid tot recidivevermindering, waardoor verdachte volgens de reclassering voldoet aan de zachte ISD-criteria. Gelet op het eerdere ambulante traject, de leefgebieden en de houding van verdachte adviseert de reclassering de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, met aansluitend een klinische opname.
De rechtbank neemt de bevindingen en het advies van de reclassering over en maakt die tot
de hare.
Ter terechtzitting van 18 maart 2026 heeft [reclasseringsmedewerker] , gehoord als deskundige, haar advies toegelicht en gehandhaafd.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op hetgeen [begeleider Amsta] , begeleider bij Amsta, ter terechtzitting heeft verklaard. Zij heeft verklaard dat het klopt dat verdachte niet altijd op afspraken verscheen, maar dat dit eerder lag aan een gebrek aan huisvesting dan een gebrek aan motivatie. Amsta heeft verdachte aangemeld bij Indaad voor begeleid wonen, maar Indaad heeft verdachte afgewezen vanwege het ontbreken van diagnostiek en omdat verdachte geen doelen kon aangeven. Zij heeft verklaard dat verdachte inziet dat hij hulp nodig heeft.
Oplegging van de ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte vernieling aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Uit het strafblad van 9 februari 2026 blijkt dat verdachte daarnaast gedurende vijf jaar
voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf
onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel terwijl het in dit
vonnis bewezenverklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen en die
maatregel. Ook blijkt uit het hiervoor genoemde reclasseringsadvies en het strafblad van
verdachte dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een
misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van
deze maatregel, gezien de ernst van en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de Richtlijn voor Strafvordering
bij meerderjarige veelplegers van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer
actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaar processen-verbaal tegen zich
opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste
twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het in dit vonnis bewezenverklaarde feit. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat is voldaan aan de ‘harde’ ISD-criteria.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook aan de ‘zachte’ ISD-criteria voldoet. Die
houden in dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. Eerdere interventies in een voorwaardelijk kader hebben immers niet geleid tot recidivevermindering.
Aan verdachte zijn meerdere onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd, die
hem er niet van hebben weerhouden nieuwe strafbare feiten te begaan. Verdachte heeft hiermee laten zien dat hij niet in staat is geweest om contact met politie en justitie langdurig te voorkomen. Gelet op de problematiek van verdachte en het feit dat eerdere interventies in een voorwaardelijk kader niet hebben geleid tot recidivevermindering, is de rechtbank van oordeel dat de ISD-maatregel de enige oplossing is om de kans op recidive terug te dringen en dat de veiligheid van personen, die van de moeder van verdachte en haar gezin in het bijzonder, en goederen de oplegging van de ISD-maatregel eist. Het belang van de samenleving, dat verdachte geen overlast en schade meer zal veroorzaken, staat voorop.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het behandelen van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen.
De rechtbank ziet geen aanleiding de duur van de ISD-maatregel te beperken tot één jaar, zoals de raadsvrouw heeft verzocht. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie toewijzen en een ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaar. De tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht wordt niet in mindering gebracht op de duur van de maatregel.
Nu voor de bewezenverklaarde huisvredebreuk geen voorlopige hechtenis is toegelaten, kan voor dit feit geen ISD-maatregel worden opgelegd. Om die reden zal de rechtbank gebruik maken van de mogelijkheid van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en bepalen dat voor dit feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
9.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij, [benadeelde partij] , vordert een totaalbedrag van € 10.000,- met toekenning van wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, bestaande uit een materiële schadevergoeding voor de schade die verdachte in de afgelopen 8 jaar heeft veroorzaakt. Hieronder valt ook de schade die verdachte aan de voordeur heeft veroorzaakt. Daarnaast vordert de benadeelde partij een onbekend bedrag voor immateriële- en affectieschade.