Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3401

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
13/312750-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38m SrArt. 38n SrArt. 57 SrArt. 138 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging ISD-maatregel voor vernieling en huisvredebreuk met schadevergoeding

Op 18 november 2025 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van de voordeur van de woning van zijn moeder en aan huisvredebreuk door zonder toestemming de woning binnen te dringen. Verdachte bekende deze feiten tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris. De rechtbank acht de feiten bewezen op basis van het verhoor, het proces-verbaal van aangifte en fotobijlagen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte strafbaar is en geen rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Gezien het strafblad van verdachte, dat meerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten bevat, en het reclasseringsadvies waarin sprake is van een delictpatroon, instabiliteit en een hoog recidiverisico, is besloten een ISD-maatregel op te leggen voor de duur van twee jaar. De rechtbank acht deze maatregel noodzakelijk om recidive te voorkomen en de veiligheid van personen, met name de moeder van verdachte en haar gezin, te waarborgen.

Voor het feit van huisvredebreuk kan geen ISD-maatregel worden opgelegd omdat hiervoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten; hiervoor wordt geen straf of maatregel opgelegd. De benadeelde partij vordert €10.000,- schadevergoeding, waarvan €500,- wordt toegewezen voor de vernieling van de voordeur. De overige vorderingen worden niet-ontvankelijk verklaard. De vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen worden afgewezen vanwege de oplegging van de ISD-maatregel.

Uitkomst: Verdachte krijgt een ISD-maatregel van twee jaar voor vernieling en een schadevergoeding van €500 toegewezen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/312750-25
Parketnummers vorderingen tul: 13/061492-25, 13/159979-25 en 13/174365-25
Datum uitspraak: 1 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
postadres: [postadres] ,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna te noemen: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 maart 2026. Verdachte was niet bij de behandeling aanwezig, maar werd vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw, mr. M.B. Mobach, advocaat in Amsterdam, die
hiertoe gemachtigd was.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr.
M.T.A. de Ridder, en van wat de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van
de benadeelde partij, [benadeelde partij] .
Tot slot heeft de rechtbank ter terechtzitting [reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker bij
het Leger des Heils en [begeleider Amsta] , begeleider bij Amsta, als deskundigen gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is, samengevat, ten laste gelegd dat hij zich op 18 november 2025 te
Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
1. vernieling van een voordeur toebehorende aan [benadeelde partij] ;
2. wederrechtelijke binnendringing in de woning bij [benadeelde partij] in gebruik.
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in
bijlage 1die aan dit vonnis is gehecht en
geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de
tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor
schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten
bewezen kunnen worden.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd.
Omdat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft bekend en de raadsvrouw geen
vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank, op grond van artikel 359 derde Pro lid van het
Wetboek van Strafvordering, met onderstaande opgave van de bewijsmiddelen.
Ten aanzien van feit 1 en 2:
1. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris van 21 november 2025, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.
2. Een proces-verbaal van aangifte, inclusief fotobijlagen, met nummer PL1300-2025291205-4 van 18 november 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] , doorgenummerde pagina’s 5 tot en met 10.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat
verdachte:
ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:
op 18 november 2025 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een voordeur, die aan [benadeelde partij] , toebehoorde heeft vernield.
ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:
op 18 november 2025 te Amsterdam in de woning aan de [adres], bij [benadeelde partij] in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen.

6.De strafbaarheid de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de maatregel

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een
inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de
duur van twee jaar.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat de vordering van de officier van justitie moet worden afgewezen, omdat niet aan de zachte criteria voor oplegging van een ISD-maatregel is voldaan. Cliënt heeft feitelijk pas één keer een reclasseringstoezicht gekregen. Er zijn dan ook nog alternatieve trajecten mogelijk. Zij bepleit de oplegging van een voorwaardelijke strafdeel met bijzondere voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat verdachte zich aansluitend aan zijn detentie laat plaatsen in een kliniek. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht, indien de ISD-maatregel aan verdachte wordt opgelegd, de duur hiervan te beperken tot één jaar.
8.3.
Oordeel van rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de
ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de
persoon van verdachte, zoals op zitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende maatregel en
bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling en huisvredebreuk. Door de voordeur van de woning van zijn moeder open te trappen heeft verdachte zonder toestemming de woning betreden. Dit deed hij omdat hij een slaapplaats wilde hebben, terwijl hij wist dat hij niet in de woning mocht komen. Door de deur open te trappen en de woning binnen te dringen heeft verdachte overlast en schade veroorzaakt en inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn moeder en haar gezin.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)
van verdachte van 9 februari 2026. Hieruit volgt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld, waaronder voor vernieling en huisvredebreuk.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van het Leger des Heils van
10 maart 2026, opgemaakt en ondertekend door [reclasseringsmedewerker] . Dit rapport houdt zakelijk weergegeven onder meer het volgende in:
Er is sprake van een delictpatroon, waarmee betrokkene voldoet aan de harde ISD-criteria. De reclassering ziet instabiliteit op de meeste leefgebieden, waarbij er sprake is van dakloosheid, een gebrek aan dagbesteding en een precaire verhouding tot de andere gezinsleden wegens de verdenkingen.
Betrokkene staat sinds 25 maart 2025 onder toezicht van Reclassering Leger des Heils Amsterdam, met als voorwaarden: meldplicht, behandeling, begeleid wonen en middelencontrole. Op 15 december 2025 is door de toezichthouder een advies ter tenuitvoerlegging voorgelegd aan het Openbaar Ministerie, vanwege onvoldoende medewerking en een gebrek aan contact met betrokkene bij zowel de reclassering als andere betrokkeninstanties. Binnen het toezicht zijn verschillende woontrajecten getracht op te starten, maar door de problematiek en geringe motivatie van betrokkene zijn deze toeleidingspogingen tot dusver mislukt. Er is diagnostiek uitgevoerd, die volgens de behandelaar niet volledig uit te voeren was wegens de afsprakenontrouwheid van betrokkene. Op dit moment is er in ieder geval een licht verstandelijke beperking en het vermoeden van schizofrenie geconstateerd, waardoor een klinische opname noodzakelijk wordt geacht. De reclassering acht de kans van een dergelijke opname binnen een voorwaardelijk kader zeer laag, met het oog op de geringe motivatie van betrokkene. Mede vanuit het ambulante begeleidingsteam Amsta heeft de reclassering vernomen dat structuur en ‘hand in hand’-zorg essentieel zijn om betrokkene afdoende te kunnen begeleiden. De reclassering signaleert geen daderbewustzijn en een afkeurende houding ten opzichte van de aantijgingen, waardoor zij een pro-criminele houding bij betrokkene concluderen.
Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als hoog. De interventies in
een voorwaardelijk kader hebben niet geleid tot recidivevermindering, waardoor verdachte volgens de reclassering voldoet aan de zachte ISD-criteria. Gelet op het eerdere ambulante traject, de leefgebieden en de houding van verdachte adviseert de reclassering de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, met aansluitend een klinische opname.
De rechtbank neemt de bevindingen en het advies van de reclassering over en maakt die tot
de hare.
Ter terechtzitting van 18 maart 2026 heeft [reclasseringsmedewerker] , gehoord als deskundige, haar advies toegelicht en gehandhaafd.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op hetgeen [begeleider Amsta] , begeleider bij Amsta, ter terechtzitting heeft verklaard. Zij heeft verklaard dat het klopt dat verdachte niet altijd op afspraken verscheen, maar dat dit eerder lag aan een gebrek aan huisvesting dan een gebrek aan motivatie. Amsta heeft verdachte aangemeld bij Indaad voor begeleid wonen, maar Indaad heeft verdachte afgewezen vanwege het ontbreken van diagnostiek en omdat verdachte geen doelen kon aangeven. Zij heeft verklaard dat verdachte inziet dat hij hulp nodig heeft.
Oplegging van de ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte vernieling aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Uit het strafblad van 9 februari 2026 blijkt dat verdachte daarnaast gedurende vijf jaar
voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf
onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel terwijl het in dit
vonnis bewezenverklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen en die
maatregel. Ook blijkt uit het hiervoor genoemde reclasseringsadvies en het strafblad van
verdachte dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een
misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van
deze maatregel, gezien de ernst van en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de Richtlijn voor Strafvordering
bij meerderjarige veelplegers van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer
actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaar processen-verbaal tegen zich
opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste
twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het in dit vonnis bewezenverklaarde feit. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat is voldaan aan de ‘harde’ ISD-criteria.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook aan de ‘zachte’ ISD-criteria voldoet. Die
houden in dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. Eerdere interventies in een voorwaardelijk kader hebben immers niet geleid tot recidivevermindering.
Aan verdachte zijn meerdere onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd, die
hem er niet van hebben weerhouden nieuwe strafbare feiten te begaan. Verdachte heeft hiermee laten zien dat hij niet in staat is geweest om contact met politie en justitie langdurig te voorkomen. Gelet op de problematiek van verdachte en het feit dat eerdere interventies in een voorwaardelijk kader niet hebben geleid tot recidivevermindering, is de rechtbank van oordeel dat de ISD-maatregel de enige oplossing is om de kans op recidive terug te dringen en dat de veiligheid van personen, die van de moeder van verdachte en haar gezin in het bijzonder, en goederen de oplegging van de ISD-maatregel eist. Het belang van de samenleving, dat verdachte geen overlast en schade meer zal veroorzaken, staat voorop.
Duur ISD-maatregel
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het behandelen van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen.
De rechtbank ziet geen aanleiding de duur van de ISD-maatregel te beperken tot één jaar, zoals de raadsvrouw heeft verzocht. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie toewijzen en een ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaar. De tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht wordt niet in mindering gebracht op de duur van de maatregel.
Ten aanzien van feit 2
Nu voor de bewezenverklaarde huisvredebreuk geen voorlopige hechtenis is toegelaten, kan voor dit feit geen ISD-maatregel worden opgelegd. Om die reden zal de rechtbank gebruik maken van de mogelijkheid van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en bepalen dat voor dit feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
9.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij, [benadeelde partij] , vordert een totaalbedrag van € 10.000,- met toekenning van wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, bestaande uit een materiële schadevergoeding voor de schade die verdachte in de afgelopen 8 jaar heeft veroorzaakt. Hieronder valt ook de schade die verdachte aan de voordeur heeft veroorzaakt. Daarnaast vordert de benadeelde partij een onbekend bedrag voor immateriële- en affectieschade.
9.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de gevorderde schadevergoeding van de benadeelde partij in zijn geheel niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze niet met stukken is onderbouwd en het overgrote deel van de vordering niet in rechtstreeks verband met het tenlastegelegde staat.
9.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 500,-, inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, als vergoeding voor de schade die aan de voordeur is ontstaan. Ten aanzien van het overige deel van de vordering heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze niet in rechtstreeks verband staat met het onder 1 tenlastegelegde feit.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de schade aan de voordeur een bedrag van € 500,- voor vergoeding in aanmerking komt, aangezien uit het dossier is gebleken dat er schade is ontstaan aan de voordeur, doordat verdachte de deur heeft opengetrapt. De rechtbank wijst daarom een bedrag van € 500,- toe. De overige materiële schadeposten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze niet in rechtstreeks verband staan met het onder 1 tenlastegelegde feit. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van deze schadeposten daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dat geldt ook voor het overige deel van de vordering. De (niet gespecificeerde) kosten die zijn gevorderd als immateriële schade en affectieschade kunnen niet als dergelijke schade worden gekwalificeerd.
10.
De vorderingen tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling (13/061492-25, 13/159979-25 en 13/174365-25)
Ten aanzien van 13/061492-25:
Bij de stukken bevindt zich de op 13 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/061492-25, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 10 maart 2025 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 dagen, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de bepaalde proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bij de stukken zit ook een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel
366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Ten aanzien van 13/159979-25:
Bij de stukken bevindt zich de op 13 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/159979-25, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 8 juli 2025 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de bepaalde proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bij de stukken zit ook een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel
366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Ten aanzien van 13/174365-25:
Bij de stukken bevindt zich de op 13 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/174365-25, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 2 september 2025 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een
taakstraf voor de duur van 24 uren, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de bepaalde proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bij de stukken zit ook een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel
366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
10.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd om de vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat zij de oplegging van een ISD-maatregel heeft gevorderd.
10.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummers 13/061492-25 en 13/159979-25 kunnen worden toegewezen als aan verdachte geen ISD-maatregel wordt opgelegd. De raadsvrouw heeft daarnaast verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13/174365-25 niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het uitvoeren van een taakstraf in de huidige situatie niet oppurtuun is. De raadsvrouw heeft subsidiair verzocht, indien aan verdachte een ISD-maatregel wordt opgelegd, de vorderingen tot tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk te verklaren.
10.3.
Het oordeel van de rechtbank
Gelet op de oplegging van de ISD-maatregel acht de rechtbank toewijzing van de vorderingen tot tenuitvoerlegging niet opportuun en wijst deze af.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 138 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

12.Beslissing

De rechtbank komt op grond van voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan
hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
ten aanzien van feit 2:
in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte] ,daarvoor strafbaar.
ten aanzien van feit 1:
Legt op de maatregel tot
plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de
duur
van 2 (twee) jaar.
ten aanzien van feit 2:
Bepaalt dat
geen straf of maatregelwordt opgelegd.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij] , toe tot een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 november 2025 tot aan de dag van de voldoening.
Verklaart de benadeelde partij ten aanzien van het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 500,- (vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 november 2025 tot aan de dag van de voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vorderingen tenuitvoerlegging na voorwaardelijk veroordeling (13/061492-25, 13/159979-25 en 13/174365-25)
Wijst afde vorderingen tot tenuitvoerlegging van de straffen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M. Grüschke, voorzitter,
mrs. R.A. Overbosch en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 april 2026.
[…]