Eiser kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat hij op 4 januari 2025 parkeerde zonder te betalen in een zogenoemde blauwe zone. De heffingsambtenaar stelde dat de blauwe zone per 31 juli 2024 was vastgesteld en door bebording en blauwe markeringen was afgebakend.
Eiser voerde aan dat ten tijde van zijn parkeeractie de blauwe markeringen nog ontbraken en dat het bord leidend was voor de afbakening van de blauwe zone. De rechtbank oordeelde dat eiser op basis van het bord en het ontbreken van de blauwe omlijningen mocht aannemen dat de blauwe zone ook het deel van de parkeergelegenheid omvatte waar hij stond.
De rechtbank stelde vast dat het vertrouwen van eiser gerechtvaardigd was, mede omdat het bord nog steeds aanwezig is en de blauwe markeringen pas later zijn aangebracht. Hierdoor was de naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd. Het beroep werd gegrond verklaard en het griffierecht werd aan eiser teruggegeven.