ECLI:NL:RBAMS:2026:306

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
779435
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 611d Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot aanpassing dwangsom na onherroepelijke veroordeling in kort geding

Partijen zijn gescheiden en hebben meerdere procedures gevoerd. Bij vonnis van 18 juli 2024 is eiser veroordeeld om een Facebook-profiel op naam van gedaagde te verwijderen en te houden, met een dwangsom van €1.000 per overtreding tot een maximum van €30.000. Deze dwangsommen zijn inmiddels volledig verbeurd en er is beslag gelegd op de uitkering van eiser.

Eiser vordert in deze procedure de dwangsom te matigen, op te schorten of op te heffen op grond van artikel 611d Rv, stellende dat hij onmachtig is om aan de hoofdveroordeling te voldoen omdat hij het Facebook-account niet heeft aangemaakt en niet kan verwijderen. De voorzieningenrechter oordeelt dat deze onmogelijkheid reeds in het eerdere vonnis is beoordeeld en verworpen, en dat een artikel 611d-procedure niet dient als verkapt hoger beroep.

De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat eiser alles heeft gedaan om aan de veroordeling te voldoen, mede omdat hij pas na beslaglegging en betalingsbevel actie onderneemt en geen bewijs heeft geleverd van zijn pogingen tot verwijdering. De vorderingen worden daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek tot aanpassing van de dwangsom wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/779435 / KG ZA 25-971 EAM/MAH
Vonnis in kort geding van 20 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij bij dagvaarding van 24 december 2025,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. B.N. Voogd,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. A. Sarioglu.

1.De procedure

Bij de zitting op 6 januari 2026 waren partijen aanwezig met hun advocaten. [eiser] heeft de dagvaarding toegelicht en [gedaagde] heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en [gedaagde] ook een pleitnota.
Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn getrouwd geweest en in 2022 gescheiden. Tussen hen hebben diverse procedures gespeeld.
2.2.
Bij vonnis van 18 juli 2024 (zaaknummer: C/13/753960 / KG ZA 24-630) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op vordering van [gedaagde] de volgende veroordelingen, uitvoerbaar bij voorraad, tegen [eiser] uitgesproken, voor zover hier relevant :
“(…)
5.3.
veroordeelt [eiser] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis het door hem op naam van [gedaagde] gemaakte Facebook-profiel met het adres [internetsite 1] te verwijderen en verwijderd te houden,
5.4.
verbiedt [eiser] om op naam van [gedaagde] en/of met een foto van [gedaagde] accounts of profielen aan te maken op social media en/of elders, en verbiedt [eiser] om uit naam van [gedaagde] en/of over [gedaagde] , waaronder tevens dient te worden verstaan: berichten en/of foto’s van [gedaagde] te posten en/of te verspreiden via social media of Whatsapp,
5.5.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 1.000,- voor iedere dag en keer dat hij de in 5.3 en 5.4 uitgesproken verboden overtreedt, tot een maximum van € 30.000,- is bereikt,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
(…)”
Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen:
“4.2 (…) [eiser] heeft betwist iets met het Facebook-account en de berichten op WhatsApp te maken te hebben. (…) dit wordt niet geloofwaardig geacht. Het WhatsApp-profiel is gekoppeld aan het telefoonnummer van [eiser] , zo heeft [gedaagde] onbetwist gesteld. Dit is bovendien te zien aan de vermelding ‘Papa’ bovenaan het scherm. [gedaagde] heeft de foto en de teksten gezien via de telefoon van één van de kinderen die de foto en teksten dus ook hebben kunnen zien. Van het WhatsApp-account is daarom in ieder geval voldoende aannemelijk dat de foto’s en teksten daarop zijn geplaatst door [eiser] . Op het Facebook-account is dezelfde foto geplaatst, met een tekst over gerechtigheid. [eiser] heeft ter zitting laten zien dat hij nog steeds erg boos is op [gedaagde] , omdat zij zou zijn vreemdgegaan tijdens hun relatie met wel acht mannen. Gelet daarop is eveneens voldoende aannemelijk dat het Facebook-account door [eiser] is geplaatst en zal hij worden veroordeeld dit te verwijderen.(…)”
2.3.
[gedaagde] heeft het vonnis op 30 juli 2024 laten betekenen. Nadat de deurwaarder had geconstateerd dat het bewuste Facebook-profiel niet was verwijderd zijn de dwangsommen aangezegd. Nadat het maximum van € 30.000,00 was bereikt is – uiteindelijk in juni 2025 – beslag gelegd op de uitkering van [eiser] . Op 11 november 2025 heeft de deurwaarder bevel gedaan tot betaling van het nog openstaande bedrag van ruim € 25.000,00.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
de bij vonnis van 18 juli 2024 (zaaknummer: C/13/753960 / KG ZA 24-630) aan [eiser] opgelegde dwangsomveroordeling ten aanzien van de facebookpagina
(I) primair: op te heffen,
(II) subsidiair: op te schorten met 24 maanden en daarbij de dwangsommen te matigen tot € 50,00 per dag met een maximum van € 1.500,00,
(III) meer subsidiair: indien de looptijd wel wordt gehandhaafd de dwangsommen evenzeer te matigen tot € 50,00 per dag met een maximum van € 1.500,00,
en
(IV) [eiser] te veroordelen deze, zowel in het subsidiaire als meer subsidiaire geval, maar
(V) ook in geval van het onverkort handhaven van de termijn, de dwangsommen (per dag en het maximum) in depot te storten op de derdenrekening van de gerechtsdeurwaarder - voor zover verbeurd - welke pas aan [gedaagde] mogen worden vrijgegeven indien het eindarrest in de (in te stellen) bodemprocedure is gewezen en kracht van gewijsde heeft gekregen.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.
[eiser] heeft spoedeisend belang bij de vorderingen, omdat er beslag ligt op zijn uitkering.
4.2.
Het bestreden vonnis is onherroepelijk en de dwangsommen zijn (al lang) tot het maximum van € 30.000,00 verbeurd. Dat staat in deze procedure niet ter discussie. [eiser] baseert zijn vorderingen op artikel 611d Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv). Volgens die bepaling kan de voorzieningenrechter de dwangsom opheffen, de looptijd opschorten of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde (hier: [eiser] ) om aan de hoofdveroordeling te doen. Artikel 611d lid 1 Rv stelt hoge eisen aan iedere aanpassing van dwangsommen. Van ‘onmogelijkheid’ in de zin van 611d Rv is sprake als de dwangsom als geldelijke prikkel tot nakoming van de veroordeling zijn zin verliest. Dit moet worden aangenomen als niet tijdig aan de hoofdveroordeling is voldaan en het onredelijk zou zijn om meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan de veroordeelde heeft betracht. Er dient dus onderzocht te worden of de veroordeelde al hetgeen in zijn macht lag heeft gedaan om aan de hoofdveroordeling te voldoen. De onmogelijkheid om de hoofdveroordeling uit te voeren moet in beginsel beoordeeld worden aan de hand van feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de hoofdveroordeling.
4.3.
De hoofdregel is dat een dwangsom ten uitvoer kan worden gelegd als de veroordeelde na betekening en bevel tot voldoening niet aan de hoofdveroordeling voldoet. Artikel 611d Rv is daarop een uitzondering en het is aan degene die zich erop beroept om aannemelijk te maken dat daarvan sprake is. Daarin is [eiser] naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet geslaagd. Dat wordt hierna toegelicht.
4.4.
[eiser] stelt dat de veroordeling en de motivering van het vonnis onbegrijpelijk zijn. Hij heeft tijdens de zitting van het eerdere kort geding al uitdrukkelijk betwist dat hij iets met de Facebook pagina te maken heeft. Hij heeft de pagina niet aangemaakt en is daarom ook niet bij machte deze te verwijderen. Een dwangsomveroordeling mag niet worden toegewezen als de te veroordelen partij onmachtig is om aan de veroordeling te voldoen. De prikkel die van de dwangsommen zou moeten uitgaan, is dan niet aanwezig, aldus steeds [eiser] .
4.5.
De onmogelijkheid waar [eiser] zich op beroept is geen omstandigheid die zich pas na het vonnis heeft voorgedaan. Integendeel, [eiser] heeft deze stelling– zoals hij ook zelf stelt – op de zitting in het vorige kort geding al aangedragen. Blijkens het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter deze ook expliciet beoordeeld – en niet gevolgd (zie 2.2). [eiser] is het met dat oordeel niet eens. Dat is zijn goed recht en hij kon daartegen hoger beroep instellen. Dat heeft hij echter niet gedaan en een artikel 611d-procedure is niet bedoeld als verkapt hoger beroep. De dwangsomrechter oordeelt niet over de juistheid van de hoofdveroordeling.
4.6.
Alleen al op deze gronden moeten de vorderingen worden afgewezen.
4.7.
Op de vraag van de voorzieningenrechter op de zitting van 6 januari 2026 wie dan wèl het bewuste Facebook account heeft gemaakt, antwoordde [eiser] dat [gedaagde] dat heeft gedaan. Dat is uitdrukkelijk door haar betwist. Het is ook zeer onwaarschijnlijk, aangezien de via het account gepubliceerde uitlatingen ongunstig voor haar zijn. [eiser] stelt verder nog dat hij Facebook in de week na het vonnis per e-mail om verwijdering van het account heeft verzocht, maar nooit antwoord heeft ontvangen. [eiser] heeft deze e-mail echter niet in het geding gebracht. Al met al is niet aannemelijk dat hij er alles aan heeft gedaan om aan de veroordeling te voldoen.
4.8.
Aan de geloofwaardigheid van zijn stellingen draagt ook niet bij dat [eiser] pas nu – na de beslaglegging en het herhaalde betalingsbevel – in actie komt, terwijl hij zich in de afgelopen 1,5 jaar op geen enkel moment op de vermeende onmogelijkheid heeft beroepen. Niet na de betekening van het vonnis in juli 2024, niet na de aanzegging van de dwangsommen, niet na het beslag en ook niet na het herhaalde betalingsbevel in november 2025. Terwijl hij bovendien al die tijd, zoals [gedaagde] onbetwist heeft aangevoerd (in diverse andere procedures tussen partijen) werd bijgestaan door een advocaat.
4.9.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat (ook) [gedaagde] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [eiser] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.378,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.378,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 als hij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
type: MAH
Coll: EB