Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3019

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
10610707 \ CV EXPL 23-9844
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BWArt. 6:233 BWArt. 6:94 BWBesluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing consumentenrecht bij oneerlijk beding ontbinding in algemene voorwaarden

De zaak betreft een vordering van Stellantis Financial Services Nederland B.V. tegen een consument die niet is verschenen. De kantonrechter heeft ambtshalve het beding over ontbinding in de algemene voorwaarden van eisende partij getoetst aan het consumentenrecht en geoordeeld dat dit beding oneerlijk is omdat het de mogelijkheid tot ontbinding bij iedere tekortkoming biedt, ook bij geringe tekortkomingen die volgens de wet niet tot ontbinding rechtvaardigen.

Eisende partij stelde dat het beding in de praktijk een redelijke aanmaningstermijn van 14 dagen bevat en dat de tekortkoming van gedaagde niet gering was. Dit werd door de rechter verworpen omdat het beding afwijkt van de wettelijke regeling en een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen veroorzaakt. De rechter liet het beding buiten toepassing en paste de gevolgen daarvan toe.

De kantonrechter wees de vordering toe voor onbetaalde leasetermijnen tot 14 juni 2022, een kilometerafrekening en inleverschades, maar wees de overige kosten zoals voortijdige beëindigingskosten af. Ook het rentebeding werd als oneerlijk aangemerkt, waardoor geen wettelijke rente werd toegewezen. De incassokosten werden gematigd tot het wettelijk toewijsbare bedrag. De proceskosten werden gecompenseerd, zodat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: Vordering grotendeels afgewezen wegens oneerlijk ontbindingsbeding, met toewijzing van leasetermijnen, incassokosten en compensatie van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10610707 \ CV EXPL 23-9844
Vonnis van 5 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STELLANTIS FINANCIAL SERVICES NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eisende partij,
gemachtigde: mr. J.M. Wisseborn,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 december 2025,
- de akte van eisende partij.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over (de gevolgen van) het buiten toepassing laten van het beding over ontbinding in de algemene voorwaarden van eisende partij, dat als oneerlijk is aangemerkt.
2.2.
Eisende partij heeft laten weten dat het beding in een schriftelijke aanmaning met een redelijke termijn van 14 dagen voorziet, waarbij de gevolgen worden omschreven en de gelegenheid wordt geboden alsnog aan de verplichting te voldoen. Dat waarborgt dat de consument niet bij een geringe of incidentele tekortkoming direct wordt geconfronteerd met ontbinding. De consument wordt ook niet in een juridisch minder gunstige positie geplaatst dan hij heeft op grond van de wet. De schuldeiser kan ingevolge de wet volstaan met het stellen van een tekortkoming. Het is aan de schuldenaar om omstandigheden te stellen die zien op toepassing van de tenzij-bepaling. Die omstandigheden laten zich niet opnemen in een beding. Het opnemen van een redelijkheidstoets in de vorm van een tenzij-bepaling voegt daarom niets toe aan de vraag of in een concreet geval de tekortkoming wel of niet van geringe betekenis is. Eisende partij merkt voorts op dat de tekortkoming van gedaagde partij niet gering was. De algemene voorwaarden die eisende partij hanteert zijn opgesteld door een onafhankelijke stichting, die ook de belangen van consumenten beoogt te beschermen, zodat een eventueel oneerlijk beding haar niet kan worden verweten.
2.3.
Wat eisende partij heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel dan verwoord in overweging 2.9 van het tussenvonnis. Het beding wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling, omdat – aanmaning of geen aanmaning – iedere tekortkoming eisende partij de mogelijkheid geeft de overeenkomst te ontbinden, dus ook bij zeer geringe tekortkomingen die op grond van de wettelijke regeling ontbinding niet zouden rechtvaardigen. Nu het beding, in tegenstelling tot de wettelijke regeling, niet stelt dat een tekortkoming ontbinding ook moet rechtvaardigen, is sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht. De wijze waarop eisende partij het beding in de praktijk (of in het concrete geval) toepast, is voor de beoordeling op oneerlijkheid niet van belang. Het argument dat de tekortkoming van gedaagde partij niet gering was, is dan ook niet relevant. Evenmin is relevant dat eisende partij algemene voorwaarden hanteert die door anderen zijn opgesteld.
2.4.
De kantonrechter zal dan ook overgaan tot het buiten toepassing laten van het beding en daaraan de gevolgen verbinden genoemd in overweging 2.11 van het tussenvonnis.
2.5.
Het voorgaande en het overwogene in de tussenvonnissen van 28 augustus 2025 en 4 december 2025, leidt tot toewijzing van de onbetaald gelaten leasetermijnen tot 14 juni 2022. Dat komt uit op een bedrag van € 2.126,24 (facturen over maart 2022 t/m mei 2022, plus 14/30e gedeelte van de factuur over juni 2022). De kilometerafrekening van € 126,46 is eveneens toewijsbaar, alsmede de factuur met betrekking tot de inleverschades van € 68,00. Het meer aan hoofdsom gevorderde, waaronder de voortijdige beëindigingskosten en de kosten in verband met het (laten) innemen en bergen van de auto, is niet toewijsbaar.
2.6.
Aan hoofdsom wordt daarom toegewezen een bedrag van € 2.320,70.
2.7.
In artikel 22 AV Pro Keurmerk wordt gerefereerd aan de mogelijkheid tot het in rekening kunnen brengen van vertragingsrente. Nu deze vertragingsrente niet nader is gespecificeerd en een verwijzing naar de wettelijke rente ontbreekt, kan eisende partij met een beroep op dit beding iedere rente in rekening brengen die zij wenselijk acht. Dat kan leiden tot een onevenredig hoge schadevergoeding. Het rentebeding wordt daarom als oneerlijk aangemerkt. Oneerlijke bedingen binden de consument niet. Gevolg daarvan is dat eisende partij ook geen aanspraak kan maken op wettelijke rente. Dat volgt uit de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger). De gevorderde wettelijke rente wordt daarom afgewezen.
2.8.
In artikel 21 AV Pro Keurmerk staat een beding dat gaat over de mogelijkheid tot het in rekening brengen van incassokosten. Dat beding is getoetst en niet oneerlijk bevonden, omdat wordt verwezen naar en aangesloten bij de wettelijke regeling. Eisende partij kan zich dus beroepen op de wettelijke regeling. Aan alle wettelijke vereisten is voldaan. Wel wordt het gevorderde bedrag gematigd naar het bedrag dat ingevolge het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar zou zijn bij voormeld bedrag aan hoofdsom. Daarom wordt € 421,21 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. Het meer gevorderde wordt afgewezen.
2.9.
Bij deze uitkomst blijkt dat partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, eisende partij zelfs in overwegende mate, gelet op de hoogte van de totale vordering van € 6.298,27 waarvan toewijsbaar is een bedrag van € 2.741,91. Dat geeft de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij tot betaling aan eisende partij van:
- € 2.320,70 aan hoofdsom,
- € 421,21 aan buitengerechtelijke incassokosten,
3.2.
compenseert de proceskosten,
3.3.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.
991