Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3257

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
10510948 \ CV EXPL 23-7170
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 93/13/EGArt. 4 lid 2 Richtlijn 93/13/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over totstandkoming en informatieplicht bij opleidingsovereenkomst

In deze civiele zaak vordert eisende partij betaling van een factuur voor een opleidingsovereenkomst die zij met gedaagde partij is aangegaan. Gedaagde partij is niet verschenen, waardoor verstek is verleend. De kantonrechter onderzoekt ambtshalve of aan de informatieverplichtingen is voldaan en of de overeenkomst voldoet aan de Richtlijn oneerlijke bedingen, aangezien gedaagde vermoedelijk consument is.

Eisende partij heeft een digitaal ondertekende offerte overgelegd, maar het is onduidelijk hoe gedaagde partij deze heeft ontvangen, wat relevant is voor de kwalificatie van de overeenkomst en de toepasselijke informatieplichten. De kantonrechter geeft eisende partij de gelegenheid om dit nader toe te lichten en te onderbouwen met bewijs.

Het prijsbeding in de overeenkomst is niet transparant omdat niet duidelijk is over welk bedrag de administratiekosten van 4% worden berekend en wat de totale prijs bij betaling in maandtermijnen is. Daarom moet dit beding op oneerlijkheid worden getoetst. De incassokosten en wettelijke rente zijn volgens de kantonrechter niet oneerlijk omdat zij in overeenstemming zijn met wettelijke regels en de algemene voorwaarden.

De zaak wordt aangehouden tot de rolzitting over vier weken, waarbij eisende partij een akte moet indienen en deze tijdig aan gedaagde partij moet sturen met een mededeling over de mogelijkheid tot reageren of uitstel. De kantonrechter zal daarna verdere beslissingen nemen.

Uitkomst: De kantonrechter houdt de zaak aan voor nadere toelichting over totstandkoming en informatieplicht en toetst het prijsbeding op oneerlijkheid.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10510948 \ CV EXPL 23-7170
Vonnis van 12 februari 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. E. Holthuizen,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard op 2 mei 2023. Gedaagde partij is niet verschenen en heeft ook niet schriftelijk gereageerd. Tegen hem is daarom verstek verleend.
1.2.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Volgens eisende partij is tussen partijen een opleidingsovereenkomst tot stand gekomen voor het volgen van een [opleiding] . Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden Consumenten NRTO d.d. 1 januari 2019 van toepassing (hierna: de algemene voorwaarden). De vergoeding voor de opleiding bedraagt € 5.800,00, met een opslag van 4% aan administratiekosten wegens betalen in maandtermijnen. Gedaagde partij heeft de maandtermijnen niet voldaan, en eisende partij vordert daarom in totaal een bedrag van € 6.032,00. Verder vordert eisende partij buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente, met veroordeling van gedaagde partij in de proceskosten.
2.2.
Eisende partij is een handelaar. Gedaagde partij is een consument, althans wordt vermoed consument te zijn. In dat geval moet ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht. De kantonrechter moet onder meer onderzoeken of eisende partij haar informatieverplichtingen heeft nageleefd. Ook moet de overeenkomst worden getoetst aan de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EG, hierna: de richtlijn).
2.3.
Eisende partij heeft een offerte overgelegd, die door gedaagde partij digitaal is ondertekend. Gesteld noch gebleken is hoe gedaagde partij over die offerte is komen te beschikken. Dat is van belang voor de vraag hoe de overeenkomst moet worden gekwalificeerd en daarmee ook welke informatieplichten van toepassing zijn.
2.4.
Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld de feitelijke totstandkoming van de overeenkomst nader toe te lichten en gemotiveerd te stellen op welke wijze zij heeft voldaan aan de toepasselijke informatieplichten. Deze stellingen dienen zo nodig te worden onderbouwd met bewijsstukken.
2.5.
Met de overgelegde offerte, in combinatie met de overgelegde algemene voorwaarden die op de overeenkomst van toepassing zijn verklaard, kan worden getoetst aan de richtlijn.
2.6.
De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een beding dat ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, namelijk de prijs. In de overeenkomst staat het volgende prijsbeding:

Aantal Omschrijving Kosten
1. Bootcamp: Bootcamp: Full-stack € 5.500,-
Developer
1. Studiemateriaal € 300,-
Totaal € 5.800,-
Je hebt gekozen voor de betaalmethode: Maandtermijnen ( +4%
Administratiekosten )
Je kosten (per termijn) zijn: Per maand € 1005,-’
2.7.
Ambtshalve toetsing van een prijsbeding is ingevolge artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn alleen aan de orde als deze niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd. De kantonrechter oordeelt dat het prijsbeding niet transparant is, omdat uit het beding niet duidelijk blijkt over welk bedrag de 4% administratiekosten worden berekend en omdat uit het beding niet kan worden afgeleid wat de totale prijs is van de opleiding, wanneer de consument kiest voor betaling in maandelijkse termijnen. Omdat het beding niet transparant is, moet deze op oneerlijkheid worden getoetst. Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van het beding.
2.8.
Eisende partij vordert verder de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. In artikel 11 van Pro de algemene voorwaarden staat een beding dat ziet op het in rekening brengen van rente en incassokosten. In het beding wordt verwezen naar de wettelijke rente. Ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten is in het beding opgenomen dat twee keer een kosteloze betalingsherinnering wordt gestuurd. Verder zijn de tarieven die worden genoemd in overeenstemming met de wettelijke regeling omtrent incassokosten. Het beding is daarom niet oneerlijk.
2.9.
De zaak wordt voor het nemen van een akte door eisende partij over het bepaalde in overweging 2.4. en 2.7. verwezen naar de rol over vier weken.
2.10.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partijuiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.11.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
donderdag 12 maart 2026voor het nemen van een akte door eisende partij over wat is vermeld onder 2.4. en 2.7.,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
57327