Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3335

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
6 april 2026
Zaaknummer
C/13/780416 / HA ZA 25-1826
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 1 Brussel I-bisArt. 7 punt 1 onder a Brussel I-bisArt. 7 punt 1 onder b Brussel I-bisVerordening (EU) nr. 1215/2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in geschil over technische websitebeheerder met werkzaamheden in Duitsland

G-Trading B.V. en [gedaagde] zijn in een geschil verwikkeld over een overeenkomst tot technische dienstverlening voor een website. [gedaagde] beheerde en onderhield de website en ontving een percentage van de omzet. Na beëindiging van de werkzaamheden ontstond een conflict over toegang tot de website en betaling.

[gedaagde] vorderde in een incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van G-Trading kennis te nemen, omdat hij in Duitsland woont en het leeuwendeel van de diensten daar werd verricht. De rechtbank toetste de internationale bevoegdheid aan de Brussel I-bis Verordening.

De rechtbank oordeelde dat de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel Pro I-bis bepaalt dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd is, hier Duitsland. De alternatieve bevoegdheidsgrond van artikel 7 punt Pro 1 onder b Brussel I-bis, die ziet op de plaats van uitvoering van de dienst, wees uit dat de diensten hoofdzakelijk in Duitsland werden verricht.

Daarom is de rechtbank internationaal onbevoegd en wijst de vordering tot onbevoegdverklaring toe. De hoofdzaak wordt niet inhoudelijk behandeld en G-Trading wordt veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde].

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich internationaal onbevoegd en wijst de vordering tot onbevoegdverklaring toe.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/780416 / HA ZA 25-1826
Vonnis in incident van 18 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
G-TRADING B.V.,
gevestigd te Diemen,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: G-Trading,
advocaat: mr. J.I. Jansen,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] (Duitsland),
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. H.M.A. over de Linden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 oktober 2025, met producties,
- de incidentele conclusie van [gedaagde] , met producties.
1.2.
G-Trading heeft geen conclusie van antwoord in incident ingediend. Aan G-Trading is op de rol van 11 februari 2026 een akte niet-dienen verleend.
1.3.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis in incident wordt uitgesproken.

2.De feiten

2.1.
G-Trading exploiteert een (web)winkel op het gebied van voedingsmiddelen. Het belangrijkste verkoopkanaal van G-Trading is de website gekoppeld aan het domein “ [website] ” (hierna: de website).
2.2.
In maart 2020 is G-Trading een samenwerking aangegaan met [gedaagde] . Die samenwerking hield – kort gezegd – in dat [gedaagde] de website technisch beheerde en onderhield. In dat verband gold dat [gedaagde] :
  • verantwoordelijk was voor het technisch beheer van de website,
  • zorgdroeg voor de ononderbroken werking van de website,
  • technische fouten aan de website verhielp,
  • plugins actualiseerde,
  • producten aan de website toevoegde,
  • nieuwe functionaliteiten integreerde.
In ruil voor dit alles zou [gedaagde] 10% van – de met de verkoop van Multitrance producten via de website – gegenereerde omzet ontvangen. Van de met de verkoop van andere producten via de website gegenereerde omzet, zou [gedaagde] 5% ontvangen.
2.3.
Op 30 december 2024 heeft [gedaagde] aan G-Trading laten weten dat hij zijn werkzaamheden per 31 januari 2025 zou staken en dat de toegang van G-Trading tot de website door hem op 31 maart 2025 zou worden stopgezet.
2.4.
Daarna zijn partijen verwikkeld geraakt in een geschil. [gedaagde] is – samen met nog een andere eiser – een gerechtelijke procedure tegen G-Trading gestart bij het Amtsgericht Charlottenburg te Berlijn . In die procedure vorderde [gedaagde] – kort gezegd – een veroordeling van G-Trading tot betaling van een totaalbedrag van € 2.251,12, te vermeerderen met rente. Bij uitspraak van 28 augustus 2025 heeft het Amtsgericht Charlottenburg de vordering van [gedaagde] afgewezen.

3.Het geschil in de hoofdzaak

3.1.
G-Trading vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
- voor recht verklaart dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is gekomen in de in maart 2020 met G-Trading gesloten overeenkomst van opdracht, althans voor recht verklaart dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld, door de toegang tot de website voor G-Trading te blokkeren,
- [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 29.333,19, te vermeerderen met de wettelijke rente,
- [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 2.808,32 aan buitengerechtelijke kosten,
- [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de nakosten.
3.2.
[gedaagde] heeft nog niet van antwoord gediend.

4.Het geschil in het incident

4.1.
[gedaagde] vordert – samengevat – dat de rechtbank:
- G-Trading niet-ontvankelijk verklaart in haar vorderingen,
- zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen van G-Trading,
- G-Trading veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
G-Trading heeft niet van antwoord gediend.

5.De beoordeling

Internationale bevoegdheid
5.1.
[gedaagde] vordert onder meer dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van G-Trading kennis te nemen.
5.2.
Dit is een internationale zaak, omdat G-Trading in Nederland is gevestigd en [gedaagde] in Duitsland woont. De rechtbank moet daarom (ook ambtshalve) als eerste beoordelen of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om van de vorderingen van G-Trading op [gedaagde] (als niet-Nederlandse gedaagde) kennis te nemen.
5.3.
De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is, moet ten aanzien van [gedaagde] worden beantwoord aan de hand van de Brussel I-bis Verordening [1] (hierna: Brussel I-bis), omdat het geschil materieel, formeel en temporeel onder het toepassingsgebied van deze verordening valt (artikelen 1, 6 en 66 Brussel I-bis).
De hoofdregel
5.4.
Op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel Pro I-bis is de rechter van de woonplaats van gedaagde bevoegd om van het geschil kennis te nemen. Aangezien [gedaagde] in Duitsland woont, kan deze rechtbank aan de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel Pro I-bis geen internationale bevoegdheid ten aanzien van [gedaagde] ontlenen.
Alternatieve bevoegdheidsgronden
5.5.
In afwijking van de hiervoor geschetste hoofdregel, geeft Brussel I-bis enkele bijzondere bevoegdheidsregels die tot alternatieve bevoegdheidsgronden kunnen leiden, waaronder artikel 7 punten Pro 1 en 2 Brussel I-bis.
5.6.
Artikel 7 punten Pro 1 en 2 Brussel I-bis geven bijzondere bevoegdheidsregels met betrekking tot respectievelijk verbintenissen uit overeenkomst en verbintenissen uit onrechtmatige daad.
5.7.
G-Trading legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] is tekortgeschoten en onrechtmatig heeft gehandeld. Het verwijt dat G-Trading aan [gedaagde] maakt, is evenwel voor beide gevallen materieel hetzelfde, namelijk dat [gedaagde] – in strijd met de tussen partijen gesloten overeenkomst – niet de inloggegevens voor de website aan G-Trading heeft verstrekt. Dit verwijt houdt uitsluitend verband met de overeenkomst tussen partijen, zodat de rechtbank de door G-Trading gestelde verbintenis ook uitsluitend aanmerkt als een verbintenis uit overeenkomst zoals bedoeld in artikel 7 punt Pro 1 Brussel I-bis.
5.8.
Voor verbintenissen uit overeenkomst bepaalt artikel 7 punt Pro 1 onder a Brussel I-bis dat het gerecht van de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt eveneens internationaal bevoegd is. Deze regel is voor de verstrekking van diensten uitgewerkt in artikel 7 punt Pro 1 onder b (tweede gedachtestreepje) Brussel I-bis. Daarin is bepaald dat, tenzij anders is overeengekomen, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden eveneens bevoegd is.
5.9.
Het gaat hier om een overeenkomst tot verstrekking van diensten in de zin van artikel 7 punt Pro 1 onder b (tweede gedachtestreepje). G-Trading heeft dat weliswaar niet met zoveel woorden erkend, maar heeft ook geen argumenten aangevoerd voor een andere kwalificatie.
5.10.
Voor de toepassing van deze alternatieve bevoegdheidsregel geldt volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie het volgende. Ingeval op meerdere plaatsen diensten worden verricht, dan wel indien geen plaats voor die verrichting is vastgelegd, wordt onder plaats van uitvoering in beginsel verstaan de plaats waar de diensten hoofdzakelijk worden verricht. Gelet op het doel van voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels, moet deze plaats zo veel mogelijk uit de bepalingen van de overeenkomst zelf worden afgeleid. Bij gebreke van bepalingen uit de overeenkomst moet de plaats in aanmerking worden genomen waar de werkzaamheden overwegend zijn verricht. Daarbij kan rekening worden gehouden met de feitelijke aspecten van de zaak, met name de ter plaatse doorgebrachte tijd en het belang van de werkzaamheden die er zijn verricht. Als de plaats ook op die manier niet kan worden bepaald, kan worden aangesloten bij de woonplaats van degene die de werkzaamheden heeft verricht. [2]
5.11.
De overeenkomst tussen partijen is mondeling aangegaan. Bij gebrek aan stellingname daarover kan de rechtbank niet vaststellen waar de diensten volgens de overeenkomst werden verstrekt of moesten worden verstrekt. Dat betekent dat beoordeeld moet worden waar de diensten feitelijk hoofdzakelijk werden verricht. Uit de hiervoor onder 2.2 opgesomde werkzaamheden, blijkt dat [gedaagde] ten behoeve van G-Trading hoofdzakelijk zorgde voor het technisch beheer en de goede werking van de website. [gedaagde] heeft onweersproken toegelicht dat hij die werkzaamheden vanuit Duitsland verrichtte. Het leeuwendeel van de diensten werd daarmee in Duitsland verricht.
5.12.
Dit leidt tot de conclusie dat deze rechtbank op grond van artikel 7 punt Pro 1 onder b (tweede gedachtestreepje) Brussel I-bis niet internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van G-Trading.
Geen andere bevoegdheidsgronden
5.13.
Verder is de rechtbank niet gebleken van andere gronden om internationale bevoegdheid aan te kunnen nemen ten aanzien van de vorderingen van G-Trading op [gedaagde] .
Slotsom
5.14.
De conclusie is dat deze rechtbank internationaal niet bevoegd is om van de vorderingen van G-Trading kennis te nemen. De vordering van [gedaagde] tot onbevoegdverklaring wordt dan ook toegewezen. Aan een beoordeling van de ontvankelijkheid van G-Trading en een inhoudelijke beoordeling wordt dus niet toegekomen.
in de hoofdzaak
5.15.
Doordat de incidentele vordering van [gedaagde] tot onbevoegdverklaring wordt toegewezen, zal de rechtbank zich in de hoofdzaak onbevoegd verklaren om kennis te nemen van de vorderingen van G-Trading op [gedaagde] . Hiermee eindigt de hoofdzaak.
5.16.
G-Trading krijgt dus ongelijk en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht: € 1.374,00
- salaris advocaat: € 653,00 (1,0 punt x tarief II: € 653,00)
- nakosten:
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
- totaal: € 2.216,00

6.De beslissing

De rechtbank
in het incident
6.1.
wijst de vordering tot onbevoegdverklaring toe,
in de hoofdzaak
6.2.
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van G-Trading op [gedaagde] ,
6.3.
veroordeelt G-Trading in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 2.216,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als G-Trading niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, rechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis).
2.HvJ EU 11 maart 2010, C-19/09, ECLI:EU:C:2010:137, (