ECLI:NL:RBAMS:2026:3268

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
13/367153-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

Op 8 en 9 juni 2024 heeft verdachte in Amsterdam geprobeerd om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door op hem te zitten en zijn keel met beide handen dicht te knijpen. Tevens heeft verdachte [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd door de deur op slot te draaien en hem te beletten de woning te verlaten.

De rechtbank heeft de tenlasteleggingen bewezen verklaard op basis van verklaringen van het slachtoffer, getuigen en medische rapporten. Verdachte ontkende het dichtknijpen van de keel, maar dit werd door de rechtbank niet geloofd. Het letsel van het slachtoffer bestond onder meer uit meerdere gebroken ribben en een ziekenhuisopname.

De rechtbank oordeelde dat verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel en dit heeft aanvaard. De strafmaat is vastgesteld op 120 uur taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar, rekening houdend met de ernst van het feit en het ontbreken van eerdere veroordelingen.

De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding is gedeeltelijk toegewezen voor een bedrag van €2.000 aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 9 juni 2024. Verdachte is tevens veroordeeld in de kosten en tot betaling van de schadevergoedingsmaatregel met gijzeling als dwangmiddel.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 120 uur taakstraf, 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en €2.000 schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/367153-24
Datum uitspraak: 2 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats]

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.M. Casteleijns en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. S. Aytemur naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd en na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat hij zich omstreeks 8 en/of 9 juni 2024 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door op [slachtoffer] te zitten, hem met beide handen bij zijn keel vast te pakken en zijn keel dicht te knijpen
(feit 1). Daarnaast zou verdachte zich schuldig hebben gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer]
(feit 2).
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de feiten kunnen worden bewezen. Zij heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat het zitten op aangever en het vastpakken en dichtknijpen van de keel van aangever een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het lichaam en/of de ingewanden in het leven heeft geroepen. Daarnaast voert zij aan dat het een feit van algemene bekendheid is dat het dichtknijpen van de keel gedurende enige tijd kan leiden tot zuurstofgebrek, hetgeen kan resulteren in hersenbeschadiging. Voorts volgt uit het handelen van verdachte dat verdachte de aanmerkelijke kans op het zwaar lichamelijk letsel ook heeft aanvaard.
Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte aangever voor enige tijd wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 niet kan worden bewezen en heeft daartoe vrijspraak bepleit. Zij acht de getuigenverklaring die [getuige 1] bij de politie heeft afgelegd niet betrouwbaar en verzoekt deze getuigenverklaring uit te sluiten van het bewijs. Voorts acht de raadsvrouw de verklaring van aangever niet geloofwaardig. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw eveneens vrijspraak bepleit, omdat niet is komen vast te staan dat de deur daadwerkelijk op slot zat en dat aangever derhalve daadwerkelijk van zijn vrijheid is beroofd.
3.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de tenlastegelegde feiten bewezen op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen en de hiernavolgende overwegingen.
3.3.1
Feiten en omstandigheden
Uit de aangifte en de verklaring van verdachte blijkt dat er in de nacht van 8 op 9 juni 2024 een discussie is ontstaan tussen verdachte en aangever. Verdachte is hierbij op enig moment op aangever gaan zitten. Over wat zich verder in de woning heeft afgespeeld, lopen de lezingen uiteen.
Volgens aangever wilde hij op enig moment de woning verlaten, maar werd hij tegengehouden door verdachte. Verdachte draaide de voordeur op slot en nam de sleutel mee. Verdachte zou hem daarbij meerdere keren hebben gezegd dat aangever verdachte geld moest betalen. Op enig moment is verdachte op de borst van aangever gaan zitten, heeft hij zijn keel met beide handen vastgepakt en deze vervolgens dichtgeknepen.
Verdachte heeft verklaard dat er een discussie is ontstaan over de vraag waar het zakje met drugs was gebleven, waarbij hij vermoedde dat aangever dit bij zich had. Volgens verdachte mocht aangever de woning niet verlaten totdat hij zou toegeven het zakje drugs te hebben weggenomen. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij de deur wel heeft dichtgedaan, maar niet op slot heeft gedraaid. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij op aangever is gaan zitten, omdat deze met zijn armen wild om zich heen sloeg. Verdachte ontkent dat hij aangever bij de keel heeft vastgepakt dan wel diens keel heeft dichtgeknepen.
De verklaring van aangever vindt steun in de letselverklaring en de getuigenverklaringen van [getuige 2] en van [getuige 1] .
[getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij het incident via videobellen heeft gezien en zag dat beide handen van verdachte om de nek van aangever waren. Bovendien verklaart zij dat zij verdachte moest betalen bij het ophalen van aangever.
[getuige 2] heeft verklaard dat hij, via dezelfde telefoon, verdachte hoorde zeggen: “ik ga zijn nek breken” en “ik ga zijn nek nu draaien”. Ook hoorde hij verdachte zeggen: “nee, jij gaat helemaal nergens heen.”
Uit de letselverklaring volgt dat aangever meerdere gebroken ribben heeft opgelopen. Verdachte zelf heeft bovendien bij de politie verklaard in gevecht te zijn geraakt met aangever, waarbij hij op aangever is gaan zitten.
Ten aanzien van het dichtknijpen van de keel staat hier alleen de ontkenning van verdachte tegenover. Deze ontkenning vindt geen steun in de bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank acht de verklaring van verdachte op dit punt dan ook onaannemelijk.
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat verdachte de deur van de woning op slot heeft gedaan en gehouden, dat hij op enig moment op het bovenlichaam van aangever is gaan zitten en dat hij de keel van aangever met beide handen heeft dichtgeknepen. Omdat de rechtbank de getuigenverklaring van [getuige 1] bij de politie niet gebruikt voor het bewijs, komt de rechtbank niet toe aan het verweer van de verdediging dat op dit bewijsmiddel ziet.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte gekwalificeerd dient te worden.
3.3.2
Ten aanzien van feit 1
Het met kracht dichtknijpen van iemands keel, of dat nu met één hand of met twee handen gebeurt, levert in het algemeen een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Immers bevinden zich in de hals kwetsbare en vitale lichaamsdelen. Aangever heeft voorts verklaard dat hij door het dichtknijpen van zijn keel, moeilijk kon ademhalen. Bovendien leidt ook het zitten met het volle gewicht op het bovenlichaam van een persoon ertoe dat de ademhaling wordt belemmerd. Het kan niet anders dan dat verdachte zich ook bewust van was van deze kans. Verdachte heeft door op aangever te zitten en voorts met kracht de keel van [slachtoffer] te pakken en dicht te knijpen, de aanmerkelijke kans aanvaard dat vitale lichaamsdelen van aangever zouden kunnen worden beschadigd, waardoor zwaar lichamelijk letsel het gevolg had kunnen zijn.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank, anders dan door de verdediging bepleit en met de officier van justitie, bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] .
3.3.2.
Ten aanzien van feit 2
De rechtbank overweegt dat verdachte de deur op slot heeft gedraaid, waardoor aangever de woning niet kon verlaten. Uit de verklaring van verdachte volgt dat verdachte aangever daartoe ook feitelijk heeft verhinderd door op aangever te zitten. Voor een bewezenverklaring van wederrechtelijke vrijheidsberoving is vereist dat aangever tegen zijn wil werd belet de woning te verlaten. Aan dat vereiste is voldaan. Het verweer van de raadsvrouw wordt daarmee verworpen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank, anders dan door de verdediging bepleit en met de officier van justitie, de tenlastegelegde wederechtelijke vrijheidsberoving bewezen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
ten aanzien van feit 1
omstreeks 8 en 9 juni 2024 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- op die [slachtoffer] heeft gezeten en
- die [slachtoffer] met beide handen bij de keel heeft vastgepakt en
- de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
ten aanzien van feit 2
omstreeks 8 en 9 juni 2024 te Amsterdam opzettelijk die [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door de deur (van het huis waarin hij, verdachte en die [slachtoffer] , zich op dat moment bevonden) op slot te draaien, en door te zeggen tegen die [slachtoffer] dat hij niet weg mocht en hem te beletten de woning te verlaten en door op de borst of het lichaam van die [slachtoffer] te gaan zitten.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.
7.2.
Standpunt van de verdediging
Door de raadsvrouw is geen strafmaatverweer gevoerd.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en wederechtelijke vrijheidsberoving. Hij is daarbij op slachtoffer gaan zitten en heeft hij zijn keel vastgepakt en dichtgeknepen. Daarnaast heeft hij slachtoffer belet de woning te verlaten. De rechtbank overweegt dat hier sprake is geweest van een relatief korte, maar intense wederrechtelijke vrijheidsberoving die voor het slachtoffer ernstige gevolgen heeft gehad. Dat ook de gevolgen van het geweld ernstig waren, blijkt uit de omstandigheid dat slachtoffer een aantal dagen in het ziekenhuis heeft gelegen en meerdere gebroken ribben heeft opgelopen. Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van slachtoffer. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie (het strafblad) van 17 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, acht de rechtbank een lagere straf passend dan door de officier van justitie is geëist.
De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van 2 jaren, passend. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van het gepleegde feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

8.Ten aanzien van de benadeelde partij

8.1
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 3.780, - aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2
Standpunten
De officier van justitie vordert integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, omdat niet kan worden vastgesteld dat het handelen van verdachte de botbreuken hebben veroorzaakt. De benadeelde partij heeft immers een aandoening die zijn botten breekbaar maken. Daarnaast kan er geen causaal verband worden vastgesteld tussen het tenlastegelegde en het gestelde letsel, nu de benadeelde partij al bekend zou zijn geweest met de nodige problematiek.
8.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat verdachte met zijn volle gewicht op het bovenlichaam van de benadeelde partij is gaan zitten. Uit de overgelegde correspondentie van het OLVG van 17 juni 2024 volgt dat de benadeelde partij van 12 juni tot en met 16 juni 2024 opgenomen is geweest, onder andere vanwege meerdere ribfracturen. Verdachte verklaart voorts zelf dat het kan dat de benadeelde partij twee gebroken ribben, twee gekneusde ribben, last van zijn borst had, kortademig en duizelig was omdat verdachte op hem zat. De benadeelde partij heeft hiermee voldoende onderbouwd dat het letsel het gevolg is van de handelingen van verdachte. De rechtbank overweegt voorts dat uit vaste jurisprudentie volgt dat verdachte het slachtoffer heeft te nemen zoals hij is, inclusief diens zwakheden, kwetsbaarheden en andere bijzonderheden. Daarmee bestaat in dit geval geen ruimte om rekening te houden met een predispositie van benadeelde partij, in dit geval zijn breekbare dan wel broze botten. Het verweer van de verdediging wordt hiermee verworpen.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreekse immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 2.000, -, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2024.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan hem de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) toe te passen gijzeling op 20 dagen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 282 en 302 Sr.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1:
poging tot zware mishandeling
feit 2:
wederrechtelijke vrijheidsberoving
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.000, - (zegge: tweeduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (9 juni 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] .
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 2.000, - (zegge: tweeduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (9 juni 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. D.A. Segbedzi en N.A.M. Buurman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M. Essink, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 april 2026.