Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3204

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
13-064902-26 (EAB II)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel wegens deelneming aan criminele organisatie

De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 maart 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Oostenrijk op 17 december 2025, gericht op de overlevering van een persoon verdacht van deelneming aan een criminele organisatie. De opgeëiste persoon verscheen ter zitting en werd bijgestaan door een advocaat en tolk.

De verdediging voerde aan dat de zaak aangehouden moest worden vanwege onduidelijkheid over de strafmaxima van de afzonderlijke diefstallen en mogelijke schending van het specialiteitsbeginsel. De officier van justitie stelde dat het lijstfeit deelneming aan een criminele organisatie terecht was aangewezen en dat het specialiteitsbeginsel niet werd geschonden omdat het om de feitelijke gedragingen ging, niet de juridische kwalificatie.

De rechtbank oordeelde dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen en dat het lijstfeit in overeenstemming was met de Nederlandse Overleveringswet. De rechtbank is gebonden aan het oordeel van de uitvaardigende autoriteit en zag geen reden om hiervan af te wijken. Er waren geen weigeringsgronden en de overlevering werd toegestaan.

De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Amsterdam op 24 maart 2026 en is onherroepelijk. De rechtbank verwees naar relevante wetsartikelen en jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU ter onderbouwing van haar oordeel.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering toe van de opgeëiste persoon aan Oostenrijk wegens deelneming aan een criminele organisatie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-064902-26 (EAB II)
Datum uitspraak: 24 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 5 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 december 2025 door
the Regional Court Korneuburg, Dept 33,Oostenrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1986,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Het EAB is behandeld op de zitting van 10 maart 2026, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van
the Public Prosecution Korneuburgvan
17 december 2025 met kenmerk 15 St 118/25d.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Oostenrijks recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om aanvullende informatie te vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Hoewel de negen afzonderlijke diefstallen waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht door de uitvaardigende justitiële autoriteit in onderdeel e.1 van het EAB als lijstfeit (nl. deelneming aan een criminele organisatie) zijn aangewezen – zodat daarop een maximumstraf van ten minste drie jaren staat –, valt te betwijfelen of aan het vereiste strafmaximum is voldaan, indien niet kan worden vastgesteld dat deze afzonderlijke diefstallen allemaal in het kader van een criminele organisatie zijn gepleegd. Hierdoor is het ook de vraag of het specialiteitsbeginsel is gewaarborgd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het lijstfeit in redelijkheid is aangekruist. Nu de inbraken (op twee na) in vereniging zijn gepleegd, is geen sprake van evidente tegenstrijdigheid door het geheel onder het lijstfeit “deelneming aan een criminele organisatie” te scharen. De officier van justitie heeft zich verder onder verwijzing naar jurisprudentie [4] op het standpunt gesteld dat het specialiteitsbeginsel voldoende is gewaarborgd nu het gaat om de in het EAB omschreven gedragingen en niet de juridische kwalificatie daarvan. De kwalificatie kan nog wijzigen zonder dat dit hoeft te leiden tot een schending van het specialiteitsbeginsel.
Het oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Oostenrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of de strafbare feiten waarvoor overlevering wordt verzocht onder het hiervoor genoemde lijstfeit vallen. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. [5]
Op basis van wat de raadsvrouw heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken. Op basis van het EAB en de aanvullende informatie van 6 februari 2026 is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bedoeld dat het gehele feitencomplex onder het lijstfeit “deelneming aan een criminele organisatie” moet worden geschaard. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court Korneuburg, Dept 33,Oostenrijk, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting 24 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 1 december 2008, C-388/08 PPU, ECLI:EU:C:2008:669 (Leymann en Pustovarov).
5.Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (LU (Recouvrement d’amendes de circulation routière)), punt 42.