Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3330

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
13/338306-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 GeneesmiddelenwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor in voorraad hebben van 7,9 kilogram ketamine zonder registratie

Op 11 december 2025 werd verdachte in een hotelkamer in Amstelveen aangetroffen met een sporttas waarin 7,9 kilogram ketamine zat. Verdachte verklaarde de tas te bewaren in ruil voor gebruik van ketamine en betaling van zijn hotelkamer. De rechtbank oordeelde dat het bestanddeel 'in voorraad hebben' in de Geneesmiddelenwet vergelijkbaar is met 'aanwezig hebben' in de Opiumwet en dat het strafbaar is zonder registratie werkzame stoffen in voorraad te hebben.

De verdediging voerde aan dat het begrip 'in voorraad hebben' een handelscontext vereist, maar de rechtbank verwierp dit en stelde dat het bezit zonder registratie strafbaar is, ongeacht handelsactiviteiten. Verdachte had feitelijke macht over de ketamine en was zich bewust van de aanwezigheid ervan.

De officier van justitie eiste 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. De rechtbank legde een lagere straf op van 8 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, rekening houdend met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat hij niet eerder in aanraking was geweest met justitie in Nederland.

De ketamine werd onttrokken aan het verkeer. De voorlopige hechtenis werd opgeheven zodra de duur daarvan gelijk was aan het onvoorwaardelijke deel van de straf. De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Amsterdam op 20 maart 2026.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, wegens het zonder registratie in voorraad hebben van 7,9 kilogram ketamine.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/338306-25
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer, in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1988,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
opgegeven te verblijven op het adres
[verblijfadres],
momenteel gedetineerd in [detentieadres],
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is bij tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Willemsen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Stronkhorst, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het zonder een registratie in voorraad hebben van 7,9 kilogram ketamine op 11 december 2025 in Amstelveen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en
geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Het bestanddeel ‘in voorraad hebben’ kan gelet op de wettekst en de wetssystematiek niet gelijk worden gesteld aan de juridische termen ‘aanwezig hebben’ en ‘voorhanden hebben’ in de zin van de Opiumwet of de Wet Wapens en Munitie. Het begrip ‘voorraad’ duidt - mede gelet op de titel van artikel 38 van Pro de Geneesmiddelenwet ‘Fabrikanten en groothandelaars van werkzame stoffen’ - op een handelscontext. De Geneesmiddelenwet heeft dan ook een ander doel dan de Opiumwet. Dit maakt dat met het enkele onder zich hebben van de ketamine door verdachte, zonder enige handelingsactiviteiten of aanwijzingen die duiden op de handel, geen sprake is van het ‘in voorraad hebben’ in de zin van de Geneesmiddelenwet.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
Vast staat dat de politie verdachte op 11 december 2025 in een hotelkamer in Amstelveen heeft aangetroffen, na een melding dat hij de hotelkamer niet wilde verlaten. In de hotelkamer lag een sporttas met daarin een sealbag met wit kristalachtig poeder. De tas had een gewicht van 7,9 kilogram. Het witte poeder is getest en bleek ketamine te zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij ketamine heeft gekocht van een man die hem op een later moment samen met een andere man verzocht de sporttas op zijn hotelkamer te bewaren in ruil voor het gebruik mogen maken van de ketamine en de betaling van zijn hotelkamer. Verdachte wist dat de sporttas ketamine bevatte.
Bestanddeel ‘in voorraad hebben’
Door de raadsvrouw is bepleit dat de gedraging van verdachte, te weten het bewust onder zich houden van de sporttas met ketamine in zijn hotelkamer, niet strafbaar is gesteld onder het bestanddeel ‘in voorraad hebben’ in artikel 38 van Pro de Geneesmiddelenwet. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.
Artikel 38 van Pro de Geneesmiddelenwet bepaalt dat “het verboden [is] om zonder registratie werkzame stoffen te bereiden, in te voeren, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden, af te leveren, uit te voeren of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen, dan wel in werkzame stoffen een groothandel te drijven.”
De tekst van het eerste lid van artikel 38 van Pro de Geneesmiddelenwet, in het bijzonder de woorden ‘dan wel’, wijst erop dat het artikel niet enkel is gericht tot fabrikanten en groothandelaren, maar tot eenieder die zonder registratie werkzame stoffen in voorraad heeft. Ook blijkt uit zowel de tekst van de Memorie van Toelichting [1] , als ook uit de considerans van richtlijn 2011/62 [2] , dat het doel van implementatie van de richtlijn, de wetswijziging en daarmee de totstandkoming van artikel 38 van Pro de Geneesmiddelenwet is gelegen in de bescherming van de volksgezondheid. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, komt het doel van de Geneesmiddelenwet en van de Opiumwet wat dit aspect betreft overeen.
Naar het oordeel van de rechtbank duiden de wettekst en het aan de Geneesmiddelenwet ten grondslag liggende doel erop dat de vraag of het in voorraad hebben van een werkzame stof strafbaar is, afhangt van de vergunning oftewel registratie die de persoon heeft, niet van de vraag of sprake is van enige handelsactiviteit.
Het voorgaande brengt mee dat de regulering van het in voorraad hebben van een werkzame stof in de zin van artikel 38 van Pro de Geneesmiddelenwet naar het oordeel van de rechtbank niet enkel gericht is op de handel in het ketamine, maar ook ziet op het onder zich houden van het middel. De rechtbank acht daarom het bestandsdeel ‘in voorraad hebben’ vergelijkbaar met het ‘aanwezig hebben’ als bedoeld in de Opiumwet en zal gelet hierop hetzelfde kader gebruiken.
Beoordeling
Voor de bewezenverklaring van 'aanwezig hebben' is nodig dat de verdachte feitelijke macht over het verdovende middel heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarvoor moet de verdachte op z'n minst de aanmerkelijke kans bewust hebben aanvaard dat het middel in zijn machtssfeer aanwezig is geweest.
Op grond van de bewijsmiddelen is vast komen te staan dat verdachte op 11 december 2025 wist dat er in zijn hotelkamer een tas met daarin 7,9 kilogram ketamine lag en dat hij over deze tas kon beschikken. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank bewezen worden dat verdachte 7,9 kilogram ketamine in voorraad heeft gehad.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 11 december 2025 te Amstelveen opzettelijk zonder registratie 7,9 kilogram ketamine in voorraad heeft gehad.

5.De strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het bewezenverklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een
rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Er is evenmin een omstandigheid
aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook
strafbaar.

6.Motivering van de straf

6.1.
De strafeis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht aan verdachte een taakstraf op te leggen van maximaal 60 uren en een gevangenisstraf van maximaal 30 dagen. Hierbij dient meegenomen te worden dat de Geneesmiddelenwet niet gelijk is te stellen aan de Opiumwet, waardoor geen vergelijking gemaakt dient te worden met de LOVS-oriëntatiepunten van de Opiumwet. Daarnaast is verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking gekomen in Nederland en heeft hij direct openheid van zaken gegeven. Tot slot dient rekening gehouden te worden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte is naar Amsterdam gekomen om drugs te gebruiken om zo een ‘leuke tijd’ te hebben na een voor hem intensieve periode. In zijn eigen land vond hij dit naar eigen zeggen te risicovol. Na het kopen en het gebruiken van drie gram ketamine in zijn hotelkamer, bestelde hij meer ketamine, waarbij hij ermee akkoord is gegaan om op zijn hotelkamer een sporttas met 7,9 kilogram ketamine te bewaren. Verdachte heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan het in voorraad hebben van 7,9 kilogram ketamine, zonder over de vereiste registratie te beschikken. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij spijt heeft van zijn daden en dat hij zich zeer onverstandig heeft gedragen.
Ketamine valt, als werkzame stof, vanwege de geneeskundige toepassing ervan weliswaar onder de Geneesmiddelenwet, maar wordt tegenwoordig steeds vaker voor recreatieve doeleinden gebruikt als dissociatief tripmiddel, anders gezegd: een partydrug. Ketamine is qua werking vergelijkbaar met harddrugs en is een verslavend middel. Hoewel niet is vastgesteld dat verdachte de opdrachtgever of een andere schakel in een criminele organisatie was, heeft verdachte door zijn gedragingen een bijdrage geleverd aan het in stand houden van een illegale handel in dergelijke middelen. Deze handel gaat vaak gepaard met verschillende vormen van criminaliteit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 11 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder in aanraking is geweest met politie en justitie in Nederland.
Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Ook neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat verdachte speciaal vanuit [geboorteland] naar Amsterdam is gekomen voor de drugs. De rechtbank zal een deels voorwaardelijke straf opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw in Nederland een strafbaar feit te plegen. De straf die de officier van justitie heeft gevorderd, vindt de rechtbank echter te hoog.
Alles afwegende zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

7.Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:
1. 1 STK verdovende middelen (6748693).
Onttrekking aan het verkeer
Omdat dit voorwerp is aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, terwijl zij kan dienen tot het begaan/de voorbereiding van een soortgelijke misdrijf en van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen
  • 14a, 14b, 14c, 36b en 36d van het Wetboek van Strafrecht,
  • 38 van de Geneesmiddelenwet,
  • 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 38, eerste lid van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf van 8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf
niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij
een proeftijd van 2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip
waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het
onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
1 STK verdovende middelen (6748693).
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.B.W. Beekman
mrs. W.M.C. van den Berg en M. Wiewel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 maart 2026.
[…]
[…]

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 2012-2013, 33 599, nr. 3.
2.Voluit: richtlijn nr. 2011/62/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 tot wijziging van richtlijn 2001/83/EG tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, om te verhinderen dat vervalste geneesmiddelen in de legale distributieketen belanden (PbEU 2011, L 174)).