Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3310

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/13/783804 / FA RK 26/1514
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing zorgmachtiging wegens mogelijkheid vrijwillige behandeling bij schizoaffectieve stoornis

De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 maart 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die lijdt aan een schizoaffectieve stoornis en middelengebruik.

Uit de stukken en de mondelinge behandeling bleek dat betrokkene ernstig nadeel ondervindt door zijn aandoening, waaronder een katatoon beeld. De behandelaren zijn nog zoekende naar een passende behandeling. De rechtbank erkent de zorgen, maar stelt vast dat vrijwillige behandeling mogelijk is en dat betrokkene tijdens de zitting heeft aangegeven open te staan voor zorg op vrijwillige basis.

De rechtbank benadrukt dat verplichte zorg een ultimum remedium is en een grote inbreuk vormt op de autonomie en lichamelijke integriteit. Omdat de mogelijkheid van vrijwillige behandeling niet met betrokkene is besproken, is de fundamentele toets van de Wvggz niet nageleefd. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de bereidheid van betrokkene om mee te werken aan behandeling en wijst daarom het verzoek tot verplichte zorg af.

Uitkomst: Het verzoek tot het verlenen van verplichte zorg wordt afgewezen omdat vrijwillige behandeling mogelijk is en betrokkene daartoe bereid is.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/783804 / FA RK 26/1514
kenmerk: ZM/IND/195191
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
Beschikking van 12 maart 2026van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] , [adres 1] ,
verblijvende te [verblijfsplaats] , [adres 2] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. J.M.M. Heilbron te Amsterdam,
zorgaanbieder: Arkin.

1.Procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 23 februari 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026 in het gebouw van de zorgaanbieder.
Ter zitting waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene;
- de raadsvrouw;
- [naam], arts.
Omdat de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig acht, is hij niet bij de mondelinge behandeling verschenen.

2.Beoordeling

2.1.
Betrokkene is bekend met een psychische stoornis, in de vorm van een schizoaffectieve stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis (hasj), nicotine en alcohol.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en de mondelinge behandeling voldoende blijkt dat er sprake is van ernstig nadeel. Er is nog steeds sprake van een katatoon beeld en de behandelaren zijn nog zoekende naar de juiste behandeling voor de klachten van betrokkene. De rechtbank deelt dan ook de zorgen van de behandelaren over de toestand van betrokkene.
2.3.
Anders dan de arts naar voren heeft gebracht is de rechtbank van oordeel dat dit ernstige nadeel kan worden ondervangen door vrijwillige behandeling. Dat betrokkene in het verleden met zijn medicatie is gestopt en het middel lithium, dat in de toekomst zou kunnen worden voorgeschreven, misschien niet wil te slikken, is volgens de rechtbank onvoldoende reden om te veronderstellen dat hij op dit moment niet wil meewerken aan de behandeling. Betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht open te staan voor zorg op vrijwillige basis. Betrokkene heeft last van de katatonie en wil graag verder herstellen van zijn klachten. Betrokkene is bereid afspraken te maken met de behandelaren, zich hieraan te houden en de medicatie in te blijven nemen. Betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling inzicht getoond in zijn eerdere gedragingen, waaronder het staken van de medicatie. Bovendien heeft ook de arts tijdens de mondelinge behandeling bevestigt dat de samenwerking tijdens de huidige opname goed is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aan deze bereidheid voor de behandeling te twijfelen.
2.4.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de mogelijkheid van vrijwillige behandeling niet met betrokkene is besproken. De rechtbank vindt dit niet juist. Met het oog op het karakter van de Wvggz is verplichte zorg een ultimum remedium. Het inzetten van verplichte zorg vormt een grote inbreuk op de autonomie en op de lichamelijke integriteit van een individu en dient daarom zo veel mogelijk te worden voorkomen. Door de mogelijkheid van vrijwillige behandeling niet eens met betrokkene te bespreken, zijn de behandelaren voorbij gegaan aan deze fundamentele toets. Dat klemt temeer nu de arts ter zitting heeft toegelicht dat de samenwerking goed is en dat betrokkene onderbouwd heeft aangegeven vrijwillig te willen meewerken aan behandeling.
2.5.
Gelet op het voorgaande is
nietvoldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. Het verzoek tot het verlenen van verplichte zorg zal om die reden worden afgewezen.

3.Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 12 maart 2026 mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door
mr. E. Dinjens, rechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Diederen als griffier en op 26 maart 2026 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.