Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3110

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
C/13/784293 / JE RK 26-184
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige voor duur ondertoezichtstelling

De zaak betreft een verzoek van Jeugdbescherming Regio Amsterdam (JBRA) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2013, die sinds het overlijden van haar oma niet meer bij haar moeder kan wonen. De minderjarige verbleef tijdelijk bij haar opa, maar deze situatie is niet langer houdbaar vanwege diens leeftijd en gezondheid.

De kinderrechter heeft op 4 maart 2026 reeds een spoedmachtiging verleend voor twee weken verblijf in een pleeggezin. Op 11 maart 2026 vond een mondelinge behandeling plaats, waarbij de moeder werd vertegenwoordigd door haar advocaat en de vader en opa niet aanwezig waren. De minderjarige is gehoord en heeft haar mening kunnen geven.

JBRA verzoekt nu een machtiging voor vier weken, aansluitend voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 7 juni 2026. De moeder stemt in met de maatregel, erkent de complexe situatie en hoopt op een stabiele en veilige plek voor haar kind. De kinderrechter wijst het verzoek toe, benadrukt het belang van een passende en stabiele woonplek en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor verblijf in pleeggezin of gezinshuis tot 7 juni 2026.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/784293 / JE RK 26-184
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de JBRA,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.C. Kager uit Den Helder,
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M.M.E. Rietjens uit Amsterdam,
en
[de opa] ,
hierna te noemen de opa (vz),
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Op 4 maart 2026 rond 17:15 uur heeft de kinderrechter op verzoek van JBRA mondeling een machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige] verleend voor verblijf in een pleeggezin of gezinshuis voor de duur van twee weken met aanhouding van het overige deel van het verzoek.
1.2.
De kinderrechter heeft daarna kennis genomen van de volgende stukken:
- het schriftelijke verzoek van JBRA, welke op 5 maart 2026 om 08:43 uur bij de griffie van de rechtbank binnen is gekomen;
- het bericht van 10 maart 2025 van de advocaat van de vader met de vraag om de vader als belanghebbende aan te merken;
- het bericht van 10 maart 2025 van de advocaat van de vader met betrekking tot haar aanwezigheid tijdens de mondelinge behandeling.
1.3.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: mevrouw [persoon 1] namens JBRA en mevrouw mr. [persoon 2] , waarnemend voor mr. [persoon 3] , als advocaat van de moeder.
De moeder wilde graag naar de mondelinge behandeling komen, maar wegens griep van haar pasgeboren baby is haar dat niet gelukt. Haar advocaat heeft namens haar het woord gevoerd.
De advocaat van de vader heeft laten weten niet naar de mondelinge behandeling te komen, omdat zij geen contact met de vader kan krijgen.
De vader en de opa vz. zijn niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
1.4.
[minderjarige] is gelet op haar leeftijd in de gelegenheid gesteld om haar mening te geven. Zij heeft een gesprek met de kinderrechter gehad. Tijdens de mondelinge behandeling is kort samengevat wat zij heeft verteld, zodat partijen daarop hebben kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Op 9 februari 2025 is de oma (vaderszijde), waar [minderjarige] woonde, plotseling overleden. De moeder is sinds het overlijden van oma de enige met gezag, terwijl zij niet in staat is om voor [minderjarige] te zorgen.
2.2.
Bij beschikking van 7 maart 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld en is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend voor verblijf in een netwerkpleeggezin (bij tante in België). De machtiging tot uithuisplaatsing is nadien steeds verlengd, laatstelijk is dat gebeurd bij beschikking van 5 juni 2025 van de rechtbank Noord-Holland. De machtiging tot uithuisplaatsing is toen verlengd tot 7 december 2025 voor verblijf bij de vader (zonder gezag). [minderjarige] is op grond van deze machtiging met een opbouwregeling vanuit de tante in België bij haar vader in [plaats 1] gaan wonen.
2.3.
Bij beschikking van 5 juni 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 7 juni 2026.
2.4.
De vader is op 31 augustus 2025 aangehouden en gedetineerd. Hij heeft ervoor gezorgd dat [minderjarige] bij opa vz. kon verblijven.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 september 2025 een spoedmachtiging verleend [minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij opa vz., tot 23 september 2025 en het overige deel van het verzoek aangehouden. Bij beschikking van 17 september 2025 is de spoedbeslissing gehandhaafd en is aansluitend een machtiging voor verblijf bij opa vz. verleend tot 7 juni 2026.
2.6.
Bij mondelinge beslissing van 4 maart 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige] verleend, te behoeve van een verblijf in een pleeggezin of gezinshuis voor de duur van twee weken, te weten van 4 maart 2026 tot 18 maart 2026. [minderjarige] verbleef – tot deze spoed machtiging uithuisplaatsing – bij opa vz. Na de spoedmachtiging is zij geplaatst in een bestandspleeggezin in [plaats 1] , alwaar zij een week kan blijven.

3.Het verzoek

3.1.
JBRA verzoekt [minderjarige] met spoed uit huis te plaatsen in een pleeggezin of een gezinshuis voor de duur van vier weken. Daarnaast verzoekt JBRA die machtiging aansluitend te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. JBRA vraagt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

JBRA
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert JBRA het volgende aan. [minderjarige] woont bij de opa mz. [minderjarige] doet het goed, maar deze plaatsing is niet langer haalbaar vanwege de leeftijd en gezondheid van opa vz. [minderjarige] kan niet bij familie terecht. De moeder heeft aangegeven te willen voorkomen dat [minderjarige] op een crisis groep terecht komt. De moeder heeft gevraagd of terugplaatsing naar haar tot de mogelijkheden behoort. JBRA wil dit onderzoeken, maar is van menig dat dit stap voor stap moet gebeuren. Dit is iets wat JBRA nu wel wil overwegen, omdat gemerkt wordt dat de moeder steeds meer open staat voor de samenwerking, de grenzen en het tempo van [minderjarige] kan accepteren en zich aan de afspraken houdt. Echter is een plaatsing bij de moeder nu te vroeg, omdat er momenteel vrijwel nog geen enkel contact tussen [minderjarige] en haar moeder is. Wel lijkt [minderjarige] steeds meer open te staan voor contact met haar moeder en het toewerken naar daadwerkelijk herstel in de relatie met haar moeder. [minderjarige] heeft zelf aangegeven dat zij graag in [plaats 1] wil blijven wonen zodat ze naar haar school ( [school] ) kan blijven gaan. JBRA is aan het zoeken naar een pleegzorg plek die passend is voor [minderjarige] , waar zij langere tijd kan verblijven en waar er tijdens haar verblijf ook onderzocht kan worden hoe het contactherstel met de moeder eruit moet zien en of er mogelijkheden tot terugplaatsing bij de moeder zijn. Echter dit traject duurt wat langer en de plaatsing bij opa vz. is niet meer houdbaar. Een andere plek in het netwerk is niet mogelijk. [minderjarige] heeft aangegeven bij een vriendin van haar te willen wonen. Dat zal ook onderzocht worden de komende tijd. Voorkomen moet worden dat [minderjarige] op een plek terecht komt waar ze binnenkort weer weg moet. Er wordt nu in eerste instantie gezocht naar een pleegezin waar [minderjarige] tot de zomer kan blijven. Die periode zal worden gebruikt om uit te zoeken wat de mogelijkheden bij de moeder in [plaats 2] zijn. Ook de plek bij de vriendin van [minderjarige] in [plaats 1] wordt dan meegenomen.
De advocaat van de moeder namens de moeder
4.2.
[minderjarige] heeft een enorm ingrijpend jaar gehad. Zij heeft meerdere verlieservaringen en veranderingen meegemaakt in haar dagelijkse leven. De moeder erkent dat zij na het overlijden van de oma vanuit emotie, zorgen en onmacht heeft gereageerd op een manier die onvoldoende helpend was. Zij begrijpt dat dit van invloed was op hoe naar haar werd gekeken. De moeder vindt het fijn dat JBRA met een open blik naar haar heeft gekeken. De situatie rondom [minderjarige] is complex. Er moet worden gezocht naar een stabiele, langdurige oplossing. Er moet een plek komen die veilig is en ruimte biedt voor contactherstel. De moeder laat haar eigen wens los en ziet dat voor [minderjarige] op dit moment iets anders zwaarder weegt. Daarom stemt de moeder in met de verzochte maatregel. Wel hoopt de moeder dat in de toekomst zorgvuldig wordt onderzocht wat de beste plek voor [minderjarige] is.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter zal het verzoek om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een pleeggezin of gezinshuis toewijzen, nu daartegen geen verweer is gevoerd en de kinderrechter dit, net zoals partijen, in het belang van [minderjarige] vindt. Het is duidelijk geworden dat opa vz. niet meer voor [minderjarige] kan zorgen. Er is op dit moment geen passende plek binnen het netwerk. Dat is een verdrietige situatie voor [minderjarige] die nu weer met een verhuizing wordt geconfronteerd en daarmee opnieuw een vertrouwde plek verliest. Er is echter geen alternatief. Het verlenen van de machtiging zoals verzocht door JBRA is dan ook noodzakelijk. De kinderrechter hoopt dat [minderjarige] snel op een plek terecht komt waar zij zich fijn voelt en zich verder kan ontwikkelen. De kinderrechter benadrukt dat JBRA de komende periode niet alleen gaat onderzoeken wat de mogelijkheden bij de moeder zijn, maar dat ook wordt gekeken naar de plek waar [minderjarige] graag wil blijven, te weten bij haar vriendin in [plaats 1] . Uiteindelijk zal JBRA moeten beslissen wat de beste plek is voor [minderjarige] om op te groeien. De kinderrechter wenst de moeder een compliment te geven voor hoe zij zich opstelt. Het is mooi dat de moeder naar [minderjarige] uitdraagt dat zij het beste voor haar wil en dat zij geen druk op haar legt. Dat biedt ruimte voor [minderjarige] om contact met de moeder aan te halen. Ook JBRA verdient een compliment voor hoe zij de situatie aanvliegen, want dat is heel helpend in deze situatie.
5.2.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1]
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor verblijf in een pleeggezin of gezinshuis voor de duur van de lopende ondertoezichtstelling, te weten tot 7 juni 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 door mr. A. van Luijck, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Saruhan, griffier, en op schrift gesteld op 25 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.