Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3217

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
13/280646-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14 SrArt. 14c SrArt. 36b SrArt. 36c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak bedreiging en veroordeling mishandeling en vuurwapenbezit ex-partner

Op 19 oktober 2025 vond in Amsterdam een incident plaats waarbij verdachte in de woning van zijn ex-partner aanwezig was, samen met hun vijfjarige dochter. Tijdens een ruzie had verdachte een verpakt vuurwapen in zijn broeksriem en mishandelde hij zijn ex-partner door te duwen, trappen en slaan. De ex-partner maakte een geluidsopname en belde 112. De politie trof het vuurwapen en munitie aan, die technisch als categorie III vuurwapen en munitie werden geclassificeerd.

De rechtbank sprak verdachte vrij van bedreiging omdat niet kon worden vastgesteld dat de ex-partner in redelijkheid vrees kon hebben voor haar leven of zware verwondingen. De mishandeling werd bewezen geacht op basis van verklaringen van de ex-partner, de dochter, de geluidsopname en gedeeltelijk de verdachte zelf. Ook werd bewezen dat verdachte het vuurwapen en de munitie bewust en feitelijk onder zijn macht had.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, het feit dat de mishandeling en het vuurwapenbezit plaatsvonden in aanwezigheid van de minderjarige dochter, en het strafblad van verdachte met eerdere veroordelingen voor poging tot doodslag en vuurwapenbezit. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en ambulante behandeling. Contact- en locatieverboden werden niet opgelegd vanwege het contact tussen ex-partner en verdachte.

De inbeslaggenomen vuurwapenvoorwerpen werden onttrokken aan het verkeer, terwijl telefoons werden teruggegeven. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 17 februari 2026.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van bedreiging en veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan 3 maanden voorwaardelijk voor mishandeling en vuurwapenbezit.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/280646-25
Datum uitspraak: 17 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] ,
nu gedetineerd in het [detentieadres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 februari 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff, en van wat verdachte en zijn raadsvouw, mr. A. Çimen, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 19 oktober 2025 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:
mishandeling van zijn levensgezel [aangeefster] ;
bedreiging van [aangeefster] ;
het voorhanden hebben van een pistool;
het voorhanden hebben van munitie.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat kan worden bewezen dat verdachte [aangeefster] (hierna: aangeefster) heeft mishandeld, maar niet dat aangeefster ten tijde van het tenlastegelegde feit 1 de levensgezel van verdachte was. Van dat deel moet verdachte daarom worden vrijgesproken. De overige feiten kunnen volgens de officier van justitie worden bewezen.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle tenlastegelegde feiten.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
De volgende feiten en omstandigheden blijken uit de in
bijlage IIbij dit vonnis genoemde bewijsmiddelen.
Verdachte is op 19 oktober 2025 in Amsterdam in de woning van zijn ex-partner, aangeefster, aanwezig. Naast verdachte en aangeefster is ook hun vijfjarige dochter aanwezig (hierna: de dochter). Op enig moment heeft verdachte een vuurwapen aan de achterkant in zijn broeksriem zitten. Dat vuurwapen is verpakt in keukenrol, huishoudfolie en ducttape. Verdachte en aangeefster hebben ruzie en aangeefster maakt daarvan een geluidsopname met haar telefoon. Aangeefster belt 112 en als de verbalisanten bij de woning aankomen zien zij aangeefster in het trappenhuis gehurkt op de grond zitten. Zij is aan het huilen en lijkt in paniek. Verdachte staat boven haar gebogen. De verbalisanten gaan de woning binnen en treffen daar het verpakte vuurwapen aan op een bankje.
Bij het veiligstellen van het vuurwapen blijkt dat het een pistool is en dat het pistool niet is geladen. Ook zit in de greep geen patroonmagazijn. In de verpakking zit wel een bij het wapen passend patroonmagazijn met meerdere patronen. Uit technisch onderzoek blijkt dat het gaat om een vuurwapen en munitie van categorie III zoals bedoeld in de Wet wapens en munitie.
3.3.1.
Vrijspraak feit 2, bedreiging
Voor een veroordeling voor bedreiging is onder andere vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is gebeurd, dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen, of zwaar gewond zou kunnen raken. Dat is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak niet het geval.
De rechtbank stelt vast dat het vuurwapen op enig moment aan de achterkant in de broeksriem van verdachte zat en dat dit bij aangeefster ook bekend was. De rechtbank stelt ook vast dat het vuurwapen de hele tijd was verpakt in keukenrol, huishoudfolie en ducttape. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte had gezegd dat hij het wapen werkend zou maken, maar uit de geluidsopname volgt niet dat verdachte dit heeft gezegd. De rechtbank kan ook overigens niet vaststellen dat verdachte heeft geprobeerd het vuurwapen uit de verpakking te halen of werkend te maken. Uit de opname blijkt ook dat aangeefster op de hoogte was dat het vuurwapen was verpakt. Niet blijkt dat verdachte het vuurwapen aan aangeefster heeft getoond.
Verder is op de geluidsopname te horen dat aangeefster en verdachte elkaar ervan beschuldigen het wapen in de woning te hebben gebracht. Aangeefster zegt daarbij tegen verdachte dat hij haar met het wapen in het ootje zou willen nemen. Verdachte zegt dat hij ervoor heeft gezorgd dat de vingerafdrukken van aangeefster op het wapen zitten. Na aankomst van de verbalisanten hebben zowel verdachte als aangeefster vrijwel direct verklaard dat het wapen van de ander zou zijn. De rechtbank begrijpt dit zo dat bij aangeefster met name vrees bestond voor het opdraaien voor verboden wapenbezit.
De rechtbank concludeert dat geen omstandigheden zijn komen vast te staan waardoor bij aangeefster in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen of zwaar gewond zou kunnen raken. Dit leidt ertoe dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.
3.3.2.
Feit 1, mishandeling
Aangeefster heeft op 21 oktober 2025 aangifte gedaan van mishandeling door verdachte. Zij heeft toen onder meer verklaard dat verdachte haar een afhoudende trap op haar bovenlichaam ter hoogte van haar borstkas had gegeven, dat hij haar een kopstoot had gegeven en dat hij haar met gebalde vuist een stoot tegen de rechterkant van haar hoofd had gegeven.
De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster. De verklaring vindt op belangrijke onderdelen steun in het dossier in de verklaring van verdachte zelf. Allereerst in de verklaring van de dochter direct na het incident. Zij heeft toen gezegd dat papa mama had geslagen en dat ze had gezien hoe haar vader haar moeder een trap had gegeven. Dit laatste heeft ze uitgebeeld door een voorwaartse trap in de lucht te maken.
De verklaring van aangeefster vindt verder steun in het schriftelijke verslag van de geluidsopname die aangeefster heeft gemaakt. Daaruit volgt dat op die opname is te horen dat het lijkt alsof op enig moment wat geduwd en getrokken wordt. Ook zijn drie of vier doffe klappen te horen, waarna aangeefster zegt: “Doe is normaal, doe is, auw, auw, auw. Niet slaan.” Vervolgens is te horen dat aangeefster twee keer paniekerig om hulp roept en in paniek en met snikkende stem zegt: “Je slaat me gewoon, het gaat echt niet goed met jou.”
Tot slot vindt de verklaring van aangeefster deels steun in de verklaring van verdachte. Hij heeft verklaard dat hij aangeefster een duw heeft gegeven.
Gelet op deze bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van aangeefster door haar te duwen, tegen het lijf te trappen en tegen het hoofd te slaan. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat niet is bewezen dat verdachte aangeefster een kopstoot heeft gegeven. De aangifte wordt op dit punt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Verdachte zal om die reden van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. De rechtbank kan verder niet vaststellen dat aangeefster op 19 oktober 2025 de levensgezel van verdachte was. Ook voor dat deel zal verdachte worden vrijgesproken.
3.3.3.
Feiten 3 en 4, voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie
Voor het oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie is nodig dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het wapen en de munitie en dat hij de feitelijke macht over het wapen en de munitie heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken.
Verdachte had de verpakking met het vuurwapen en de munitie gedurende enige tijd aan de achterkant in zijn broeksriem zitten. Verdachte had daarover op dat moment feitelijke macht. Daarbij heeft verdachte verklaard dat het wapen was verpakt, maar dat hij wist dat sprake was van een vuurwapen.
De verdediging heeft betoogd dat verdachte van het onder 3 en 4 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat het vuurwapen niet van verdachte maar van aangeefster zou zijn. Verdachte zou het wapen voor de veiligheid van hun dochter van aangeefster hebben afgepakt toen zij het plotseling tevoorschijn haalde. Voor die verklaring van verdachte is geen steun te vinden in het dossier of het verhandelde ter zitting. De rechtbank vindt dit scenario ook niet aannemelijk, gelet op de verklaring van aangeefster en de inhoud van de opname waarin verdachte tegen aangeefster zegt dat hij expres ervoor heeft gezorgd dat haar vingerafdrukken op het wapen staan. De rechtbank concludeert daarom dat het wapen en de munitie van verdachte waren.
De rechtbank acht gelet op het vorenstaande bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van het vuurwapen (onder feit 3) en het voorhanden hebben van de munitie (onder feit 4).

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIgenoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
1
op 19 oktober 2025 te Amsterdam, [aangeefster] heeft mishandeld, door die [aangeefster]
- te duwen en te trappen tegen het lichaam en
- te slaan tegen het hoofd;
3
op 19 oktober 2025 te Amsterdam, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Sig Sauer, type P228, kaliber 9x19mm zijnde een vuurwapen voorhanden heeft gehad;
4
op 19 oktober 2025 te Amsterdam, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 10 stuks van het kaliber 9x19mm (9mm Luger/Parabellum) voorhanden heeft gehad;

5.De strafbaarheid van het feit en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6.Motivering van de straf

6.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, met aftrek van
voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie heeft daarbij verzocht de bijzondere voorwaarden op te leggen zoals geadviseerd door de reclassering, waarbij het locatieverbod wordt beperkt tot twee postcodes rondom de woning van aangeefster, zonder elektronische monitoring.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en bij bewezenverklaring een gevangenisstraf van zes maanden op te leggen, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de
vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn ex-partner (aangeefster). Door aangeefster te duwen, trappen en slaan heeft hij haar lichamelijke integriteit geschonden. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en daarvoor geschikte munitie. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen en munitie brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee, omdat het kan leiden tot het gebruik ervan met alle gevolgen van dien. Daarom moet daar streng tegen worden opgetreden. Daarbij komt dat de bewezen geachte feiten hebben plaatsgevonden in de woning van aangeefster en de vijfjarige dochter van verdachte en aangeefster, waar zij zich juist veilig zouden moeten voelen. De dochter was in de woning aanwezig en zij is getuige geweest van de mishandeling. Ook heeft zij het wapen gezien. Dat vindt de rechtbank zeer ernstig.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft op het strafblad van verdachte van 29 december 2025 gezien dat hij in 2021 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar voor een poging tot doodslag en vuurwapenbezit. Verdachte heeft in die zaak ook met het vuurwapen geschoten. Verdachte is op 12 december 2023 voorwaardelijk in vrijheid gesteld en het reclasseringstoezicht dat hij bij die veroordeling opgelegd heeft gekregen was tijdens de bewezen geachte feiten in onderhavige zaak net afgerond.
In een rapport van 26 januari 2026 meldt de reclassering dat onder andere de relatie met aangeefster een mogelijke risicofactor is. In het rapport staat dat verdachte in een conflictueuze relatie met zijn ex-partner zit, waar hij onder meer vanwege de wens tot contact met zijn dochter geen afstand van kan nemen. Het ontbreekt verdachte aan vaardigheden om een duurzame oplossing te vinden. De reclassering schat het risico op recidive en letsel daarom in als gemiddeld-hoog. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:
  • Meldplicht bij reclassering
  • Ambulante behandeling
  • Contactverbod met aangeefster
  • Locatieverbod (met elektronisch toezicht)
Conclusie van de rechtbank
De rechtbank vindt het zeer zorgelijk dat verdachte nog tijdens zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling en zo kort na de beëindiging van het reclasseringstoezicht weer beschikking had over een vuurwapen en dat hij weer gewelddadig is geweest. Dit is te meer zorgelijk omdat verdachte eerder ook daadwerkelijk met een vuurwapen op een persoon heeft geschoten. Daarbij rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat hij de feiten heeft gepleegd in aanwezigheid van zijn destijds vijfjarige dochter. In plaats van zorg te dragen voor haar (emotionele) veiligheid heeft verdachte deze juist ernstig aangetast. Uit het reclasseringsrapport volgt dat verdachte tot op heden geen goede manier heeft gevonden om met zijn ex-partner om te gaan. Verdachte heeft dit op de terechtzitting ook bevestigd. De rechtbank heeft daarom zorgen dat verdachte nog een keer de fout in zal gaan.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde strafverzwarende omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Gelet op voornoemde omstandigheden vindt de rechtbank ook de oriëntatiepunten die de rechtbanken en gerechtshoven onderling hebben afgesproken voor het voorhanden hebben van een pistool en mishandeling niet passend.
Alles afwegend vindt de rechtbank dat een gevangenisstraf moet worden opgelegd van twaalf maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarbij zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden opleggen van meldplicht en ambulante behandeling. De rechtbank zal niet de voorwaarden van een contact- en locatieverbod opleggen. Deze voorwaarden hebben verstrekkende gevolgen voor verdachte, mede omdat hij graag een relatie wil hebben met zijn dochter die bij aangeefster woont. Omdat op de terechtzitting duidelijk is geworden dat aangeefster meermalen contact heeft opgenomen met verdachte en hem ook heeft bezocht in de gevangenis acht de rechtbank oplegging van deze voorwaarden op dit moment ook niet noodzakelijk.

7.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
STK Pistool, met voorwerpnummer: BZAS7358
1 STK Patroonhouder, met voorwerpnummer: BZAS7362
1 STK Verpakkingsmateriaal, met voorwerpnummer: BZAS7363
1 STK Telefoontoestel, met voorwerpnummer: BZAS7365
1 STK Telefoontoestel, met voorwerpnummer: BZAS7366
Onttrekking aan het verkeer
De inbeslaggenomen voorwerpen 1, 2 en 3 dienen onttrokken te worden aan het verkeer. Het pistool en de patroonhouder worden als één gezamenlijkheid van voorwerpen gezien met de verpakking, waarmee het onder feiten 3 en 4 bewezen geachte is begaan. De voorwerpen zijn daarbij van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Teruggave aan verdachte
Niet is gebleken dat de telefoons (voorwerpen 4 en 5) zijn verkregen door of gebruikt bij het plegen van de bewezen geachte feiten. De voorwerpen dienen daarom aan verdachte te worden teruggegeven.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14, 14c, 36b, 36c, 55, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feiten 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1:
mishandeling
feiten 3 en 4:
eendaadse samenloop van
het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte van
3 (drie) maandenvan deze gevangenisstraf
niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij
een proeftijd van 2 (twee) jaarvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen
van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet
op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht. bedoeld in artikel 14c. zesde lid, van
het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het
zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de
voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beslag
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
  • 1 STK Pistool, met voorwerpnummer: BZAS7358
  • 1 STK Patroonhouder, met voorwerpnummer: BZAS7362
  • 1 STK Verpakkingsmateriaal, met voorwerpnummer: BZAS7363
Gelast de teruggave aan
[verdachte]van:
  • 1 STK Telefoontoestel, met voorwerpnummer: BZAS7365
  • 1 STK Telefoontoestel, met voorwerpnummer: BZAS7366
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. K.A. Brunner en B.J. Blok, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 februari 2026.
[…]