ECLI:NL:RBAMS:2026:324

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
10701589 \ CV EXPL 23-12531
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Richtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens oneerlijk beding in veilingovereenkomst

Boonstra Consultancy B.V. vordert betaling van schadevergoeding van gedaagde wegens niet-nakoming van een veilingovereenkomst. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat het beding waarop de vordering is gebaseerd oneerlijk is, omdat het kan leiden tot een onevenredig hoge schadevergoeding voor de consument.

Eisende partij betoogt dat het beding noodzakelijk is om nakoming te waarborgen en schade te compenseren, en dat slechts onderdelen van het beding mogelijk onredelijk bezwarend zijn. Ook verzoekt zij om een nadere termijn om schade te onderbouwen. De rechtbank oordeelt echter dat het beding in zijn geheel nadeliger is dan de wettelijke regeling en vernietigt het beding ambtshalve.

De rechtbank wijst de vordering af en veroordeelt Boonstra Consultancy B.V. in de proceskosten, die nihil worden begroot. De gevraagde nadere termijn voor schadevaststelling wordt afgewezen omdat het oneerlijke karakter van het beding een rechtsgeldige vordering in de weg staat.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens een oneerlijk beding dat leidt tot een onevenredig hoge schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10701589 \ CV EXPL 23-12531
Vonnis van 9 januari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BOONSTRA CONSULTANCY B.V.,
gevestigd te Drachten,
eisende partij,
gemachtigde: Pranger Agin,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 oktober 2025,
- de akte van eisende partij.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Eisende partij is bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen van de kantonrechter om het in het tussenvonnis geciteerde beding dat aan de vordering ten grondslag ligt te vernietigen, vanwege het oneerlijke karakter daarvan.
2.2.
Eisende partij heeft bij akte aangevoerd, kort gezegd, dat het beding niet oneerlijk is, althans niet zodanig is bedoeld. Het is een beding om nakoming te waarborgen en schade van de verkoper te compenseren als de koper zijn verplichtingen niet nakomt. Het beding is nodig om de verhoudingen tussen partijen te waarborgen en, ook vanuit historisch oogpunt, te voldoen aan de rechtszekerheid van veilingen. Eisende partij voert verder aan dat zij nog geen bewijs kan overleggen over de vraag of de objecten die gedaagde partij niet heeft afgenomen opnieuw zijn geveild en verzoekt om een nadere termijn daarvoor. De bedoeling was niet om méér in rekening te brengen dan op grond van de wet is toegestaan. Dat doet eisende partij ook niet. Het beding kan hooguit op onderdelen d (30% schadevergoeding) en e (administratie- en transportkosten) onredelijk bezwarend zijn, nu de overige onderdelen in lijn zijn met de wet. Als de kantonrechter het beding vernietigt, dan nog bestaat een overeenkomst tussen partijen. In dat geval wenst eisende partij haar eis aan te vullen door een vordering in te stellen tot vergoeding van de daadwerkelijk geleden schade. Voor de schadevaststelling is eisende partij afhankelijk van een derde, reden waarom zij verzoekt om een nadere termijn om die schade te onderbouwen.
2.3.
Het door eisende partij in haar akte gestelde kan niet leiden tot een ander oordeel dan volgt uit het tussenvonnis. Anders dan eisende partij stelt, is het beding ook op de andere onderdelen nadeliger voor de consument dan de wettelijke regeling. Iedere niet naleving van de voorwaarden – hoe gering ook – zorgt immers al direct voor verzuim en de mogelijkheid voor eisende partij om de kavels opnieuw te veilen of aan een ander toe te wijzen, een boete van 30%, € 75,00 administratie- en transportkosten en aanvullende schadevergoeding in rekening te brengen. Dat kan leiden tot een onevenredig hoge schadevergoeding.
2.4.
Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van Pro Richtlijn 93/13 EG). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten. Irrelevant voor deze toets is dus de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg.
2.5.
Gelet op dit beoordelingskader, kan de toelichting van eisende partij haar niet baten. Ondanks dat eisende partij niet had bedoeld dat het beding oneerlijk zou (kunnen) uitpakken of zou afwijken van de wet, kan de huidige formulering van het beding leiden tot een onevenredig hoge schadevergoeding. Daarbij is niet van belang of dat in het concrete geval ook daadwerkelijk het geval was. Dat ziet namelijk op de feitelijke toepassing c.q. uitvoering van het beding, die voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van het beding niet van belang is.
2.6.
Met de eiswijziging van eisende partij kan geen rekening worden gehouden, omdat deze niet bij exploot aan gedaagde partij is betekend. Maar ook als dat wel was gebeurd, kan de gewijzigde eis niet alsnog tot toewijzing van (een deel van) de vordering kunnen leiden. Zelfs als eisende partij haar daadwerkelijk geleden schade had aangetoond, dan staat de oneerlijkheid van het beding eraan in de weg om die schade te kunnen verhalen op gedaagde partij. In dit verband wordt verwezen naar overweging 2.6 van het tussenvonnis. De door eisende partij verzochte nadere termijn voor de vaststelling van de daadwerkelijk door haar geleden schade wordt dan ook afgewezen, nu zij daarbij geen belang heeft.
2.7.
Nu het beding dat aan de vordering ten grondslag ligt oneerlijk is, wordt het ambtshalve vernietigd. Vernietiging leidt ertoe dat gedaagde partij niet aan dat beding is gebonden en eisende partij daar geen beroep meer op kan doen. Evenmin kan eisende partij dan een rechtsgeldig beroep doen op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn als het beding niet in de algemene voorwaarden zou staan.
2.8.
Het voorgaande leidt tot afwijzing van de hoofdsom. Met afwijzing van de hoofdvordering, bestaat geen grond voor toewijzing van de nevenvorderingen, waaronder de rente en incassokosten.
2.9.
Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde partij, die tot op heden worden begroot op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vordering af,
3.2.
veroordeelt eisende partij in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026.
991