Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.[eiser 1] , handelend onder de naam [handelsnaam 1] ,
2. de rechtspersoon naar vreemd recht
1.De procedure
Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
Na verder debat is vonnis bepaald op 7 april 2026.
2.De feiten
fitness content.Hij heeft naar eigen zeggen 9,29 miljoen abonnees op YouTube en meer dan 24 miljoen volgers op zowel Instagram als TikTok. Eiseres sub 2 is de vennootschap van [handelsnaam 1] . [handelsnaam 1] wordt bijgestaan door een manager ( [naam 3] ).
image rights” te gebruiken voor de promotie van haar voedingssupplementen. [handelsnaam 1] ontvangt hiervoor een maandelijkse vergoeding (
license fee) van USD 35.000, een aandeel in de winst van [gedaagde] en een verkoopprovisie. In artikel 2.3 van de overeenkomst is – kort gezegd – bepaald dat [gedaagde] haar campagnes zal ontwikkelen in nauwe samenwerking met [handelsnaam 1] en dat [handelsnaam 1] die vooraf moet goedkeuren. In artikel 3.2 van de overeenkomst zijn de promotieverplichtingen van [handelsnaam 1] opgenomen, die onder meer bestaan uit het plaatsen van een minimaal aantal video’s en
postsop Instagram, TikTok en YouTube.
A party may terminate this Agreement, in whole or in part, by way of rescission (ontbinding) with immediate effect by giving written notice to the other Party, if the other Party has committed a material breach of the Agreement, and it has failed to remedy the breach within 30 (thirty) calendar days of receiving notice from the terminating Party to do so;Upon termination of the Agreement, [gedaagde] shall cease usage of the image rights en name rights of [handelsnaam 1] , and shall immediately cease marketing and sales of any products that were developed in association with [handelsnaam 1] , including without limitation the [handelsnaam 1] Products. (…)
re-branding” door te voeren en dat [handelsnaam 1] tijdens de
re-brandingperiode akkoord is gegaan met een verlaagde licentievergoeding, dat de
re-brandingop 1 november 2025 is afgerond, dat geen sprake is van niet-tijdige betalingen en evenmin van het eenzijdig opschorten van de overeenkomst door [gedaagde] . De ontbinding treft derhalve geen doel, aldus de brief van 12 november 2025.
Mr. [handelsnaam 1]geregistreerd voor onder meer voedingssupplementen.
3.Het geschil
1. [gedaagde] te bevelen iedere inbreuk op de merkenrechten van [handelsnaam 1] in de gehele Benelux te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder [gedaagde] te verbieden gebruik te maken van het teken ‘ Mr. [handelsnaam 1] ’ dan wel van andere tekens die overeenstemmen met het merk van [handelsnaam 1] ;
6. [gedaagde] te bevelen om aan de advocaten van [handelsnaam 1] schriftelijk opgave te doen van:
material breachin de zin van artikel 5.2 van de overeenkomst, zijn de volgende:
- [gedaagde] heeft de licentievergoeding in juli en augustus 2024 te laat betaald;
- in november en december 2024 is die vergoeding slechts deels betaald;
- vanaf januari 2025 is de vergoeding in het geheel niet meer betaald;
- de winstaandelen en de verkoopprovisie zijn niet uitgekeerd;
- [gedaagde] heeft de financiële gegevens om die uitkeringen te berekenen niet verstrekt;
- [gedaagde] heeft zonder voorafgaande goedkeuring (zie artikel 2.3 van de overeenkomst) van [handelsnaam 1] -producten verkocht, onder meer in Mexico;
- tijdens de
re-brandingperiode is mondeling een lagere licentievergoeding afgesproken, terwijl het afwijken van de overeenkomst volgens artikel 6.3 van die overeenkomst schriftelijk dient te geschieden;
- die lagere licentievergoeding is evenmin betaald.
Daarnaast is voldaan aan de eisen die artikel 5.2 van de overeenkomst stelt aan de kennisgeving van de
material breachen aan de kennisgeving van de ontbinding. Hierbij is van belang dat een kennisgeving van een tekortkoming niet is vereist indien de nakoming blijvend onmogelijk is. Mocht overigens de brief van 29 oktober 2025 (zie 2.5) niet als kennisgeving in de zin van artikel 5.2 kunnen worden aangemerkt, dan hebben de brieven van 18 november 2025 en 29 januari 2026 van (de advocaat van) [handelsnaam 1] als zodanig te gelden.
Artikel 5.2 van de overeenkomst bevat voorts de bepaling dat [gedaagde] na ontbinding van de overeenkomst verplicht is het gebruik van [handelsnaam 1] ’s naam en beeltenis etc. onmiddellijk te staken. [gedaagde] houdt zich niet aan deze verplichting. Op haar website en op de producten die zij aanbiedt is nog immer het merk
Mr. [handelsnaam 1]afgebeeld alsmede foto’s en tekeningen van (het portret van) [handelsnaam 1] . [gedaagde] pleegt hierdoor merkinbreuk in de zin van artikel 2.20 lid 2 sub a, althans sub b BVIE. Tevens is sprake van auteursrechtinbreuk en een inbreuk op de portretrechten van [handelsnaam 1] . Tot slot maakt [gedaagde] zich hierdoor schuldig aan oneerlijke handelspraktijken en misleidende reclame. [handelsnaam 1] lijdt door dit alles schade (gederfde licentievergoeding, reputatieschade etc.). Geen enkele andere partij zal een licentie van [handelsnaam 1] willen afnemen voor het op de markt brengen van concurrerende producten, zolang [gedaagde] nog onterecht gebruik maakt van die licentie. Omdat die schade steeds verder oploopt, heeft [handelsnaam 1] een spoedeisend belang bij toewijzing van zijn vorderingen.
4.De beoordeling
re-brandingovereengekomen. In de twee maanden dat die
re-brandingzou duren (voorzien was de periode november en december 2024) zou [handelsnaam 1] een lagere licentievergoeding van UDS 10.000 per maand, door partijen ook aangeduid als
waiting fee, ontvangen en zou [handelsnaam 1] niet hoeven voldoen aan zijn promotieverplichtingen. [gedaagde] heeft verwezen naar de WhatsAppcorrespondentie die in oktober/november 2024 tussen de manager van [handelsnaam 1] en [gedaagde] is gevoerd en waaruit kan worden afgeleid dat de
waiting fee(2 x USD 10.000) alsmede de maanden juli en augustus 2024 die nog openstonden met cryptomunten is betaald. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter duidt dit dus niet op een
material breach.Dat de maanden juli en augustus 2024 te laat zijn betaald, duidt evenmin op een
material breach, nu dit naar alle waarschijnlijkheid het gevolg is van het feit dat [handelsnaam 1] pas op 14 oktober 2024 de betaalgegevens van zijn
cryptowalletheeft doorgegeven. Verder kan niet worden uitgesloten dat – zoals [gedaagde] heeft aangevoerd – de
re-brandingperiode langer heeft geduurd dan voorzien door toedoen en/of nalaten van [handelsnaam 1] . Uit WhatsAppberichten van de manager van [handelsnaam 1] volgt dat het door [handelsnaam 1] ingeschakelde marketingbureau, tot frustratie van [handelsnaam 1] , steeds voor vertragingen zorgde. [gedaagde] heeft (aan de hand van in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie) aannemelijk gemaakt dat de
re-brandingpas in de tweede helft van oktober 2025 volledig kon worden afgerond. Bij e-mail van 26 oktober 2025 heeft [gedaagde] [handelsnaam 1] verzocht om voor de maand november 2025 een factuur voor de
license feevan USD 35.000 te sturen. Een verplichting om tijdens de gehele
re-brandingperiode (dus tot en met oktober 2025) de gehele
license feedoor te betalen (welk standpunt [handelsnaam 1] overigens pas innam in de brief van 29 januari 2026, zie 2.9) kan niet worden aangenomen gezien de (voorshands) andersluidende via WhatsApp gemaakte afspraken Op grond van dit alles kan de beweerde ‘wanbetaling’ door [gedaagde] voorshands niet als een
material breachworden aangemerkt.
4.5. De verkopen door [gedaagde] in Mexico kunnen voorshands evenmin als een
material breachworden aangemerkt omdat uit de in het geding gebrachte WhatsAppcorrespondentie kan worden afgeleid dat de manager van [handelsnaam 1] hiermee heeft ingestemd. Pas veel later is [handelsnaam 1] hier een probleem van gaan maken.
noticebedoeld in artikel 5.2 van de overeenkomst een duidelijke schriftelijke aanmaning moet betreffen om een specifieke verbintenis binnen 30 dagen na te komen. Gezien het verweer van [gedaagde] is het nog maar de vraag of de brief van 29 oktober 2025 (zie 2.5) of latere door of namens [handelsnaam 1] verzonden brieven voldoen aan deze definitie van
notice, met name omdat [gedaagde] niet in de gelegenheid is gesteld alsnog binnen 30 dagen haar verplichtingen na te komen
.Dit heeft mede betrekking op de overige door [handelsnaam 1] gestelde tekortkomingen, zoals het niet delen in de winst, het niet betalen van de verkoopprovisie en het niet doen van een financiële opgave ter berekening van het winstaandeel. Overigens wist [handelsnaam 1] – aldus [gedaagde] – heel goed dat [gedaagde] verlieslatend was en amper, behalve in Mexico, [handelsnaam 1] -producten heeft verkocht.