Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3181

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
12044646 \ CV FORM 26-154
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 2 EPGV-VerordeningArt. 62 Verordening (EU) nr. 1215/2012Art. 63 Verordening (EU) nr. 1215/2012Art. 1:10 Burgerlijk WetboekArt. 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot toepassing EPGV-Verordening afgewezen wegens ontbreken woonplaats in Nederland of Frankrijk

Verzoeker, met de Franse en Canadese nationaliteit, werd op 15 november 2025 geweigerd aan boord te gaan van een vlucht en verblijft sindsdien wisselend in Nederland, voornamelijk in hotels. Hij heeft het grootste deel van 2025 in Frankrijk en Nederland doorgebracht en is meerdere keren door de politie in Amsterdam gecontroleerd. Verzoeker wil de procedure voortzetten via een dagvaardingsprocedure.

De rechtbank toetst de woonplaats van verzoeker aan de hand van artikel 3 lid 2 EPGV Pro-Verordening en de artikelen 62 en 63 van Verordening Brussel I bis, waarbij het Nederlandse recht (artikel 1:10 BW Pro) wordt toegepast. De woonplaats wordt gedefinieerd als de plaats waar iemand werkelijk woont en zijn belangen behartigt met het plan om terug te keren na het bereiken van een bepaald doel.

De rechtbank concludeert dat op basis van de stellingen onvoldoende aanwijzingen bestaan dat verzoeker een woonplaats of vaste verblijfplaats heeft in Nederland of Frankrijk. Hierdoor valt het verzoek buiten het toepassingsbereik van de EPGV-Verordening. Verzoeker wordt opgedragen de procedure om te zetten in een dagvaardingsprocedure en de zaak wordt verwezen naar een rolzitting op 26 mei 2026.

De rechtbank wijst verzoeker erop dat hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard indien hij niet tijdig dagvaardt en EasyJet niet verschijnt. De procedure wordt voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure en verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing EPGV-Verordening afgewezen wegens ontbreken woonplaats in Nederland of Frankrijk.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 12044646 \ CV FORM 26-154
Beschikking van 27 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker],
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
procederend in persoon,
tegen
EASYJET,
gevestigd te Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: EasyJet.

1.De procedure

1.1.
Op 6 februari 2026 is een tussenbeschikking gegeven en is [verzoeker] in de gelegenheid gesteld te reageren op hetgeen in rechtsoverweging 2.6. van de beschikking is overwogen.
1.2.
[verzoeker] heeft in zijn e-mails van 3, 5 en 6 maart 2026 gereageerd.

2.De beoordeling

2.1.
De inhoud van de tussenbeschikking van 6 februari 2026, waaraan de kantonrechter zich houdt, geldt als hier herhaald en ingelast.
2.2.
[verzoeker] stelt dat hij beschikt over zowel de Franse als de Canadese nationaliteit. Nadat hem op 15 november 2025 is geweigerd om aan boord te gaan van de vlucht naar [plaats 1] (via [plaats 2] ) verblijft [verzoeker] in Nederland, van tijd tot tijd in hotels. [verzoeker] heeft het jaar 2025 grotendeels doorgebracht in Frankrijk en Nederland. [verzoeker] is in september en oktober 2025 en in februari en maart 2026 in Amsterdam gecontroleerd door de politie. Voor eind juli zal [verzoeker] terugkeren naar Canada, omdat zijn visum tot dan geldig is.
2.3.
Op grond van artikel 3 lid 2 EPGV Pro-Verordening wordt de woonplaats bepaald overeenkomstig de artikelen 62 en 63 van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Verordening Brussel I bis). Om vast te stellen of een partij woonplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat waar een zaak aanhangig is, past de rechter zijn intern recht toe (artikel 62 lid 1 Verordening Pro Brussel 1 bis). Als een partij geen woonplaats heeft in die lidstaat, past de rechter voor de vaststelling of zij een woonplaats heeft in een andere lidstaat, het recht van die lidstaat toe (artikel 62 lid 1 Verordening Pro Brussel 1 bis). De Nederlandse rechter moet aan de hand van artikel 1:10 Burgerlijk Pro Wetboek bepalen of een partij woonplaats of zijn vaste verblijfplaats heeft in Nederland. Met woonplaats wordt bedoeld: daar waar iemand werkelijk woont, zijn zaken behartigt, zijn goederen en eigendommen beheert, kortom, de plaats waar iemand niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en met het plan om, als dat doel is bereikt, terug te keren.
2.4.
Op grond van de stellingen van [verzoeker] kan zijn huidige woonplaats of vaste verblijfplaats niet worden bepaald en zijn er onvoldoende aanwijzingen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat [verzoeker] daadwerkelijk woonplaats of vaste verblijfplaats heeft op het grondgebied van Nederland of Frankrijk. Het verzoek valt daarmee buiten het toepassingsbereik van de EPGV-Verordening.
2.5.
[verzoeker] heeft aangegeven dat hij wenst dat de procedure wordt omgezet in een (Nederlandse) dagvaardingsprocedure. Dat zal hij moeten doen met de hulp van een deurwaarder. Gelet op het bepaalde in artikel 69 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal daarom worden beslist als hierna vermeld.
2.6.
Voor de goede orde wordt [verzoeker] er nu reeds op gewezen dat hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering als het hierna te noemen exploot van oproeping niet (tijdig) wordt overgelegd en Easyjet niet in het geding verschijnt.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
beveelt dat [verzoeker] op zijn kosten overgaat tot verbetering of aanvulling van het inleidende processtuk,
3.2.
verwijst de zaak hiertoe naar de rolzitting van dinsdag 26 mei 2026 te 10:00 uur,
3.3.
beveelt [verzoeker] om Easyjet met inachtneming van de wettelijke termijnen tegen de hiervoor genoemde datum en tijd te dagvaarden onder betekening van deze beslissing en van het inleidend verzoekschrift en het exploot van dagvaarding uiterlijk één dag eerder dan voornoemde roldatum ter inschrijving op de rol aan de griffie aan te bieden,
3.4.
beveelt dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure,
3.5.
stelt [verzoeker] in de gelegenheid zijn stellingen zo nodig aan te passen op de voor de dagvaardingsprocedure toepasselijke procesregels,
3.6.
houdt iedere verder beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Kuiken en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.
33806