Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3387

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
12070399 CV EXPL 26-1002
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit Gemeentelijke SchuldhulpverleningRichtlijn 93/13 EGArt. 6:96 BWArt. 555 RvArt. 444 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming woonruimte wegens huurachterstand met ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen

Eisende partij, Tijdelijk Wonen Amsterdam B.V., vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van een onzelfstandige woonruimte vanwege huurachterstand. Gedaagde verschijnt niet, waarna verstek wordt verleend. De kantonrechter toetst ambtshalve de huurovereenkomst aan Richtlijn 93/13 EG inzake oneerlijke bedingen.

De kernbedingen omtrent huurprijs en servicekosten worden als transparant en niet oneerlijk beoordeeld. Echter, het beding over rente van 1% per maand en buitengerechtelijke incassokosten wordt als oneerlijk aangemerkt. De rente is aanzienlijk hoger dan de wettelijke rente en de incassokostenbeding vermeldt niet duidelijk de wettelijke regeling, waardoor het buiten toepassing wordt gelaten.

De kantonrechter wijst de buitengerechtelijke incassokosten en rente af, maar oordeelt dat de vordering verder niet onrechtmatig is. De huurovereenkomst wordt ontbonden, gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming binnen twee weken en tot betaling van de huurachterstand en proceskosten. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden, gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming binnen twee weken en betaling van de huurachterstand, waarbij oneerlijke bedingen over rente en incassokosten buiten toepassing worden gelaten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12070399 CV EXPL 26-1002
vonnis van: 26 maart 2026
fno.: 506

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de besloten vennootschap Tijdelijk Wonen Amsterdam B.V.

statutair gevestigd te Amsterdam
eisende partij
gemachtigde: mr. [gemachtigde] (IP Nederland Incasso & Juristen)
t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen

Verloop van de procedure

Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.

Gronden van de beslissing

1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen.
Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening
2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).
4. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de onzelfstandige woonruimte gelegen aan het adres [adres] in het geding gebracht.
5. Het huurprijsbeding (artikel 4, eerste zin, van de huurovereenkomst) en het servicekostenbeding (artikel 5 van Pro de huurovereenkomst) zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en zijn op grond van artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
6. Het betreft een niet-geliberaliseerde huurprijs. De bedingen in de huurovereenkomst die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten de artikel 4, tweede zin, (huurprijswijziging) en artikel 6 lid Pro 1, laatste zin, (wijziging voorschot servicekosten) zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden.
7. Ook het artikel 7 lid 2 van Pro de huurovereenkomst is getoetst. Dit artikel luidt als volgt:
7 lid 2
Bij het uitblijven van betaling of niet tijdige betaling van de door huurder verschuldigde bedragen is huurder een rente verschuldigd aan verhuurder van 1% per maand. Tevens is huurder de incassokosten (…..) verschuldigd, met dien verstande dat incassokosten 15% van de vordering zullen bedragen met een minimum van € 50,- ex. BTW.
8. Het hiervoor geciteerde artikel bestaat uit een rente - en een buitengerechtelijke incassokosten beding.
9. Ten aanzien van de in artikel 7 lid 2 genoemde Pro rente geldt dat deze afgesproken rente aanzienlijk hoger is dan de wettelijke rente. Het rentebeding is daarom oneerlijk.
10. Het in artikel 7 lid 2 opgenomen Pro beding over buitengerechtelijke incassokosten is oneerlijk, omdat daarin niet (voldoende duidelijk) staat dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast. Dit kan ertoe leiden dat hogere kosten voor rekening van de consument komen dan wettelijk is toegestaan.
11. Eisende partij had in de dagvaarding omtrent de (on)eerlijkheid van de op de vordering zijnde toepasselijke bedingen een standpunt moeten innemen. Nu eisende partij dit voorgaande niet heeft gedaan zal zij daartoe niet meer in de gelegenheid voor worden gesteld.
12. Het voorgaande betekent dat het onder r.o. 7 geciteerde beding buiten toepassing wordt gelaten en de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en rente worden afgewezen.
De vordering
13. De vordering komt voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de ontruimingstermijn en het griffierecht is overwogen.
14. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken.
15. Gelet op het feit dat een deel van de vordering is afgewezen wordt de gedaagde partij veroordeeld tot betaling van griffierecht corresponderende met het toegewezen deel van het gevorderde. Het (eventueel) meer betaalde aan griffierecht blijft voor rekening van eisende partij.

BESLISSING

De kantonrechter:
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de
onroerende zaak (de onzelfstandige woonruimte) gelegen aan het adres [adres]
;
veroordeelt gedaagde partij om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin
vanwege gedaagde partij bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te
ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking
van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder
bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v.
jo. 444 Rv bepaalde;
veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:
a. a) € 4.533,56 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 31 december 2025;
b) € 546,49 per maand vanaf 1 januari 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden;
veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende
partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,02 aan explootkosten, € 288,00 aan
salaris gemachtigde, € 529,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van
toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen
binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.