Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3206

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
13-310069-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks bezwaren detentieomstandigheden België

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, gericht op de overlevering van een persoon geboren in 1973. De procedure startte op 20 januari 2026, waarbij de opgeëiste persoon verscheen en werd bijgestaan door een raadsman. Na een tussenuitspraak op 3 februari 2026 werd het onderzoek geschorst om nadere vragen te stellen over de detentieomstandigheden in de Belgische PI Mechelen.

De Belgische autoriteiten gaven op 18 februari 2026 garanties dat de opgeëiste persoon zal worden geplaatst in een meerpersoonscel met ten minste drie vierkante meter persoonlijke ruimte en afgescheiden sanitair, ondanks de algemene overbevolking. De raadsman betwistte de toereikendheid van deze garanties, terwijl de officier van justitie stelde dat de garanties afdoende zijn en het algemene gevaar van schending van grondrechten wegnemen.

De rechtbank oordeelde dat de verstrekte garanties voldoende zekerheid bieden dat de detentieomstandigheden voldoen aan fundamentele rechten en internationale standaarden. Er zijn geen weigeringsgronden voor overlevering en het EAB voldoet aan de wettelijke eisen. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toe vanwege afdoende detentiegaranties.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-310069-25
Datum uitspraak: 17 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 21 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 november 2025 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De zitting van 20 januari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 20 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat in Veenendaal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 3 februari 2026
Bij tussenuitspraak van 3 februari 2026 [3] heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de door de raadsman overgelegde nieuwe concrete informatie over de detentie-instelling in Mechelen, waar de opgeëiste persoon volgens de verstrekte garantie zal worden gedetineerd, aanleiding is om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de detentieomstandigheden in Mechelen. De rechtbank heeft daartoe drie vragen geformuleerd.
De rechtbank heeft de beslistermijn op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 10 maart 2026
De behandeling van het EAB is – na eerdere aanhouding zonder inhoudelijke behandeling op de zitting van 3 maart 2026 – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 10 maart 2026, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak

De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 3 februari 2026 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de strafbaarheid van de feiten en de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. Wat de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro Belgische detentieomstandigheden

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6 van de tussenuitspraak van 3 februari 2026. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
Het Internationale Rechtshulp Centrum (IRC) heeft op 6 februari 2026 aan België de door de rechtbank in de tussenuitspraak geformuleerde vragen gesteld.
Op 18 februari 2026 heeft het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit, op die vragen de volgende antwoorden gegeven.
“(…)
1. Het interview van 16 december 2025 dateert van ná de verstrekte detentiegarantie. In hoeverre heeft de in het interview verstrekte informatie over de overbevolking en het niet afgescheiden sanitair gevolgen voor de verstrekte detentiegarantie van 03 december 2025? Welke gevolgen zijn dat?
De in het interview vermelde elementen wijzigen niets aan onze verplichting: de detentiegaranties zullen volledig worden nageleefd.
2. Voor zover (nog steeds) wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon na overlevering in de PI Mechelen ten minste drie m2 persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel en met afgescheiden sanitair tot zijn beschikking zal hebben, hoe wordt dat feitelijk gerealiseerd gelet op de overbevolkingscijfers in de instelling?
Voor personen die met detentiegaranties worden overgeleverd, wordt steeds gezorgd voor plaatsing in een cel die voldoet aan de gegarandeerde voorwaarden. Dit betekent dat zij worden ondergebracht in meerpersoonscellen die zowel minstens drie m2 persoonlijke ruimte per gedetineerde bieden als over afgescheiden sanitair beschikken,
ongeacht de algemene overbevolkingssituatie.
3. Mocht dit aanleiding geven om de opgeëiste persoon in een andere detentie-instelling te plaatsen na zijn overlevering, kunt u aangeven welke dat zal zijn en welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in die detentie-instelling?
Er zijn op dit moment geen aanwijzingen dat een plaatsing in een andere detentie-instelling noodzakelijk zou zijn. De opgeëiste persoon zal derhalve in Mechelen worden ondergebracht, waar de naleving van alle verstrekte detentiegaranties op afdoende wijze kan worden verzekerd.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat het antwoord van de Belgische autoriteiten onvoldoende is om het risico weg te nemen dat de opgeëiste persoon na overlevering onmenselijk of vernederend zal worden behandeld. De vraag hoe feitelijk kan worden gerealiseerd dat de opgeëiste persoon ten minste 3 m2 persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel met afgescheiden sanitair zal hebben, is niet beantwoord. De officier van justitie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het antwoord van de Belgische autoriteiten afdoende is en dus de detentiegarantie het algemene gevaar van schending van grondrechten voor de opgeëiste persoon wegneemt. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet van de verstrekte informatie en garantie worden uitgegaan. Door de officier van justitie is bovendien gewezen op het jaarverslag 2024 van de Commissie van Toezicht van de gevangenis van Mechelen, waarin melding wordt gemaakt van cellen ten behoeve van Nederlanders met detentiegaranties. Ook ontbreekt informatie dat verstrekte detentiegaranties feitelijk niet worden nageleefd. De Belgische detentieomstandigheden staan dus niet aan overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de garanties van 3 december 2025 en 18 februari 2026. [4] De rechtbank vindt het antwoord van de Belgische autoriteiten volledig en acht zich daarmee voldoende voorgelicht dat de verstrekte detentiegarantie zal worden nagekomen. Door de Belgische autoriteiten is toegelicht dat de in het interview vermelde elementen niets wijzigen aan het naleven van de verstrekte detentiegaranties. Verder garanderen de Belgische autoriteiten dat er steeds voor zal worden gezorgd dat personen die met een detentiegarantie zijn overgeleverd worden geplaatst in een meerpersoonscel die zowel minstens 3 m2 persoonlijke ruimte per gedetineerde biedt als over afgescheiden sanitair beschikt, zo begrijpt de rechtbank.
De rechtbank is gelet op de toezeggingen van de Belgische autoriteiten van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu concreet wordt gegarandeerd dat de detentiegarantie van 3 december 2025 zal worden gerespecteerd. Hierdoor kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon wordt geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden). Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd doet hier niet aan af. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

5. Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.