ECLI:NL:RBAMS:2026:3212

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
13.267884.23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling, openlijke geweldpleging en afpersing met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor poging tot zware mishandeling, openlijke geweldpleging en afpersing jegens het slachtoffer op verschillende momenten in 2022. De feiten zijn wettig en overtuigend bewezen verklaard, mede op basis van camerabeelden, herkenning door een verbalisant en zendmastgegevens die het gebruik van het telefoonnummer van verdachte koppelen aan de bedreigingen.

Verdachte heeft het slachtoffer op 7 juni 2022 in een supermarkt meerdere malen geslagen en geschopt, wat de rechtbank kwalificeert als poging tot zwaar lichamelijk letsel met voorwaardelijk opzet. Daarnaast pleegde verdachte samen met een ander openlijk geweld tegen het slachtoffer en probeerde hij het slachtoffer in de periode van oktober tot december 2022 af te persen door bedreigingen en herhaaldelijk anoniem te bellen.

De rechtbank weegt de ernst van de feiten, de impact op het slachtoffer en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn eerdere detentie en huidige reclasseringstoezicht. Gezien deze omstandigheden legt de rechtbank een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaar op.

De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van €1.800,- voor immateriële schade, waarvan €800,- voor lichamelijk letsel en €1.000,- voor psychisch nadeel. De rechtbank wijst deze vordering toe, inclusief wettelijke rente, en legt verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Tevens wordt een schadevergoedingsmaatregel opgelegd om betaling te waarborgen.

De uitspraak benadrukt het ernstige karakter van het geweld en de afpersing, de negatieve impact op het slachtoffer en de noodzaak van een passende straf die recht doet aan de feiten en de persoonlijke situatie van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 240 uur taakstraf en vier maanden voorwaardelijke gevangenisstraf voor poging zware mishandeling, openlijke geweldpleging en afpersing; immateriële schadevergoeding aan slachtoffer toegewezen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.267884.23
Datum uitspraak: 17 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
wonende op het adres:
[adres 1] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. D. Jironet-Loewe, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.I. Takens, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van
de benadeelde partij [aangever] (hierna ook: [aangever] ) en van hetgeen door [persoon 1] , medewerker van Slachtofferhulp Nederland, namens [aangever] , naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
1. poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [aangever] , op 7 juni 2022 in Amsterdam;
2. het openlijk en in vereniging plegen van geweld tegen [aangever] op 7 juni 2022 in Amsterdam;
3. het medeplegen van een poging tot afpersing van [aangever] in de periode 31 oktober 2022 tot en met 30 december 2022 in Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van alle feiten omdat niet vastgesteld kan worden dat het verdachte is die de feiten heeft gepleegd.
Allereerst is de (enige) herkenning van verbalisant [verbalisant 1] niet bruikbaar voor het bewijs aangezien deze niet gecontroleerd kan worden op juistheid of betrouwbaarheid. Daarnaast is er geen ander bewijs dat verdachte in de Jumbo was ten tijde van het geweldsincident. Er kan daarom niet met de vereiste mate van zekerheid vastgesteld worden dat het verdachte is geweest die een strafbare rol heeft vervuld bij de onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde strafbare handelingen.
Ten aanzien van feit 3 is niet vast komen te staan dat verdachte in die periode de gebruiker was van het telefoonnummer dat aan hem gekoppeld wordt. De onderliggende stukken betreffende de koppeling tussen verdachte en het telefoonnummer ontbreken in het dossier. Het bevat slechts de conclusie van de verbalisant, maar die is onbruikbaar voor het bewijs omdat die conclusie niet controleerbaar is. Het overige bewijs is onvoldoende specifiek om vast te stellen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de beschuldigingen.
Indien de rechtbank besluit de verklaring van de beveiliger die getuige zou zijn geweest van de interactie op 27 november 2022 te bezigen voor het bewijs, doet de verdediging een verzoek tot het horen van deze (anonieme) getuige op grond van artikel 344a, derde lid, Wetboek van Strafvordering.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Inleiding
De rechtbank leidt uit het dossier het volgende af.
[aangever] is op 7 juni 2022 na een kort oogcontact te hebben gemaakt met twee mannen door die mannen meermalen (met kracht) tegen zijn lichaam en zijn hoofd geslagen en geschopt. Dit alles vond plaats in de Jumbo aan [straatnaam] te Amsterdam en is vastgelegd op beveiligingsbeelden. Op 31 oktober 2022 is hij bij een kapsalon diezelfde mannen tegengekomen en heeft hij met hen gesproken. Tegen [aangever] is toen gezegd dat hij € 750,- aan elk van de mannen moest betalen omdat zij een advocaat hebben moeten betalen vanwege de door [aangever] gedane aangifte. [aangever] heeft toen zijn telefoonnummer gegeven, aan hen verteld waar hij werkt en gezegd op dat moment niet te kunnen betalen. [aangever] is hierna vaak anoniem gebeld. Op 27 november 2022 hebben de mannen hem bij zijn werkadres bezocht, gedreigd met geweld als hij het geld niet zou betalen en geëist dat hij zijn aangifte intrekt.
Feiten 1, 2 en 3 bewezen verklaard
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de in
bijlage IIgenoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feiten 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.
In de eerste plaats geldt daarbij dat de herkenning van verbalisant [verbalisant 1] naar het oordeel van de rechtbank voldoende betrouwbaar en duidelijk is. De stills van de camerabeelden uit de Jumbo waarop verdachte is herkend zijn voldoende duidelijk. De verbalisant stelt in zijn ambtsedig opgesteld proces-verbaal geen twijfel te hebben bij de herkenning, niet te hebben overlegd met collega’s en zijn herkenning te baseren op eerder contact met verdachte. Dat contact heeft recent, namelijk twee maanden daarvoor, plaatsgevonden en de verbalisant heeft verdachte toen ook goed kunnen zien, aangezien hij verdachte een proces-verbaal heeft gegeven voor het niet dragen van een helm op een snorfiets. Op basis hiervan heeft de rechtbank geen twijfels bij de betrouwbaarheid van de herkenning. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
[aangever] noemt in zijn aangifte dat hij op 31 oktober 2022 is benaderd door dezelfde twee mannen die verantwoordelijk waren voor het geweld bij de Jumbo op 7 juni 2022. Hij geeft aan dat hij op 27 november 2022 bij zijn werk benaderd en bedreigd is door deze mannen, waarbij een van de mannen tegen [aangever] zei dat hij hem veelvuldig – meer dan 30 keer – anoniem had gebeld en hem vroeg waarom [aangever] hem ontloopt. Uit het dossier blijkt dat het telefoonnummer achter deze anonieme oproepen in de politiesystemen is gelinkt aan verdachte. Het nummer is geregistreerd op naam van de moeder van verdachte en op hun gedeelde adres. De rechtbank acht deze gegevens voldoende feitelijk en concreet en verwerpt het verweer van de raadsman op dit punt. Uit de zendmastgegevens blijkt dat deze telefoon op het moment van de ontmoeting met [aangever] bij zijn werk op 27 november 2022 uitpeilde bij een zendmast in de buurt van deze ontmoetingslocatie. Daarnaast blijkt uit de zendmastgegevens dat de telefoon zich in de nachtelijke uren (na)bij het thuisadres van verdachte bevond.
Dit alles in samenhang bezien, brengt de rechtbank tot de conclusie dat het verdachte is geweest die op 7 juni 2022 in de Jumbo [aangever] heeft geslagen en geschopt tegen het hoofd en zich toen met een ander ook aan openlijk geweld tegen [aangever] heeft schuldig gemaakt. Daarnaast heeft hij in het najaar van 2022 met diezelfde mededader geprobeerd [aangever] af te persen.
Voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank acht bewezen dat verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde het voorwaardelijk opzet had om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank licht dat als volgt toe.
Het met geschoeide voet en met kracht schoppen tegen het hoofd, terwijl [aangever] op de grond ligt, brengt de aanmerkelijke kans met zich op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Niet alleen is het hoofd een kwetsbaar lichaamsdeel, waar met een trap blijvend letsel kan worden toegebracht aan bijvoorbeeld hersenen en ogen, ook bestaat de kans op ontsierende littekens in het gezicht. Gelet op de verwondingen aan het oog en het jukbeen, kwam de trap vol in het gezicht van aangever terecht. Deze geweldshandeling kan naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Van contra-indicaties is niet gebleken. Dat zich geen zwaar lichamelijk letsel heeft geopenbaard, maakt dat sprake is van een poging hiertoe.
Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging
Aangezien de rechtbank de getuigenverklaring van de beveiliger van de coffeeshop niet gebruikt als bewijsmiddel komt zij niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijk verzoek van de verdediging deze getuige te horen.
Eendaadse samenloop
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feit 1 en feit 2 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde feiten hebben betrekking op hetzelfde geweldsincident.

5.De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
1
op 7 juni 2022 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tegen het hoofd van voornoemde [aangever] heeft geschopt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
op 7 juni 2022 te Amsterdam openlijk, te weten in de Jumbo supermarkt gelegen aan [straatnaam] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever] , welk geweld bestond uit het meermalen met kracht slaan en schoppen tegen het hoofd en het lichaam van voornoemde [aangever] ;
3
in de periode van 31 oktober 2022 tot en met 30 december 2022 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag dat aan die [aangever] toebehoorde
- tegen voornoemde [aangever] heeft gezegd "Ik heb een advocaat moeten betalen. Hoe
gaan we dit regelen? 750 euro aan mij en mijn maat", en
- meermalen heeft gebeld naar het telefoonnummer van voornoemde [aangever] , en
- naar de werkplek van voornoemde [aangever] is gegaan en tegen hem heeft gezegd
"Krijg ik morgen mijn geld, anders kom ik je halen op je werk. Ik heb schijt aan de
beveiliging. Als het moet komen we met een paar man binnen en nemen we je mee.
Ook kunnen we bij je vriendin thuis komen. Als het moet schieten we gewoon",
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden.
8.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij bewezenverklaring rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Doordat de onderhavige zaak open stond heeft verdachte in detentie (wegens een veroordeling in Duitsland) geen verlof kunnen krijgen voor het bijwonen van de uitvaartceremonie van zijn vader. Verder is verdachte per 18 december 2025 voorwaardelijk in vrijheid gesteld met een proeftijd die tot 17 februari 2027 loopt. Hij staat onder reclasseringstoezicht en is momenteel bezig met het op orde krijgen van zijn leven. Het opleggen van een gevangenisstraf is niet noodzakelijk, volstaan kan worden met een werkstraf en/of een voorwaardelijke straf met een proeftijd van 1 jaar.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in een supermarkt schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling en het samen met een ander plegen van openlijk geweld tegen het slachtoffer [aangever] . Het handelen van verdachte is voor de rechtbank een triest voorbeeld van zinloos geweld, ontstaan om een onduidelijke reden, kennelijk nadat verdachte oogcontact had met het slachtoffer. Verdachte loopt op een gegeven moment – direct nadat hij tegen het slachtoffer zegt ‘wat kijk je’ – naar hem toe en geeft hem een klap tegen het gezicht. Ook nadat het slachtoffer probeert weg te komen door terug de winkel in te rennen, loopt verdachte achter hem aan en slaat en schopt hij hem meerdere malen tegen zijn hoofd en lichaam. Het is zeer zorgelijk dat verdachte zonder enige aanleiding tot dergelijk explosief geweld in staat is en dat dit alles zich in het openbaar heeft afgespeeld. Winkelmedewerkers en klanten zijn ongevraagd geconfronteerd met het buitensporig gewelddadige optreden van verdachte. Het veiligheidsgevoel wordt door dit soort incidenten in sterke mate negatief beïnvloed. Dit gedrag van verdachte is dan ook niet acceptabel. Maar daar bleef het niet bij. Verdachte heeft zich enkele maanden na het geweldsincident in de supermarkt schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing van het slachtoffer. [aangever] moest verdachte geld geven en de aangifte intrekken van de mishandeling. Verdachte heeft het slachtoffer met geweld bedreigd als hij hem niet zou betalen. Als gevolg hiervan heeft het slachtoffer zijn baan in Amsterdam opgezegd en durft hij zich niet meer in Amsterdam te begeven. De impact van het handelen van verdachte op het leven en het psychische welzijn van het slachtoffer blijkt ook uit de toelichting die zijn gemachtigde op de zitting heeft gegeven.
Verdachte heeft op de zitting op geen enkele manier verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan.
Uitgangspunt voor de strafoplegging
Bij het bepalen van de op te leggen straf beoogt de rechtbank recht te doen aan de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, rekening houdend met wat in soortgelijke zaken wordt opgelegd en de landelijke oriëntatiepunten voor zware mishandeling en openlijke geweldpleging. Het vertrekpunt bij een poging tot zware mishandeling waarbij sprake is van trappen tegen het hoofd is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. De rechtbank overweegt verder dat voor het plegen van openlijk geweld doorgaans taakstraffen worden opgelegd. Voor poging tot afpersing zijn er geen oriëntatiepunten. De rechtbank houdt verder rekening met de samenloop van de bewezenverklaarde feiten 1 en 2.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 22 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.
Verdachte loopt op dit moment in een voorwaardelijke invrijheidsstelling, nadat hij een periode gedetineerd is geweest na een veroordeling in Duitsland. De voorwaarden die hieraan zijn verbonden zijn een meldplicht en behandeling door een deskundige voor traumaverwerking. Verdachte valt in dat kader onder het toezicht van de reclassering. De proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidsstelling loopt van 18 december 2025 tot 17 februari 2027. Op de zitting heeft verdachte aangegeven zijn leven te willen verbeteren. Hij wil het verleden achter zich te laten, hoopt in aanmerking te komen voor begeleid wonen, heeft samen met de reclassering een uitkering aangevraagd en gaat op zoek naar een baan.
Redelijke termijn
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank beschouwt de brief van de rechter-commissaris aan de verdediging over het indienen van eventuele onderzoekswensen van 6 november 2023 als eerste daad van vervolging. Op de datum van de uitspraak is de redelijke termijn daarom met bijna 4 maanden overschreden. Dat is op zichzelf een redelijk beperkte overschrijding, maar het betreffen ook oude feiten uit 2022. Hier houdt de rechtbank rekening mee.
Op te leggen straf
De rechtbank overweegt dat de ernst van de feiten in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Het feit dat verdachte de afgelopen twee jaren in het kader van een Duitse veroordeling in detentie heeft gezeten, dus na het plegen van de bewezen geachte feiten, maakt het echter niet opportuun om verdachte weer de gevangenis in te sturen. De rechtbank ziet ook in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte reden om hem toch een kans te geven in de vorm van een (forse) taakstraf en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Zowel de maatschappij als de verdachte lijken daarbij thans meer gediend. Verdachte is recent voorwaardelijk in vrijheid gesteld en staat nu onder toezicht en begeleiding van de reclassering.
Gezien al het vorengaande ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie en geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank legt een taakstraf op van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaar, onder de algemene voorwaarde dat verdachte voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten pleegt. De rechtbank legt, gelet op de lopende voorwaardelijke invrijheidsstelling en het bijbehorende kader en reclasseringstoezicht, geen bijzondere voorwaarden op. Met deze straf wordt enerzijds de ernst van de bewezenverklaarde feiten tot uitdrukking gebracht, anderzijds wordt deze straf opgelegd voor het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Gaat verdachte opnieuw in de fout, dan dient hij er ernstig rekening mee te houden dat hij opnieuw naar de gevangenis moet.

9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [aangever] vordert € 1.800,- aan hoofdelijke vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
9.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toewijsbaar is. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich – gelet op de bepleite vrijspraak – primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden verklaard in zijn vordering.
Subsidiair refereert de raadsman zich ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op het lichamelijk letsel van het slachtoffer (€ 800,-) aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman betwist wel het deel dat ziet op het psychische letsel van het slachtoffer (€ 1.000,-) gelet op het gebrek aan onderbouwing door een gedragsdeskundige of arts.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
Immateriële schade – lichamelijk letsel
De rechtbank is van oordeel dat vaststaat dat aan de benadeelde partij [aangever] als gevolg van de bewezenverklaarde strafbare feiten immateriële schade is toegebracht en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van de door verdachte gepleegde strafbare feiten. Dit geeft de benadeelde op de voet van artikel 6:106 aanhef Pro en onder b van het Burgerlijk Wetboek recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Uit de vordering en de letselverklaring blijkt dat de benadeelde licht letsel heeft overgehouden aan de bewezen geachte feiten 1 en 2. Gezien de onderliggende onderbouwing van de vordering, en rekening houdend met de geldbedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegerekend en de bedragen zoals opgenomen in de Rotterdamse Schaal 2025 (een ordening van smartengeldenbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen) voor licht letsel met een herstelperiode van ongeveer twee maanden herstel, acht de rechtbank toewijzing van een geldbedrag van € 800,- billijk.
Immateriële schade – aantasting in persoon op een andere wijze
Het deel van de vordering dat ziet op psychisch nadeel, een bedrag van € 1.000,-, is door de raadsman betwist. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast door de bewezen verklaarde feiten. In beginsel moet degene die zich hierop beroept de aantasting in de persoon met concrete gegevens onderbouwen. In bepaalde gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending echter meebrengen dat relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat in dit geval aan de orde. Uit de behandeling op de zitting en de onderbouwing van de vordering is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de door de verdachte begane geweldsfeiten en (in het bijzonder onder deze kostenpost) afpersing rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Daarbij speelt een rol dat de afpersing twee maanden geduurd heeft. Bij het bepalen van de hoogte van deze schade neemt de rechtbank de Rotterdamse Schaal 2025 als uitgangspunt.
Gelet op de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de in de Rotterdamse Schaal in hoofdstuk 19 (Persoonsaantastingen bij bedreigende situaties) genoemde bandbreedte, acht de rechtbank toewijzing van het gevorderde bedrag € 1.000,- billijk.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering tot betaling van immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 800,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2022, de pleegdatum van feiten 1 en 2 en tot een bedrag van € 1.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 december 2022 tot de dag der algehele voldoening.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [aangever] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
Hoofdelijk
Nu de schade van de benadeelde is veroorzaakt door verdachte en zijn mededader/medeverdachte en de kans op het toebrengen van schade verdachte en zijn medeverdachte niet heeft weerhouden van hun gedragingen in dit groepsverband, is verdachte ingevolge artikel 6:166 BW Pro hoofdelijk aansprakelijk voor de ontstane schade bij de benadeelde partijen. Deze beoordeling levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op nu dit rechtstreeks volgt uit de wet.
Het gevorderde bedrag zal dan ook geheel worden toegewezen, met dien verstande dat
verdachte tegenover de benadeelde partijen voor de gehele bedragen aansprakelijk is, maar
verdachte van zijn betalingsverplichtingen wordt bevrijd als en voor zover door een ander
is betaald.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 55, 57, 141, 302, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 en feit 2:
eendaadse samenloop van:
poging tot zware mishandeling
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
ten aanzien van feit 3:
poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast van
120 (honderdtwintig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
4 (vier) maanden.
Bepaalt dat deze straf
niet ten uitvoer gelegdzal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een
proeftijd van 2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Benadeelde partij [aangever]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever] toe tot een bedrag van
€ 1.800,- (duizend achthonderd euro)aan vergoeding van immateriële schade. Dit bedrag dient vermeerderd te worden met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 7 juni 2022 met betrekking tot het bedrag van
€ 800,- (achthonderd euro)dat ziet op het lichamelijk letsel en op 30 december 2022 met betrekking tot het bedrag van
€ 1.000,- (duizend euro)dat ziet op de aantasting op andere wijze, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever] , aan de Staat
€ 1.800,-
(duizend achthonderd euro)aan vergoeding van immateriële schade. Dit bedrag dient vermeerderd te worden met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op
7 juni 2022met betrekking tot het bedrag van
€ 800,- (achthonderd euro)dat ziet op het lichamelijk letsel en op
30 december 2022met betrekking tot het bedrag van
€ 1.000,-
(duizend euro)dat ziet op de aantasting op andere wijze, tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald.
Bij gebreke van betaling en verhaal kan
gijzelingworden toegepast voor de duur van
18 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Smayel, voorzitter,
mrs. B. Vogel en C.A.E. Wijnker, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 maart 2026.
[(...)]