Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3243

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
13/171879-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor handel in verdovende middelen, bezit en witwassen met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Amsterdam heeft op 19 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van het opzettelijk verkopen, afleveren en verstrekken van verschillende verdovende middelen, het bezit van aanzienlijke hoeveelheden MDMA en cocaïne, en het witwassen van €12.150.

Het bewijs bestond uit diverse proces-verbalen van bevindingen, fotobijlagen, een laboratoriumrapport en de bekennende verklaring van verdachte tijdens de terechtzitting. De verdediging voerde geen bewijsverweer en erkende de feiten.

De rechtbank achtte de feiten bewezen en strafbaar, waarbij het witwassen werd gekwalificeerd als eenvoudig witwassen. Verdachte had geen strafblad voor soortgelijke feiten en toonde tijdens de zitting een positieve levenswending. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 180 dagen op, waarvan 176 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, en een taakstraf van 240 uur. Tevens werden diverse geldbedragen en goederen verbeurd verklaard en verdovende middelen onttrokken aan het verkeer.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf waarvan 176 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur wegens drugshandel, bezit en witwassen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/171879-24
Datum uitspraak: 19 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 maart 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. van Veen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J. de Vries naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
het opzettelijk één of meermalen verkopen, afleveren, verstrekken van cocaïne, MDMA, amfetamine, 3-MMC, GHB, LSD en/of 2C-B in de periode van 1 januari 2023 tot en met 23 mei 2024 in Amsterdam of in ieder geval in Nederland;
het opzettelijk aanwezig hebben van 1.494 gram MDMA en 2,52 gram cocaïne op 23 mei 2024 in Amsterdam;
het witwassen van € 12.150 op 23 mei 2024 in Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Ten aanzien van feit 3 oordeelt de rechtbank dat het witwassen door verdachte enkel bestaat uit het verwerven en voorhanden hebben van het geldbedrag dat onmiddellijk afkomstig is uit het onder feit 1 bewezen geachte misdrijf, zodat sprake is van eenvoudig witwassen.
Verdachte heeft het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig bekend en de raadsman heeft geen vrijspraak bepleit. De rechtbank volstaat daarom op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering met een opgave van de hierna genoemde bewijsmiddelen.
Voor feiten 1, 2 en 3
  • De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 maart 2026.
  • Een proces-verbaal van bevindingen met fotobijlage, met nummer PL1300-2024121056-12 van 24 mei 2024 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, [naam opsporingsambtenaar] (doorgenummerde pagina’s 23 tot en met 51 van het Procesdossier).
Voor feit 1
- Een proces-verbaal van bevindingen inclusief bijlagen, met nummer PL1300-2024121056-27 van 16 augustus 2024 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 1] (doorgenummerde pagina’s 2 tot en met 51 van het Aanvullend PV inzake onderzoek telefoon).
Voor feit 2
  • Een kennisgeving van inbeslagneming/eerste beslissing, met nummer PL1300-2024121056-13 van 24 mei 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 2] en [naam 3] (doorgenummerde pagina’s 95 tot en met 108 van het Procesdossier).
  • Een geschrift, te weten een laboratoriumrapport identificatie van drugs van de Dienst Regionale Recherche, Laboratorium Forensische Opsporing van 21 oktober 2024, met rapportnummer [rapportnummer] , opgemaakt door ing. [naam 4] .
Voor feit 3
- Een proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen, met nummer PL1300-2024121056-11 van 24 mei 2024 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam opsporingsambtenaar] , [naam 5] en [naam 6] (doorgenummerde pagina’s 8 tot en met 12 van het Procesdossier).

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1
op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2023 tot
23 mei 2024 in Nederland, opzettelijk meermalen, , heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, aan meerdere (onbekend gebleven) kopers, een of meerdere hoeveelheden bevattende cocaïne en MDMA en amfetamine en 3-MMC en GHB en LSD en 2C-B, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende een werkzame stof zoals vermeld op lijst I van de Opiumwet,
2
op 23 mei 2024 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1.494 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (goednummers: 6505289 en/of 6505314) en ongeveer 2,52 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (goednummer: 6505210),
zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
3
op 23 mei 2024, te Amsterdam, een (contant) geldbedrag van ongeveer € 12.150,-
- heeft verworven en voorhanden heeft gehad,
terwijl hij, verdachte, wist dat dat
voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig (eigen)
misdrijf;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6.Motivering van de straffen en maatregelen

6.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 176 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar en een taakstraf van 240 uur, met bevel dat als de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de eis van de officier van justitie redelijk is.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drugshandel, drugsbezit en eenvoudig witwassen. Het is algemeen bekend dat de handel in verdovende middelen samengaat met ernstige vormen van criminaliteit, met vaak veel geweld, schade en overlast in de samenleving als gevolg. Verdachte heeft hieraan bijgedragen door verdovende middelen te verkopen en een grote hoeveelheid verdovende middelen in zijn woning aanwezig te hebben. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Door het witwassen van uit eigen criminele activiteiten ontvangen gelden heeft verdachte geld met een criminele herkomst aan het zicht van justitie onttrokken. Een dergelijk witwasfeit is verwerpelijk en heeft een ontwrichtende werking op de integriteit van het financieel economische verkeer.
Persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 17 februari 2026 volgt dat hij niet eerder voor vergelijkbare feiten is veroordeeld. De bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd in de periode tot 23 mei 2024. Nadien is verdachte niet met justitie in aanraking geweest. Op de terechtzitting is gebleken dat verdachte zijn leven inmiddels goed op orde heeft. Hij heeft een baan waarin hij succesvol is, hij heeft woonruimte en naar eigen zeggen heeft hij afstand genomen van zijn eerdere negatieve sociale netwerk. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 6 november 2025, waarin wordt geadviseerd om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Uit dat rapport volgt verder dat het risico op recidive als laag wordt ingeschat. Tot slot neemt de rechtbank ook de proceshouding van verdachte in strafmatigende zin mee.
De straf
Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf passend is. Daarbij heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, die aanzienlijk hoger zijn dan de straf die de officier van justitie eist. De rechtbank ziet echter ook dat het nu goed gaat met verdachte en dat er voor hem veel op het spel staat. De rechtbank zal verdachte daarom een kans geven door aan hem een gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. De rechtbank zal daarbij als ‘stok achter de deur’ een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, zodat verdachte kan laten zien dat hij de goede keuzes blijft maken. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een flinke taakstraf op zijn plaats is.
Gelet op het voorgaande, vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 176 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, en een taakstraf van 240 uur, passend en geboden
7. Beslag
Onder verdachte zijn de voorwerpen in beslag genomen, zoals genoemd op de als
bijlage IIaan dit vonnis gehechte beslaglijst. Deze voorwerpen zijn genummerd van 1 tot en met 50.
Verbeurdverklaring:
Geldbedragen:
De op de beslaglijst onder de nummers 1, 2 en 43 opgenomen geldbedragen behoren aan verdachte toe. Met betrekking tot deze geldbedragen is het onder feit 1 bewezen geachte begaan. Daarom worden deze geldbedragen verbeurdverklaard. Datzelfde geldt voor de onder nummer 50 opgenomen telefoon.
Onttrekking aan het verkeer:
Verdovende middelen:
Onder de nummers 3 tot en met 42 van de beslaglijst staan diverse verdovende middelen opgenomen. Onder de nummers 44 tot en met 49 staan halve bankbiljetten opgenomen. Met betrekking tot deze voorwerpen zijn de bewezen verklaarde feiten 1 en 2 begaan, dan wel zijn zij bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven aangetroffen, terwijl zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven, en zijn zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Daarom worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 57 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod,
ten aanzien van feit 3:
eenvoudig witwassen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
176 (honderdzesenzeventig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 1 (één) jaar vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van
240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen.
Verklaart verbeurd:
De in de beslaglijst in
bijlage IIonder de nummers 1, 2, 43 en 50 genoemde goederen.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
De in de beslaglijst in
bijlage IIonder de nummers 3 tot en met 42 en 44 tot en met 49 genoemde goederen.
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.V.L. van Well, voorzitter,
mrs. M.C. Danel en B.J. Blok, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Bennett, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 maart 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
[…]