ECLI:NL:RBAMS:2026:317

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
769991 HA ZA 25-1104
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 111 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurder niet privé aansprakelijk voor zakelijke lening, vordering tegen BV toegewezen

CMF Finance B.V. verstrekte in november 2023 een zakelijke lening van €100.000 aan twee ondernemingen waarvan [gedaagde 1] destijds indirect enig aandeelhouder en bestuurder was. De leningsovereenkomst en een pandakte werden ondertekend, waarbij CMF haar algemene voorwaarden toepaste, waaronder een boeterente en incassokosten.

Na het faillissement van een van de ondernemingen in april 2024 werd de lening opeisbaar. CMF vorderde betaling van de lening, boeterente, incassokosten en proceskosten van zowel de bestuurder privé als de BV. De bestuurder betwistte privé aansprakelijkheid en stelde dat hij slechts namens zijn onderneming handelde.

De rechtbank oordeelde dat niet is komen vast te staan dat de bestuurder zich privé als medeschuldenaar heeft verbonden. CMF kon dit onvoldoende onderbouwen, mede omdat de partner van de bestuurder alleen ter kennisgeving had getekend. Ook een borgtocht werd afgewezen wegens te late grondslag en onvoldoende bewijs.

De vordering tegen de bestuurder privé werd daarom afgewezen. De vordering tegen de BV werd toegewezen, inclusief betaling van €91.907,55, boeterente vanaf 22 april 2025, incassokosten van €10.159,27 en proceskosten van €10.306,16. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Vordering tegen bestuurder privé afgewezen, BV veroordeeld tot betaling lening, boeterente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/769991 / HA ZA 25-1104
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
CMF FINANCE B.V.,
te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: CMF,
advocaat: mr. C.M. Sellmeijer,
tegen

1.[gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] B.V.,

beiden te [woon-/vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] (ieder afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ),
advocaat: mr. O. Zaïr.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 mei 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord,
- de akte overlegging productie 1 van [gedaagden] ,
- het tussenvonnis van 10 september 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 december 2025 en de daarin genoemde processtukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
CMF verstrekt kortlopende zakelijke financieringen aan ondernemers, zonder tussenkomst van een bank.
2.2.
[gedaagde 1] is eind 2023 in contact gekomen met CMF via de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), werkzaam als zelfstandige voor CMF.
2.3.
Op 14 november 2023 heeft CMF een zakelijke leningsovereenkomst van € 100.000 gesloten met twee ondernemingen waarvan [gedaagde 1] destijds (indirect) enig aandeelhouder en bestuurder was: [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) en [gedaagde 2] (hierna: de lening). De lening is aangegaan voor twaalf maanden, tegen een premie (invorderingsprovisie) van 31% en met een (werk)dagelijkse terugbetalingsverplichting.
2.4.
In de leningsovereenkomst staat het volgende vermeld, voor zover hier van belang:
2.5.
De ondertekening van de leningsovereenkomst door [gedaagde 1] luidt als volgt:
Zijn partner heeft de overeenkomst eveneens ondertekend.
2.6.
Op 14 november 2023 zijn CMF en [bedrijf] een pandakte overeengekomen, waarin ten gunste van CMF een pandrecht wordt gevestigd op onder andere alle vorderingen en voorraden van [bedrijf] en/of [gedaagde 2] (hierna: de pandakte). De ondertekening van de pandakte door [gedaagde 1] luidt als volgt:
2.7.
CMF heeft haar algemene voorwaarden van toepassing verklaard op de lening (hierna: de algemene voorwaarden). Daarin staat dat de lening onmiddellijk opeisbaar wordt als het faillissement van de geldlener wordt aangevraagd (artikel 7.1 sub b), dat de geldlener 15% aan buitengerechtelijke incassokosten moet betalen als hij een verplichting uit de overeenkomst niet nakomt (artikel 8.1) en dat een boeterente van 2% per maand geldt zodra de lening opeisbaar wordt (artikel 8.2).
2.8.
CMF heeft de twee ondernemingen in december 2023 en op 17 april 2024 aanvullend gefinancierd voor € 100.000 per keer.
2.9.
Op 22 april 2024 is [bedrijf] in staat van faillissement verklaard.
2.10.
De lening is niet volledig terugbetaald.
2.11.
CMF heeft op 7 mei 2025 conservatoir beslag laten leggen op de woning van [gedaagde 1] .
2.12.
De heer [naam 1] heeft in december 2025 per e-mail aan CMF het volgende verklaard:
“(…) Medio november 2023 is door CMF Finance een lening verstrekt, waarbij we bij [bedrijf] op locatie zijn geweest en de voorwaarden/mogelijkheden hebben doorgesproken.
Na dit gesprek was CMF Finance welwillend om een lening te verstrekken, waaropvolgend dit tot stand is gekomen.
Net als het gros van de geldverstrekkers verlangt CMF Finance een zekerheid vanuit de UBO (Persoonlijke Garantstelling), waarbij conform Burgerlijk wetboek artikel 1:88 de Pro (fiscaal) partner van de UBO moet meetekenen. (…) Het is gebruikelijk dat de voorwaarden worden doorgesproken bij het tot stand komen van een financiering, zo ook de gevraagde zekerheden/onderpanden. Mede vanwege het ontbreken van andere directe primaire zekerheden in 1e recht, vanwege het reeds vergeven pandrecht aan andere geldverstrekkers, is de persoonlijke garantie besproken en de primaire zekerheid. Waarbij de gevraagde zekerheden ook in de contracten van CMF Finance terugkomen zover mij bekend. (…)”

3.Het geschil

3.1.
CMF vordert, samengevat, dat de rechtbank [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om te betalen aan CMF: € 91.907,55 plus boeterente van 2% per maand vanaf 22 april 2025, buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Daarnaast vordert CMF dat de rechtbank bepaalt dat [gedaagden] ook aan het vonnis moet voldoen als hoger beroep wordt ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad).
3.2.
CMF stelt dat [gedaagden] de lening van [bedrijf] moet terugbetalen, omdat hij zich hoofdelijk heeft verbonden. Op grond van de algemene voorwaarden van CMF is de lening opeisbaar geworden en moet [gedaagden] ook de contractuele rente en aanvullende kosten betalen.
3.3.
[gedaagde 1] is het niet eens met de vordering en vindt dat CMF in de proceskosten moet worden veroordeeld. [gedaagde 2] heeft op zitting haar verweer ingetrokken.

4.De beoordeling

[gedaagde 1] niet privé aansprakelijk, geen borg
4.1.
CMF stelt dat [gedaagde 1] privé aansprakelijk is voor de terugbetalingsverplichting van de lening, omdat hij de lening is aangegaan als medeschuldenaar. [gedaagde 1] betwist dat hij als medeschuldenaar de lening is aangegaan, evenmin is hij een borgtocht aangegaan, hij heeft slechts als bestuurder voor zijn onderneming een lening afgesloten.
4.2.
De rechtbank dient in de eerste plaats de vraag te beantwoorden of [gedaagde 1] en CMF zijn overeengekomen dat [gedaagde 1] medeschuldenaar is. Een overeenkomst komt tot stand als de ene partij het aanbod van de andere partij aanvaardt. Een aanbod wordt aangemerkt als aanvaard, als de partij die aanvaardt de wil heeft gehad om zich te verbinden aan de overeenkomst, of als door zijn verklaringen of gedragingen de wederpartij erop mocht vertrouwen dat die wil er wel was. De rechtbank is van oordeel dat niet vast is komen staan dat [gedaagde 1] de wil heeft gehad om zich in privé te verbinden aan de lening of dat CMF daarop gerechtvaardigd mocht vertrouwen.
4.3.
CMF stelt dat [gedaagde 1] met het zetten van zijn handtekening heeft verklaard dat hij zich als medeschuldenaar wilde verbinden voor de lening, omdat in de lening op twee plekken staat dat [gedaagde 1] in privé aansprakelijk is. CMF stelt ook meerdere keren aan [gedaagde 1] te hebben uitgelegd dat hij met het zetten van zijn handtekening ermee akkoord zou gaan dat hij zich hoofdelijk zou verbinden aan de lening en dat [gedaagde 1] daarmee akkoord is gegaan. Dat heeft de heer [naam 2] , [naam functie] van CMF, tijdens de mondelinge behandeling verklaard. Het moet volgens CMF [gedaagde 1] dus duidelijk zijn geweest dat hij met het zetten van zijn handtekening akkoord ging met de privé aansprakelijkheid. Ook stelt CMF dat zij in de gesprekken voorafgaand aan het sluiten van de lening de inhoud daarvan aan [gedaagde 1] heeft uitgelegd.
4.4.
[gedaagde 1] betwist dat hij wilde dat CMF hem in privé kon aanspreken op terugbetaling van de lening en betwist eveneens dat daarover is gesproken. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij alleen wilde dat CMF geld zou lenen aan [bedrijf] . Dat geld was tijdelijk nodig om een bepaalde lading uit het buitenland te kunnen financieren. CMF heeft volgens [gedaagde 1] nooit tegen hem gezegd dat hij in privé kon worden aangesproken voor de terugbetaling van de lening als hij namens zijn onderneming de overeenkomst zou tekenen. Tijdens de gesprekken die voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst hebben plaatsgevonden, is slechts gesproken over de zakelijke plannen van [bedrijf] , maar niet over persoonlijke of hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] voert ook aan dat hem was gezegd dat zijn vrouw slechts moest meetekenen als verklaring dat zij de overeenkomst had gezien. Als hij geweten had dat hij in privé aangesproken zou kunnen worden voor het terugbetalen van de lening, dan had [bedrijf] het geld niet geleend van CMF en had hij de overeenkomst niet ondertekend, aldus [gedaagde 1] .
4.5.
Omdat CMF een beroep doet op de gevolgen van haar standpunt dat [gedaagde 1] medeschuldenaar is en [gedaagde 1] dit gemotiveerd heeft betwist, moet CMF haar standpunt voldoende onderbouwen met concrete feiten en omstandigheden. Dat heeft zij onvoldoende gedaan. Uit de stukken van CMF blijkt niet of en zo ja, hoe zij de overeenkomst heeft toegelicht. CMF heeft ter zitting weliswaar toegelicht dat CMF de overeenkomst en de hoofdelijkheid heeft uitgelegd en dat [gedaagde 1] dat heeft begrepen, maar gezien de betwisting daarvan is dit onvoldoende. Ook de verklaring van [naam 1] is onvoldoende ter onderbouwing van het standpunt van CMF, omdat die, mede gezien het verweer, te algemeen is gesteld en onvoldoende is toegespitst op de specifieke situatie van [gedaagde 1] . Daarnaast heeft de heer [naam 3] van CMF op zitting beaamd dat de partner van [gedaagde 1] de lening moest ondertekenen “voor gezien”.
4.6.
Gelet op het vorenstaande kan zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, uit het feit dat onder de handtekening van [gedaagde 1] voorgedrukt staat “
alsmede voor zich hoofdelijk in privé” niet worden afgeleid dat [gedaagde 1] heeft beseft wat de bedoeling was van die zinsnede en dat hij zich daadwerkelijk hoofdelijk heeft verbonden of willen verbinden tot terugbetaling van de lening van zijn onderneming, dan wel dat CMF daar op heeft mogen vertrouwen. Dit geldt te meer omdat in de pandakte dezelfde zinsnede is opgenomen en daar geen betekenis heeft. Hierover heeft CMF verklaard dat de pandakte inderdaad ziet op de onderneming en niet op [gedaagde 1] in privé en dat deze zinsnede altijd “voor de zekerheid” wordt opgenomen. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat er een overeenkomst tussen CMF en [gedaagde 1] tot stand is gekomen. [gedaagde 1] is dus niet aansprakelijk voor het terugbetalen van de lening. De rechtbank wijst daarom de vordering van CMF tegen [gedaagde 1] af.
4.7.
Op zitting heeft CMF nog aanvullend gesteld dat de handtekening van [gedaagde 1] in de overeenkomst is bedoeld om duidelijk te maken dat [gedaagde 1] ook als borg garant heeft gestaan. Een beroep op een borgtocht slaagt niet. In de eerste plaats omdat CMF pas op zitting voor het eerst deze grondslag heeft genoemd, terwijl CMF die op grond van artikel 111 sub Pro 2 lid d van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) in de dagvaarding had moeten vermelden of duidelijk maken. Als CMF wel op tijd zou zijn geweest, zou deze grondslag alsnog niet kunnen slagen, op dezelfde gronden als genoemd onder rechtsoverweging 4.2, 4.5 en 4.6.
4.8.
De vorderingen tegen [gedaagde 1] worden dus afgewezen.
[gedaagde 2] moet € 91.907,55 plus kosten betalen
4.9.
Op zitting heeft [gedaagden] de verweren van [gedaagde 2] ingetrokken, zodat de rechtbank de vorderingen zoals gevorderd zal toewijzen. Dit komt neer op het volgende.
4.10.
Door het faillissement van [bedrijf] is de lening opeisbaar geworden (artikel 7.1 sub b van de algemene voorwaarden). [gedaagde 2] moet daarom € 91.907,55 terugbetalen aan CMF. [gedaagde 2] moet de daarover gevorderde contractuele boete van 2% per maand vanaf 22 april 2025 ook betalen (artikel 8.2 van de algemene voorwaarden), net als de contractuele buitengerechtelijke incassokosten van € 10.159,27 (artikel 8.1 van de algemene voorwaarden).
proceskosten
4.11.
[gedaagde 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CMF worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,16
- griffierecht
6.147,00
- salaris advocaat
3.858,00
(2 punten × € 1.929,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
10.306,16

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen ten aanzien van [gedaagde 1] af,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan CMF te betalen een bedrag van € 91.907,55, te vermeerderen met de contractuele boeterente van 2% per maand vanaf 22 april 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan CMF te betalen een bedrag van € 10.159,27 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van € 10.306,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst al het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Groot, rechter, bijgestaan door mr. R. Hafith en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.