Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3224

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
26/1211
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 2.10 APVArt. 5:31 AwbArt. 125 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting restaurant na explosie

De burgemeester van Amsterdam heeft op 9 februari 2026 het pand van verzoekster, een restaurant, gesloten voor zes maanden vanwege meerdere explosies en pogingen tot brandstichting die een ernstig gevaar voor de openbare orde vormden. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de sluiting op te heffen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang aanwezig is omdat de sluiting direct inging en verzoekster financieel afhankelijk is van het restaurant. De burgemeester heeft op grond van de Algemene plaatselijke verordening (APV) de bevoegdheid om een pand te sluiten bij ernstige bedreiging van de openbare orde en heeft daarbij een belangenafweging gemaakt.

De rechter stelt vast dat ondanks cameratoezicht en eerdere incidenten, er opnieuw explosies en pogingen tot explosievenplaatsing zijn geweest. Dit rechtvaardigt de sluiting als noodzakelijke en evenwichtige maatregel om de openbare orde te herstellen en de politie ruimte te geven voor onderzoek.

De nadelige gevolgen voor verzoekster en haar omgeving wegen niet op tegen het algemeen belang van veiligheid. De burgemeester dient regelmatig te toetsen of de sluiting nog noodzakelijk is. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen en het sluitingsbevel blijft van kracht.

Uitkomst: De voorlopige voorziening tegen de sluiting van het restaurant wordt afgewezen en het sluitingsbevel blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/1211

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. N. Alberts),
en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder (hierna: de burgemeester)

(gemachtigden: mr. M.I. Houben en mr. M. Utlu).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van het pand met daarin gevestigd [verzoekster] voor de duur van zes maanden. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De burgemeester heeft [verzoekster] mogen sluiten en daarbij de belangen die gediend zijn met de sluiting zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van verzoekster. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.1.
Met het bestreden besluit van 9 februari 2026 heeft de burgemeester het pand aan de [adres 1] in [plaats] met daarin gevestigd [verzoekster] gesloten voor de duur van zes maanden. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van de burgemeester.

Totstandkoming besluit

3.1.
Op 22 januari 2026 heeft de politie een bestuurlijke rapportage aan de burgemeester gestuurd. Op woensdagochtend 21 januari 2026 omstreeks 01.20 uur zijn door omstanders twee personen aangehouden omdat zij van plan waren brand te stichten bij [verzoekster] . Bij de verdachten is een explosief aangetroffen. Het explosief is niet afgegaan. Op woensdagavond 21 januari 2026 omstreeks 23.30 uur is wederom door omstanders een persoon aangehouden. Op de plaats delict werden explosieven aangetroffen. Ook deze explosieven zijn niet afgegaan. Hierop heeft de burgemeester cameratoezicht ingesteld in het gebied rond [adres 2] van 22 januari 2026 tot 22 februari 2026.
3.2.
Op 9 februari 2026 heeft de politie opnieuw een bestuurlijke rapportage verstuurd aan de burgemeester. Hieruit volgt dat er op [datum 1] 2026 omstreeks [tijdstip 1] uur een explosie heeft plaatsgevonden bij het pand van [verzoekster] . Door de explosie is roetschade ontstaan aan de buitenzijde van het pand en de voordeur en is een gat ontstaan in het kozijn naast de voordeur. Op [datum 2] 2026 omstreeks [tijdstip 2] uur heeft er een explosie plaatsgevonden bij een bedrijf gelegen aan de [adres 3] te [plaats] . De eigenaar van [verzoekster] B.V. is tevens aandeelhouder en enig bestuurder van dat bedrijf. Op maandag 9 februari 2026 omstreeks 01.00 uur is er opnieuw een poging gedaan om een explosief te plaatsen bij het pand gelegen aan de [adres 1] te [plaats] . Daarbij is de vermoedelijke verdachte door omstanders met een metalen stok op zijn hoofd geslagen en mishandeld. Door de vele incidenten die in een korte periode hebben plaatsgevonden en omdat er een oplopend geldbedrag wordt geboden voor het plaatsen van een explosief, is het risico op nieuwe geweldsincidenten aannemelijk.
3.3.
De burgemeester heeft op basis van voornoemde informatie op 9 februari 2026 het pand aan de [adres 1] te [plaats] voor de duur van zes maanden gesloten. [1] Volgens de burgemeester is sprake van een ernstige aantasting van de openbare orde en is het risico op herhaling groot. Een periode van rust is nodig om de openbare orde te herstellen en geeft de politie de gelegenheid om onderzoek te doen naar wat er aan de hand is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Verzoekster heeft met onmiddellijke ingang van 9 februari 2026 haar restaurant moeten sluiten voor de duur van zes maanden. Als gesteld en niet weersproken kan worden aangenomen dat de heer [naam] als eigenaar van [verzoekster] B.V. voor zijn inkomen afhankelijk is van het restaurant. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang hiermee gegeven.
Voorlopige rechtmatigheid en belangenafweging
5.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Als algemeen uitgangspunt geldt dat er in dit stadium (de bezwaarfase) geen reden bestaat een voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter het besluit tot sluiting van het pand rechtmatig acht.
5.2.
De burgemeester kan op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder e, van de APV de sluiting van een pand bevelen als zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van dat pand ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde. De burgemeester is niet verplicht deze bevoegdheid te gebruiken. Zij dient een belangenafweging te maken bij haar beslissing of en op welke wijze zij van die bevoegdheid gebruik maakt. Dit is in de Beleidsregels [2] nader uitgewerkt. Bij een ernstig gevaar voor de openbare orde kan onder meer gedacht worden aan schietincidenten gericht op, in of in de directe nabijheid van het pand, maar ook aan het neerleggen van explosieven of brandstichting voor, in of in de nabijheid van het pand. In de Beleidsregels wordt overwogen dat panden met publiek toegankelijke inrichtingen in principe voor zes maanden worden gesloten omdat deze sluitingsduur doorgaans noodzakelijk is in verband met de signaalwerking richting de samenleving, de veiligheidsgevoelens van omwonenden en het doorbreken van een loop naar de inrichting. [3] Steeds zal de burgemeester moeten beoordelen of een sluiting in een concreet geval evenredig is. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van het pand en de duur ervan met het oog op de hiervoor genoemde doelen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
5.3.
Verzoekster heeft aangevoerd dat de sluiting van het pand niet noodzakelijk was. De sluiting is volgens verzoekster geen efficiënte en effectieve oplossing. Er is namelijk ook na de sluiting nog een explosie geweest bij het kantoor van verzoekster. Ook meent verzoekster dat de sluiting voor zes maanden niet evenredig is. De gevolgen voor [naam] en zijn gezin, maar ook de werknemers, de bezoekers en de ondernemers in de buurt wegen niet op tegen het belang van de sluiting. Er is bovendien geen sprake van enige strafbare betrokkenheid van [naam]; hij is het slachtoffer. Volgens verzoekster had de burgemeester dus moeten afzien van een sluiting, althans voor een kortere duur moeten sluiten.
5.4.
De voorzieningenrechter komt tot het (voorlopig) oordeel dat de burgemeester in redelijkheid de sluiting van het pand noodzakelijk heeft kunnen achten. Er hebben zich immers meerdere geweldsincidenten voorgedaan bij het pand. Zelfs nadat er cameratoezicht was ingesteld is er op [datum 2] 2026 een explosie geweest en is er op 9 februari 2026 opnieuw een poging gedaan. Uit het dossier en wat op de zitting is besproken volgt dat er jonge verdachten worden aangezet om tegen betaling explosieven te plaatsen bij panden van verzoekster. Er zijn meerdere verdachten aangehouden. Van de achtergrond van deze incidenten is echter nog niets bekend en wordt door de politie nog nader onderzocht. Deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, mochten voor de burgemeester aanleiding zijn om overeenkomstig het beleid te handelen in het belang van de openbare orde en veiligheid. Hierdoor ontstaat een periode van rust die nodig is om de openbare orde te herstellen en de politie de gelegenheid te geven nader onderzoek te doen. Dat er bij het kantoor, op een andere locatie, wederom een explosief is afgegaan, maakt de sluiting van het pand aan de [adres 2] niet minder geschikt en noodzakelijk. Daarnaast is de sluiting ook evenwichtig.
5.5.
Uiteraard heeft de sluiting nadelige gevolgen voor verzoekster, haar werknemers en ook voor de bezoekers. De burgemeester heeft zich echter gelet op voornoemde de feiten en omstandigheden op het standpunt kunnen stellen dat deze niet opwegen tegen het algemeen maatschappelijk belang van de openbare orde en veiligheid. Er is tijd nodig om de rust in de omgeving van het pand te laten terugkeren. Daarom zal de voorzieningenrechter geen voorziening treffen die ertoe strekt dat de sluiting onmiddellijk wordt opgeheven of bepalen dat de burgemeester de sluiting voor een kortere duur had moeten bevelen. Van de burgemeester mag wel worden verwacht dat, nadat zij tot sluiting is overgegaan, zij regelmatig nagaat of het voortduren van de sluiting nog noodzakelijk is en of de sluiting in het belang van de openbare orde en veiligheid nog opweegt tegen de nadelen voor verzoekster. Ook kan verzoekster een verzoek tot heropening doen.

Conclusie en gevolgen

6. De slotsom is dat de burgemeester gelet op al het voorgaande in redelijkheid van haar bevoegdheid tot sluiting van het pand gebruik heeft kunnen maken. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het sluitingsbevel van 9 februari 2026 op dit moment niet wordt opgeschort. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder e van de Algemene plaatselijke verordening 2008 (APV), artikel 5:31 van Pro de Awb en artikel 125 van Pro de Gemeentewet en de Beleidsregel Sluitingen en heropeningen Amsterdam.
2.Besluit van de burgemeester van de gemeente Amsterdam houdende beleidsregels over de sluitingsbevoegdheid op grond van de Opiumwet, de Gemeentewet en de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (Beleidsregels sluitingen en heropeningen Amsterdam).
3.Zie paragraaf 1.4, 1.5 en 1.6.2 van de Beleidsregels.