Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3113

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
C/13/770924 / JE RK 25-434
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging door ouderconflicten

De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2019, vanwege ernstige bedreiging van zijn sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling.

De ouders zijn gezamenlijk gezagsdragers, maar de minderjarige verblijft hoofdzakelijk bij de moeder. Er is sprake van ernstige communicatieproblemen en conflicten tussen de ouders, die de ontwikkeling van het kind negatief beïnvloeden. Een eerder mediationtraject is mislukt, en de ouders zijn het niet eens over de zorgregeling en praktische invullingen van het ouderschap.

De Raad en Jeugdbescherming Regio Amsterdam ondersteunen het verzoek tot ondertoezichtstelling, terwijl de vader instemt en de moeder verzet aantekent. De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor ondertoezichtstelling zijn vervuld, omdat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is gebleken en de situatie de ontwikkeling van het kind ernstig bedreigt.

De beschikking stelt de minderjarige voor de duur van één jaar onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam, met als doelen het creëren van een veilige opvoedsituatie, het verbeteren van de communicatie tussen ouders en het waarborgen van een gezonde ontwikkeling van het kind. De beschikking is direct uitvoerbaar en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: De rechtbank stelt de minderjarige onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam voor de duur van één jaar wegens ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling door ouderconflicten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/770924 / JE RK 25-434
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Amsterdam,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. A.J. Robbers uit Amsterdam,
en
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. P.W.M. Franssen uit Amsterdam
en
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming regio Amsterdam, hierna te noemen JBRA.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft bij beschikking van 26 juli 2024 – in de zaak met kenmerk C/13/735070 / FA RK 23-3853 over gezag en omgangskwesties – een raadsonderzoek gelast om onderzoek in te stellen naar een zorgregeling die in het belang van [minderjarige] is. Naar aanleiding van dat onderzoek heeft de Raad ambtshalve aanleiding gezien om het onderzoek uit te breiden naar een kinderbeschermingsonderzoek. Op grond van dit onderzoek is de Raad tot de conclusie gekomen dat een ondertoezichtstelling voor [minderjarige] nodig is.
1.2.
Op 26 juni 2025 is onder andere het verzoek van de Raad over een ondertoezichtstelling behandeld. Bij beschikking van 14 juli 2025 heeft de rechtbank het verzoek tot ondertoezichtstelling aangehouden in afwachting van het mediationtraject tussen ouders.
1.3.
De beschikking van 14 juli 2025 wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.
1.4.
De kinderrechter heeft nadien kennis genomen van de volgende stukken:
- een bericht van de Raad van 29 juli 2025 over de aangehouden beslissing;
- een bericht aan de zijde van de vader van 29 juli 2025;
- een bericht aan de zijde van de moeder van 1 augustus 2025;
- een bericht aan de zijde van de vader van 25 augustus 2025;
- een bericht aan de zijde van de vader van 16 oktober 2025;
- een bericht van de Raad van 17 oktober 2025;
- een bericht aan de zijde van de moeder van 20 oktober 2025;
- een bericht aan de zijde van de moeder van 2 februari 2026, met bijlagen 18-19;
- een bericht aan de zijde van de vader van 2 februari 2026, met bijlagen 1-2;
- een bericht aan de zijde van de moeder van 9 maart 2026, met bijlagen 20-24.
1.5.
De voortzetting van de mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door een tolk, met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- mw. [persoon 1] van de Raad;
- mw. [persoon 2] van JBRA.

2.2. De feiten

2.1.
Ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 14 juli 2025 is de volgende zorgregeling vastgesteld met ingang van na de zomervakantie van 2025:
- [minderjarige] is om de week van maandagmiddag uit school tot en met de volgende maandagochtend naar school bij de vader;
- Op donderdag is er tussen 18:00-18:30 uur een (video)belmoment van maximaal 30 minuten met de ouder bij wie [minderjarige] op dat moment niet is. De ouder bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft, is niet bij dat (video)belgesprek aanwezig.
2.4.
De moeder is tegen voornoemde beschikking over de zorgregeling in hoger beroep gegaan.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

De Raad
4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en voert ter onderbouwing het volgende aan. [minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] groet de afgelopen jaren op in een spanningsvolle, onrustige en emotioneel onveilige opvoedingssituatie als gevolg van de ernstige samenwerkings- en communicatieproblemen tussen de ouders. [minderjarige] ervaart mogelijk problemen in zijn loyaliteit aan beide ouders, waardoor hij wordt bedreigd in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en identiteitsontwikkeling. De Raad acht de ouders op dit moment niet in staat om de zorgen onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en hulpverlening te accepteren, mede omdat de ouders het niet eens zijn over [minderjarige] gezondheidstoestand. Daarom acht de Raad het in het belang van [minderjarige] dat de ouders ondersteund zullen worden door een jeugdbeschermer. De moeder is in hoger beroep gegaan tegen de beslissing over de zorgregeling. Het continue blijven procederen moet stoppen. Er moet rust en stabiliteit komen voor [minderjarige] . Hij is nog maar zes jaar, maar moet zich volledig in zijn eentje verhouden tot beide ouders. Hij wil het goed doen voor de moeder, goed doen voor de vader en goed doen op school. De vrees is dat [minderjarige] zichzelf volledig kwijtraakt. Er moet iemand meekijken naar het belang van [minderjarige] . Ouders hebben de beste intenties, maar zij hebben continue onenigheid. Gekeken moet worden naar wat de vader en de moeder nodig hebben en daarop moet worden ingezet.
JBRA4.2. JBRA sluit zich aan bij de Raad. Er is per direct een gezinsmanager beschikbaar die me het gezin aan de slag kan gaan. De doelen zoals door de Raad geformuleerd zijn werkbaar. Begonnen zal worden met een analysefase waarin wordt gekeken naar welke hulp nodig is en ingezet moet worden.
De vader
4.3.
De vader kan zich vinden in het verzoek van de Raad. Hij vindt het belangrijk dat er stabiliteit en rust komt. Het is fijn als er een regievoerder komt die overkoepelend gaat werken, zodat ouders niet met elkaar hoeven te communiceren en/of procederen. De vader vind het goed als de Raad en/of JBRA contact opneemt met de mediator, mevrouw [persoon 3] , om haar bevindingen te vernemen over het mislukken van de mediation.
De moeder
4.4.
De moeder voert verweer tegen het verzoek van de Raad. Volgens haar wordt niet voldaan aan de vereisten voor een ondertoezichtstelling. De moeder wil aan alles meewerken, Zij heeft uitdrukkelijk laten weten dat wat haar betreft de Raad contact mocht opnemen met de mediator, mevrouw [persoon 3] , om haar bevindingen te vernemen over de recent mislukte mediation. De Raad heeft dat niet gedaan en heeft daarmee opnieuw niet de volledige informatie tot zich genomen om te kunnen adviseren. Ouders hebben sinds de beschikking van 14 juli 2025 uitvoering gegeven aan de zorgregeling en over en weer toestemming verleend. De geschillen die zijn blijven bestaan, betreffen in hoofdzaak de invulling van vrije tijd, sport, vakanties, reisformulieren, belmomenten en soortgelijke praktische kwesties. Dat zijn reële conflicten die vooral laten zien dat ouders moeite hebben met de praktische afbakening van hun ouderschap. Zij laten niet zien dat noodzakelijke hulp voor [minderjarige] in vrijwillig kader niet tot stand komt. [minderjarige] volgt inmiddels KIES, hetgeen laat zien dat hulpverlening wel degelijk op gang is gekomen. De moeder wenst te benadrukken dat de insteek van het hoger beroep tegen de beschikking van 14 juli 2025 niet is dat zij af wil van de co-ouderschapsregeling, maar dat zij een andere verdeling van het co-ouderschap wil. De week-op-week-af-regeling maakt dat ouders veel over en weer moeten overleggen over de invulling van de gedeelde tijd. De moeder wenst daarom dat beide ouders vaste dagen hebben, zodat zij eigen beslissingsruimte hebben binnen hun eigen tijd. Op die manier zijn er ook niet voortdurend conflicten over praktische zaken.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Bij beschikking van 14 juli 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] , omdat hij geen onbelast contact met beide ouders kan hebben. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat een ondertoezichtstelling op dat moment niet noodzakelijk was, omdat onvoldoende was gebleken dat de ouders hulp in vrijwillig kader niet accepteren en de rechtbank de verwachting had dat de resterende geschillen in het kader van mediation konden worden opgelost en de nieuwe zorgregeling rust zou brengen. Het nadien opgestarte mediationtraject is echter niet geslaagd. Het is voor de kinderrechter niet zo relevant waarom dat niet is gelukt of om daar een schuldige voor aan te wijzen. Vaststaat dát het ouders niet is gelukt om samen tot afspraken te komen en om rust voor [minderjarige] te creëren. Er zijn is bovendien nog steeds onenigheid over de zorgregeling en de verdeling van vakantiedagen, zo is gebleken tijdens het verhandelde ter zitting. [minderjarige] moet zich dus nog steeds verhouden tot ouders die continue met elkaar in de clinch liggen. Dat baart de kinderrechter grote zorgen. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt hiermee immers nog steeds ernstig bedreigd. Betrokkenheid van JBRA is nodig om die bedreiging tegen te gaan en rust voor [minderjarige] te brengen.
5.3.
Tijdens de ondertoezichtstelling moet aan de volgende doelen worden gewerkt om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen:
- [minderjarige] groet op in een algehele veilig opvoedsituatie met structuur en rust;
- [minderjarige] heeft ouders die op een constructieve wijze met elkaar communiceren;
- [minderjarige] heeft ouders die praktische zaken zonder strijd kunnen organiseren;
- [minderjarige] heeft ouders die hem niet met zaken en informatie die over de andere ouder belasten;
- [minderjarige] heeft ouders die hem emotionele toestemming geven om onbelast contact met de andere ouder te mogen hebben en het bij de ander fijn te mogen hebben;
- [minderjarige] heeft een professionele vertrouwenspersoon die op een laagdrempelige wijze contact met [minderjarige] aangaat, bijvoorbeeld een leerkracht of de interne begeleider op school;
- [minderjarige] is gezond en fit en maakt bij leeftijd passende adequate en sociaal emotionele ontwikkeling door.
5.4.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam voor de duur van één jaar, te weten met ingang van 11 maart 2026 tot 11 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 door mr. A. van Luijck, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Saruhan als griffier, en op schrift gesteld op 25 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna BW).
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.