Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3254

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
13-335959-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 12 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks procedurele waarborgen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 april 2026 het verzoek tot overlevering van een opgeëiste persoon uit Hongarije op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB betrof de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf die later onvoorwaardelijk werd opgelegd wegens nieuwe strafbare feiten. De procedure kende meerdere zittingen, waarbij de rechtbank aanvullende informatie opvroeg over de uitoefening van verdedigingsrechten en de verzetgarantie.

De rechtbank oordeelde dat de weigeringsgrond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW) niet van toepassing was, omdat de opgeëiste persoon in persoon was verschenen bij het proces dat tot het oorspronkelijke vonnis leidde, en er een verzetgarantie was afgegeven voor het hoger beroep. De verdediging voerde aan dat het EAB ongenoegzaam was vanwege onduidelijkheden over de strafoplegging, maar dit werd verworpen omdat het EAB voldoende informatie bevatte.

De rechtbank stelde vast dat de strafbare feiten onder het lijstfeit van de OLW vielen, waardoor toetsing van dubbele strafbaarheid achterwege kon blijven. Gezien de naleving van procedurele waarborgen en de volledigheid van het EAB, stond de rechtbank de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Hongarije toe op grond van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-335959-25 (EAB I)
Datum uitspraak: 1 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 15 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 november 2025 door
The Penal Enforcement Group of the Regional Court of Szombathely, Hongarije, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1999,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 4 maart 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 4 maart 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor bepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aanvullende vragen aan de Hongaarse autoriteiten te stellen omtrent de uitoefening van de verdedigingsrechten als bedoeld in artikel 12 OLW Pro. De rechtbank heeft daarbij voorgesteld om aan de Hongaarse autoriteiten te vragen om het zogenaamd D-formulier in te vullen met betrekking tot het vonnis van
the Szombathely District Courtvan 11 februari 2019 en het arrest van
the Regional Court of Szombathelyvan 11 april 2024, alsook de overige vragen te stellen die in het licht van artikel 12 OLW Pro van belang zijn.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Zitting van 18 maart 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, en door een tolk in de Hongaarse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt onder b):

The Szombathely District Court issued a criminal order on 14 May 2020, which became final on 15 June 2020, imposing a one-year prison sentence on the accused, 6.Bpk.294/2020/2. [T]hat was ordered to be enforced retroactively by the District Court of Szombathely in its judgment No. 35.B.155/2023/30, which was ordered by the Regional Court of Szombathely as the court of second instance in its final decision No. 6.Bf.6/2024/12, dated 11 April 2024.
Uit de aanvullende informatie van 23 januari 2026 blijkt dat het vonnis van
the District Court of Szombathelymet kenmerk No. 35.B.155/2023/30 is uitgesproken op 11 januari 2024. De aanvullende informatie van 30 januari 2026 vermeldt daarnaast een vonnis van
the Szombathely District Courtvan 11 februari 2019, met kenmerk No. 6.Fk.372/2018/5.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De rechtbank leidt uit het EAB en de aanvullende informatie van 23 januari 2026, 30 januari 2026 en 17 februari 2026 af dat de vrijheidsstraf voorwaardelijk aan de opgeëiste persoon is opgelegd bij het vonnis van
the Szombathely District Courtvan 14 mei 2020 met een proeftijd van drie jaren. De tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf is bevolen bij het vonnis van
the District Court of Szombathelyvan 11 januari 2024, dat is bekrachtigd met het arrest van
the Regional Court of Szombathelyvan 11 april 2024.
De vonnissen en het arrest betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro niet aan overlevering van de opgeëiste persoon in de weg staat. Uit het ingevulde onderdeel D) bij de aanvullende informatie van 12 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis van 11 februari 2019 heeft geleid. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro is ten aanzien van dit vonnis daarom niet aan de orde. Ten aanzien van het vonnis van 14 mei 2020 blijkt uit het ingevulde onderdeel D) bij de aanvullende informatie van 23 januari 2026, zoals bevestigd in de aanvullende informatie van 30 januari 2026, dat de strafbeschikking aan de opgeëiste persoon is betekend op 3 juni 2020. De opgeëiste persoon heeft geen hoger beroep ingesteld. De situatie als bedoeld in artikel 12, onder c, OLW doet zich voor. Ten aanzien van het vonnis van 11 januari 2024 en het arrest van 11 april 2024 geldt dat de procedure in hoger beroep moet worden getoetst aan artikel 12 OLW Pro. Uit het EAB en het ingevulde onderdeel D) in de aanvullende informatie van 12 maart 2026 blijkt dat een verzetgarantie is afgegeven. Deze verzetgarantie is voldoende. Dat betekent dat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW aan de orde is.
Oordeel van de rechtbank
Het vonnis vanthe Szombathely District Courtvan 11 februari 2019, met kenmerk No. 6.Fk.372/2018.5
In het vonnis
the Szombathely District Courtvan 11 februari 2019 is geoordeeld over de schuld van de opgeëiste persoon aan de in het EAB genoemde strafbare feiten die zijn gepleegd in 2017. Aan hem is toen geen vrijheidsstraf opgelegd, maar hij is wel onder toezicht (‘
probation’) gesteld met een proeftijd van één jaar waarin de opgeëiste persoon in ieder geval geen nieuwe strafbare feiten mocht plegen. Uit de aanvullende informatie van 12 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon naar de zitting van 11 februari 2019 is gebracht. Dat betekent dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is hierop daarom niet van toepassing.
De strafbeschikking vanthe Szombathely District Courtvan 14 mei 2020, met kenmerk 6.Bpk.294/2020/2
De opgeëiste persoon heeft in 2018 en 2019 de overige in het EAB genoemde strafbare feiten gepleegd. Het feit van 20 februari 2019 is gepleegd gedurende de proeftijd van één jaar, opgelegd bij het vonnis van 11 februari 2019. In de strafbeschikking (
‘criminal order’)van
the Szombathely District Courtvan 14 mei 2020 is het schuldoordeel uit het vonnis van 11 februari 2019 overgenomen. Daarnaast is de opgeëiste persoon veroordeeld voor de feiten uit 2018 en 2019. In de strafbeschikking van 14 mei 2020 is een gezamenlijke straf opgelegd voor de feiten uit 2017, 2018 en 2019 (derhalve voor alle in het EAB genoemde feiten), namelijk een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar met een proeftijd van drie jaren. Uit de aanvullende informatie van 23 januari 2026 en 30 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de strafbeschikking heeft geleid. De strafbeschikking is echter, zo blijkt uit het ingevulde onderdeel D) bij de aanvullende informatie van 23 januari 2026, op 3 juni 2020 aan de opgeëiste persoon betekend en hij is uitdrukkelijk geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, en dat tijdens die procedure de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten dat kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing. De opgeëiste persoon heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij het vonnis niet betwist. Dit betekent dat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder c, sub 1, OLW van toepassing is.
Het vonnis vanthe District Court of Szombathelyvan 11 januari 2024, met kenmerk No. 35.B.155/2023/30 en het arrest vanthe Regional Court of Szombathelyvan 11 april 2024, met kenmerk No. 6.Bf.6/2024/12
De opgeëiste persoon heeft gedurende de aan hem bij vonnis van 14 mei 2020 opgelegde proeftijd van drie jaren opnieuw strafbare feiten gepleegd. Bij beslissing van
the District Court of Szombathelyvan 11 januari 2024 is onder andere de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen. Deze beslissing is in hoger beroep bekrachtigd door
the Regional Court of Szombathelyvan 11 april 2024. De beslissing tot tenuitvoerlegging zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd en valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [4]
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [5] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW Pro.
Uit de aanvullende informatie van 23 januari 2026, 30 januari 2026 en 17 februari 2026 blijkt dat de reden voor tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf is gelegen in nieuwe strafbare feiten die zijn gepleegd in 2022 en waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld bij het vonnis van 11 januari 2024. [6] Dit vonnis is in hoger beroep bekrachtigd met het arrest van 11 april 2024.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [7] De rechtbank zal dus alleen het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW Pro.
Ten aanzien van het arrest van 11 april 2024 stelt de rechtbank aan de hand van de aanvullende informatie van 12 maart 2026 vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, onder d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat
(i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis; en
(ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het ingevulde onderdeel D) bij de aanvullende informatie van 12 maart 2026 vermeldt met betrekking tot het arrest van 11 april 2024:
the decision was not personally served on the person concerned, but
-
the decision is handed over in person to the person concerned immediately after the surrender; and
-
the data subject(de rechtbank begrijpt: de opgeëiste persoon)is expressly informed, at the time of notification of the decision, of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case to be re-examined, including fresh evidence, and which may lead to the original decision being reversed; and
-
the data subject(de rechtbank begrijpt: de opgeëiste persoon)is informed of the time limit within which he or she may request a retrial or appeal, which will be 1 month.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, onder d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor.
3.2
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd
omdat het EAB ongenoegzaam is. In het vonnis van
the District Court of Szombathelyvan 11 januari 2024 wordt aan de opgeëiste persoon allereerst een gevangenisstraf van één jaar opgelegd wegens strafbare feiten die zijn gepleegd in 2022. Daarnaast wordt de tenuitvoerlegging van de eerder - bij de strafbeschikking van 14 mei 2020 - voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één jaar bevolen. Tegen het vonnis van 11 januari 2024 wordt hoger beroep ingesteld. Uit het arrest van
the Regional Court of Szombathelyvan 11 april 2024, dat in vertaalde vorm bij de aanvullende informatie is gevoegd, blijkt dat het vonnis van 11 januari 2024 is gecorrigeerd. Opgelegd is een gevangenisstraf van één jaar en een uitsluiting van het bekleden van publieke functies voor één jaar. Dat is in strijd met de twee EAB’s die tegen de opgeëiste persoon zijn uitgevaardigd. In EAB I gaat het namelijk om de omzetting van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf naar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar. In EAB II (met parketnummer 13-013725-26) gaat het om een gevangenisstraf van één jaar voor de feiten die zijn gepleegd in 2022. Het arrest van 11 april 2024 vermeldt niet de omzetting naar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar, welke in het vonnis van 11 januari 2024 wel wordt vermeld. Het is daarmee niet duidelijk of de beslissing tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één jaar ook in hoger beroep is bekrachtigd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht bij de Hongaarse autoriteiten aanvullende informatie op te vragen om meer duidelijkheid te verkrijgen over de genoegzaamheid van het EAB.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. Dat een deel van de opgelegde straf is gecorrigeerd in hoger beroep maakt niet dat de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één jaar niet is bevolen. Uit het EAB volgt dat het vonnis van 11 januari 2024 in hoger beroep is bevestigd met het arrest van 11 april 2024. Het gaat hierbij om voor tenuitvoerlegging vatbare beslissingen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman zo, dat hij betoogt dat het EAB niet voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten, omdat het toegezonden arrest van 11 april 2024 bij hem vraagtekens oproept over de uitvoerbaarheid van de aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één jaar bij de strafbeschikking van 14 mei 2020.
Naar het oordeel van de rechtbank is het EAB genoegzaam. Het EAB vermeldt dat er een (inmiddels) voor tenuitvoerlegging vatbare strafbeschikking van 14 mei 2020 is waarin een gevangenisstraf is opgelegd voor de duur van één jaar. De rechtbank gaat uit van de juistheid van die informatie en treedt niet in de interpretatie van (ongevraagd) overgelegde vertalingen van de tenuitvoerleggingsbeslissingen. Alleen al daarom gaat het verweer van de raadsman niet op.

4.Strafbaarheid

4.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op de zitting van 4 maart 2026 op het standpunt gesteld dat het lijstfeit niet in redelijkheid is aangekruist. Daarbij heeft de raadsman medegedeeld dat dit geen weigeringsgrond kan opleveren, aangezien het gaat om feiten die ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op de zitting van 4 maart 2026 op het standpunt gesteld dat de feitomschrijving niet evident tegenstrijdig is met het aangekruiste lijstfeit.
Oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, in beginsel achterwege moet blijven. Het is immers aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of de strafbare feiten waarvoor overlevering wordt verzocht onder het hiervoor genoemde lijstfeit vallen. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. [8] De raadsman heeft terecht de vraag opgeworpen of alle in het EAB genoemde feiten onder het lijstfeit geschaard kunnen worden. Beantwoording van die vraag wordt echter pas relevant indien er aanleiding bestaat om te veronderstellen dat die feiten naar Nederlands recht niet strafbaar zijn. De raadsman heeft dit niet gesteld en de rechtbank ziet ook zelf geen aanleiding om dit te veronderstellen. De rechtbank zal daarom in het midden laten of alle feiten onder het lijstfeit kunnen vallen.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, en er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
The Penal Enforcement Group of the Regional Court of Szombathely(Hongarije) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
5.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
6.Zie EAB II met parketnummer 13-013725-26.
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
8.Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (LU (Recouvrement d’amendes de circulation routière)), punt 42.