Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3112

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
C/13/783920 / JE RK 25-930
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking ondertoezichtstelling minderjarige tweeling wegens ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om twee minderjarige kinderen, een tweeling geboren in 2011, onder toezicht te stellen vanwege ernstige zorgen over hun ontwikkeling en opvoedsituatie bij de moeder. De kinderen vertoonden onder meer schoolverzuim, mogelijk gebruik van snuss/vape, en er waren zorgen over sociale contacten en mogelijke loverboyproblematiek. Ook was een van de kinderen recentelijk strafrechtelijk in beeld gekomen.

De moeder betwistte het verzoek en stelde dat er geen actuele bedreiging was en dat het gezin meewerkte aan hulpverlening. De kinderrechter oordeelde echter dat er sprake was van een ontwikkelingsbedreiging en onvoldoende zicht op de thuissituatie. De kinderen waren terughoudend in het delen van informatie en vertoonden weerstand tegen hulpverlening.

De rechtbank stelde de kinderen onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam voor de duur van zes maanden, met een mogelijkheid om de resterende drie maanden aan te houden. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kinderrechter stelde tevens een begrijpelijke brief op voor de kinderen om de beslissing uit te leggen en benadrukte het belang van hulpverlening gericht op hun ontwikkeling en veiligheid.

Uitkomst: De rechtbank stelt de minderjarige kinderen voor zes maanden onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Familie- en Jeugdrecht
zittingsplaats: Amsterdam
zaaknummer: C/13/783920 / JE RK 25-930
datum uitspraak: 11 maart 2026
beschikking over ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de Raad,
betreffende
[minderjarige 1] ,geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
en
[minderjarige 2] ,geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen de kinderen.
De kinderrechter merkt, naast [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , als belanghebbende aan:
[de moeder] ,hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. W.A.L. de Boer.
en,
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Regio Amsterdam (Blijvend Veilig),
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: JBRA.

1.Het procesverloop

1.1.
De kinderrechter heeft kennis genomen van het verzoekschrift van de Raad van 25 februari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: de moeder bijgestaan door haar advocaat, mevrouw [persoon 1] van de Raad en mevrouw [persoon 2] van JBRA met een collega.
1.3.
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Zij hebben beiden, afzonderlijk en achter gesloten deuren, een gesprek gevoerd met de kinderrechter. De kinderrechter heeft – in overleg met de kinderen – tijdens de mondelinge behandeling kort iets verteld over wat zij hebben gezegd, zodat de aanwezigen daarop hebben kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Moeder is belast met het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
2.2.
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] wonen bij moeder.
2.3.
Bij spoedbeschikking van 16 december 2025 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld van JBRA voor de duur van twee weken. Bij beslissing van 24 december 2025 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] aansluiteind voorlopig onder toezicht gesteld van JBRA tot 16 maart 2026.
2.4.
Bij spoedbeschikking van 16 december 2025 is ook een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verleend voor verblijf bij een accommodatie voor een jeugdhulpaanbieder voor de duur van twee weken. Bij beslissing van 24 december 2025 is de spoedbeslissing tot uithuisplaatsing met ingang van 24 december 2025 ingetrokken en is het verzoek tot uithuisplaatsing afgewezen.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht te stellen van JBRA voor de duur van negen maanden, waarbij ter zitting is verzocht om het verzoek voor de duur van zes maanden toe te wijzen en voor het overige aan te houden. Ook wordt verzocht de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpuntenDe Raad

4.1.
Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat het tot op heden onduidelijk is of de eerder geconstateerde zorgen voldoende zijn weggenomen. Sinds de terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder is het lastig zicht te krijgen op hoe de opvoedsituatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eruit ziet en is het niet mogelijk geweest hier individuele gesprekken met de kinderen over te voeren. De Raad maakt zich hier zorgen over, omdat [minderjarige 1] eerder tijdens individueel contact meermaals zorgen heeft geuit over mishandeling thuis. Deze zorgen lijkt zij nu volledig in te trekken. Het is onduidelijk of dit echt klopt of dat zij mogelijk druk ervaart om haar verhaal in te trekken. Ook als de zorgen die [minderjarige 1] heeft geuit niet blijken te kloppen, is het zorgelijk dat [minderjarige 1] dit heeft aangegeven. Er moet dan worden gekeken naar de beweegreden van [minderjarige 1] om dit te doen. Het is belangrijk dat er voor langere periode zicht komt op de opvoedsituatie van de kinderen en de opvoedvaardigheden van de moeder. De kinderen zijn terughoudend in het delen van informatie. Vanuit school zijn zorgen geuit over het toegenomen verzuim van zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] . Het is onduidelijk waarom het verzuim de afgelopen periode is toegenomen, aangezien dit eerder niet het geval was.
De Raad denkt dat het goed is voor [minderjarige 1] als de geadviseerde hulpverlening vanuit IPA dan wel IFA van de grond komt en het verloop daarvan wordt gemonitord. Er zijn zorgen over de sociale relaties van [minderjarige 1] met zowel leeftijdsgenoten als oudere jongens, waarbij het niet duidelijk is was de aard van dit contact is en er mogelijk zorgen zijn over loverboyproblematiek. Er is onvoldoende zicht op de sociale contacten van [minderjarige 1] . Daarnaast lijkt er sprake te zijn van snuss gebruik/vapen en heeft [minderjarige 1] eerder sombere gedachten geuit waar op dit moment geen gesprekken met haar over plaatsvinden. De hulpverlening aan [minderjarige 1] komt moeizaam van de grond, omdat het lastig is om met haar tot afspraken te komen. In gesprek met de Raad geeft [minderjarige 1] aan geen betrokkenheid meer te willen van instanties, maar de Raad ziet op dit moment onvoldoende mogelijkheden voor [minderjarige 1] en de moeder om hier zonder hulp uit te komen. De Raad is daarom van mening dat hulpverlening in een vrijwillig kader voor [minderjarige 1] onvoldoende van de grond zal komen, waardoor zicht en grip op de zorgen uitblijft. Daarnaast is [minderjarige 1] recentelijk tot twee keer toe strafrechtelijk in beeld gekomen. Hierdoor lijken de problemen rondom [minderjarige 1] op dit moment juist toe te nemen in plaats van af te nemen.
Ook is er volgens de Raad op dit moment te weinig zicht op [minderjarige 2] en is er bij hem onvoldoende motivatie om met de hulpverlening in gesprek te gaan om de ondertoezichtstelling al te beëindigen. [minderjarige 2] is gesloten richting de betrokken hulpverlening en schetst een overwegend positief beeld van zichzelf en zijn opvoedomgeving. Echter is het volgens de Raad van belang om te weten hoe zijn rol binnen het gezin er precies uitziet, ook ten aanzien van zijn rol of invloed richting [minderjarige 1] gezien zij niet individueel gesproken willen worden, en wat dit betekent voor zijn eigen ontwikkeling. Er zijn door school zorgen geuit over toenemend verzuim van [minderjarige 2] . Er zal een gesprek met de leerplicht volgen. Daarnaast lijkt [minderjarige 2] zich deels in hetzelfde sociale netwerk als [minderjarige 1] te bevinden, maar is er weinig zicht op wie zijn vrienden precies zijn. Eerder is [minderjarige 2] weleens betrokken geweest bij opstootjes op school. In het licht van het toenemende verzuim en de zorgen over de cijfers en werkhouding van [minderjarige 2] denkt de Raad dat hij gebaat is om ondersteuning te krijgen. In een gesprek met de Raad heeft [minderjarige 2] aangegeven geen ondersteuning te willen hebben waardoor de Raad van mening is dat dit niet binnen een vrijwillig kader kan plaatsvinden. Daarnaast adviseert de school nadrukkelijk om ook [minderjarige 2] mee te nemen in eventuele gezinsgerichte begeleiding en de hulp niet alleen op [minderjarige 1] te richten.
Zowel Spoedhulp als JBRA geven aan dat het gezin gesloten is en er vermoedens zijn dat ze niet geheel openheid geven over de thuissituatie. Ook worden er door de betrokken hulpverlening zorgen geuit over de individuele ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ondanks dat er ook krachten worden gezien in het gezin, en zij zelf aangeven dat het allemaal goed gaat, ziet de Raad in toenemende mate ook zorgen over de kinderen zoals hierboven beschreven. Gelet op het voorgaande is een ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden noodzakelijk. De overige drie maanden kunnen worden aangehouden, omdat een ondertoezichtstelling mogelijk niet meer nodig is als de hulp is opgestart, het gezin ervaart dat de hulp ondersteunend is en de verdere hulp in vrijwillig kader aanvaarden.
JBRA
4.2.
JBRA sluit zich aan bij het standpunt van de Raad en deelt de zorgen die er zijn. JBRA voegt nog het volgende toe. [minderjarige 1] was laatst in [plaats] en heeft daar mogelijk een strafbaar feit gepleegd. Zij is daar aangehouden met jongens die bij de politie in beeld zijn. Het onderzoek loopt nog. [minderjarige 1] is aangemeld bij het Nova-traject, dat is een speciaal traject van Qpido gericht op het krijgen van zicht op het netwerk via een vertrouwenspersoon. [minderjarige 1] staat hiervoor op de wachtlijst, die ongeveer vier á vijf maanden is. De wachtlijsten voor een IPA-coach zijn ongeveer twaalf weken. Tot die tijd zal JBRA zelf overbruggen door één á twee keer per week langs te gaan.
De moeder
4.3.
De moeder kan zich niet vinden in het verzoek tot ondertoezichtstelling en voert daartegen verweer. De verklaringen van beide kinderen en de moeder zijn consistent in het ontkennen van structurele onveiligheid thuis. De zorgen van de Raad zijn grotendeels gebaseerd op een gebrek aan openheid en zicht op de opvoedsituatie, niet op concrete, actuele bedreigingen. Het rapport stelt dat hulpverlening in een vrijwillig kader onvoldoende van de grond zal komen, maar onderbouwt dit niet met concrete feiten. Integendeel, de moeder en de kinderen werken mee aan gesprekken en de moeder heeft expliciet ingestemd met het onderzoeksplan. De gezinsmanager bevestigt dat het contact met het gezin goed is en dat moeder geschrokken is van de melding. Er is geen sprake van structurele weigering van noodzakelijke hulp. In deze zaak ontbreekt een actuele, objectieve bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen en is niet aangetoond dat noodzakelijke zorg niet vrijwillig kan worden gerealiseerd. Het verzoek moet dan ook worden afgewezen. Mocht de rechtbank daar anders over denken, dan moet in ieder geval het verzoek met betrekking tot [minderjarige 2] worden afgewezen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan (artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.2.
Er is sprake van een ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De zorgen van [minderjarige 1] zien op haar gedrag op school, het schoolverzuim, haar snuss/vape gebruik en de jongens met wie zij omgaat. Daarnaast is zij recent betrokken geweest bij een vechtpartij op school en is zij in [plaats] met oudere jongens gezien en daar met de politie in aanraking gekomen. Er moet zicht komen op het netwerk van [minderjarige 1] en haar ontwikkeling. Ook moet er zicht komen op hoe de moeder daarmee om kan gaan. De zorgen over [minderjarige 2] zijn iets minder groot, maar ook bij hem zijn er zorgen over zijn ontwikkeling. [minderjarige 2] verzuimt de laatste tijd veel op school. Er moet zicht komen op wat daarvan de reden is. Daarnaast wordt [minderjarige 2] ook belast door de zorgen over [minderjarige 1] . Hij hoort en ziet dit thuis en zit ook op dezelfde school als [minderjarige 1] . [minderjarige 2] wil zijn tweelingzus helpen en het voor haar opnemen. Het is JBRA nog niet gelukt om voldoende zicht te krijgen op de thuissituatie en met het gezin de zorgen die er zijn weg te nemen. De kinderrechter ziet een heel bereidwillige moeder. De moeder onderkent echter de zorgen die er zijn en wil zelf met een coach aan de slag. De kinderrechter denkt dat dat niet gaat lukken, zij heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de kinderen in vrijwillig kader aan de hulpverlening zullen meewerken. De kinderen zien de zorgen namelijk niet en vertonen weerstand tegen hulpverlening. JBRA moet de komende periode naast de moeder gaan staan en haar handvatten bieden om met de kinderen om te gaan. Ook is het belangrijk dat de kinderen ieder een eigen coach krijgen die kan helpen, ook met de schoolgang. Een verplicht kader is heel belangrijk zodat iedereen weet dat er meegewerkt moet worden. Voor het opstarten van de hulpverlening vindt de kinderrechter het daarom belangrijk dat er een ondertoezichtstelling is voor de duur van zes maanden. Als de hulp op gang is gekomen en de kinderen ervaren dat die hulp prettig is, dan is het wellicht niet nodig om de resterende drie maanden van het verzoek ook toe te wijzen.
5.3.
In het kader van de ondertoezichtstelling moet aan de volgende doelen worden gewerkt om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen:
 de kinderen groeien op in een veilige en vertrouwde opvoedomgeving;
 de kinderen gaan structureel naar school. Er is geen sprake van verzuim en zij krijgen waar nodig hulp gericht op hun werkhouding, met name voor [minderjarige 2] is dit belangrijk;
 er komt zicht op de opvoedvaardigheden van moeder (en oma) en het effect daarvan op de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
 er worden gesprekken met [minderjarige 1] gevoerd over haar stemming en zij krijgt hier waar nodig begeleiding bij. Dit kan opgepakt worden vanuit het PIT;
 er komt duidelijkheid over de rol van [minderjarige 2] binnen het gezin en of/op welke manier dit invloed heeft op zijn persoonlijke ontwikkeling en de relatie met zijn zus. Ook krijgt hij passende begeleiding van zijn schoolgang en worden en gesprekken gevoerd over zijn sociale contacten om meer duidelijkheid te krijgen of hier risico’s liggen voor zijn eigen ontwikkeling;
 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden individueel ondersteund door een eigen coach, waarbij gedacht kan worden aan een IPA of IFA coach of voor [minderjarige 1] aan een coach vanuit het Nova-project.
5.4.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.6.
De kinderrechter heeft een aparte brief voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opgesteld, omdat zij de beslissing op een voor hen begrijpelijke manier aan ze heeft willen uitleggen. Die brief is als bijlage aan deze beschikking gehecht.
6. De beslissing
De kinderrechter:
6.1. stelt [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van heden
tot 11 september 2026;
6.2. verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3. houdt het resterende deel van het verzoek, te weten drie maanden ondertoezichtstelling
pro forma aantot
11 augustus 2026op welke datum de Raad de rechtbank en de overige partijen uiterlijk informeert over de stand van zaken en het gewenste verloop van de procedure, in ieder geval inhoudende een bericht over het verloop van de ondertoezichtstelling en de stand van zaken met betrekking tot de gewenste doelen alsmede een bericht van de Raad over het al dan niet handhaven van het resterende deel van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 door mr. A. van Luijck, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Saruhan, griffier, en op schrift gesteld op 25 maart 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam.
Bijlage 1
Betreft: brief van de kinderrechter aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Beste [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,
Op dinsdag 10 maart 2026 sprak ik jullie op de rechtbank. Op woensdag 11 maart 2026 had ik de zitting en sprak ik met jullie moeder en haar advocaat, de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdbescherming.
Ik heb goed naar iedereen geluisterd en daarna de ondertoezichtstelling toegewezen. De Jeugdbescherming blijft dus nog langer bij jullie betrokken. Ik weet dat jullie het hier niet mee eens zijn en ik heb dat heel goed gehoord in de gesprekken die ik met jullie heb gehad. Ik hoop dat ik in deze brief een beetje kan uitleggen waarom ik toch de ondertoezichtstelling heb uitgesproken.
Ik maak me zorgen om jullie ontwikkeling. Er gaan best veel dingen goed en jullie doen je best. Alleen op school zijn er toch af en toe problemen. Jullie hebben veel absentmeldingen en [minderjarige 1] wordt nog steeds gezien met oudere jongens die een slechte invloed hebben. Ook zijn er voor [minderjarige 1] nu twee zaken die bij de politie lopen. Jullie zijn ook nog niet zo lang bij jullie moeder in Nederland en misschien dat het daardoor wel extra lastig is voor jullie.
Ik vind daarom dat de Jeugdbescherming hulp moet gaan geven. Dit is hulp die gericht is op jullie ontwikkeling, bijvoorbeeld in de vorm van een coach. Een coach is iemand die je kan vertrouwen, die er voor elk van jullie is en samen met jullie kan kijken naar wat er goed gaat en naar wat minder goed gaat. Een coach kan helpen, ook met problemen op school.
Ik wil graag dat jullie opgroeien tot gezonde volwassenen. Een ondertoezichtstelling van de Jeugdbescherming is daar nu nodig voor. Deze is er dus echt niet om jullie te pesten of tot last te zijn; die is er zodat Jeugdbescherming hulp kan gaan geven.
Ik heb de ondertoezichtstelling uitgesproken voor zes maanden. Ik hoop dat dat voldoende is om alle hulp op te starten en jullie hopelijk merken dat je er iets aan hebt. Ik hoop dus echt dat jullie je voor de hulp gaan openstellen en daaraan mee gaan werken.
Ik wens jullie het allerbeste toe.
Groetjes,
De kinderrechter