Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3018

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
11007506 \ CV EXPL 24-3064
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BWArt. 6:162 BWRichtlijn 93/13/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gedeeltelijke hoofdsom na toetsing oneerlijke bedingen in leaseovereenkomst

In deze zaak vordert een besloten vennootschap betaling van openstaande leasetermijnen en schadevergoeding van een gedaagde die niet is verschenen. De rechtbank heeft ambtshalve de algemene voorwaarden getoetst aan Richtlijn 93/13/EG en meerdere bedingen als oneerlijk beoordeeld, waardoor deze buiten toepassing blijven.

De vordering is primair gebaseerd op de leaseovereenkomst en subsidiair op onrechtmatige daad. De rechtbank oordeelt dat de subsidiaire grondslag niet slaagt omdat het onrechtmatig is om voordeel te halen uit oneerlijke bedingen, conform het NAPTA-beginsel. De schade aan het voertuig is onderbouwd en toewijsbaar.

De rechtbank wijst slechts een gedeelte van de hoofdsom toe, bestaande uit onbetaalde leasetermijnen tot ontbinding, afrekening gereden kilometers en herstelkosten van € 3.669. De rente- en buitengerechtelijke kostenbedingen zijn oneerlijk en worden niet toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 7.198 en proceskosten van € 1.069,54.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van een gedeelte van de hoofdsom en proceskosten, waarbij meerdere oneerlijke bedingen buiten toepassing blijven.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11007506 \ CV EXPL 24-3064
Vonnis van 19 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 december 2025,
- de akte van eisende partij.
1.2.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Eisende partij is bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen om bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of hadden kunnen worden gelegd buiten toepassing te laten vanwege hun oneerlijke karakter. Het ging om bedingen over ontbinding, eigen risico bij schadegevallen, rente en buitengerechtelijke kosten.
2.2.
Eisende partij heeft bij akte laten weten, kort gezegd, dat het voertuig zeer beschadigd is ingenomen. Het beding over eigen risico staat daar los van. De schades zijn het gevolg van opzet, roekeloosheid en onrechtmatig handelen door gedaagde partij. Gedaagde partij is zeer onzorgvuldig en op onbehoorlijke wijze omgegaan met de eigendommen van eisende partij. De schades zijn niet binnen 48 uur gemeld door gedaagde partij, waardoor deze niet konden worden verhaald op de verzekering. Vanaf het moment van ontbinding heeft eisende partij geen leasetermijnen meer in rekening gebracht. Bij de beoordeling van de bedingen miskent de kantonrechter dat de wet bedingen aanvult en leemtes opvult. Dat er in het beding over ontbinding niet staat dat een tekortkoming ontbinding moet rechtvaardigen is daarom niet onredelijk, omdat dat vereiste uit de wet volgt. Redelijkheid en oneerlijkheid zijn bovendien rekbare, subjectieve begrippen. Van tevoren is niet duidelijk wat daaronder valt. Eisende partij is het niet eens met de beoordeling van de kantonrechter over de korting in het rentebeding die als boete wordt gekwalificeerd. Eisende partij is een relatief kleine onderneming. Zij valt niet in de categorie van de ‘Van Mossel’ leasebedrijven. Zij heeft dan ook niet veel personeel in dienst. Eisende partij begrijpt niet waarom iedere onderneming over dezelfde kam wordt geschoren. Eisende partij is het ook niet eens met de beoordeling van het beding over buitengerechtelijke kosten. In het beding wordt naar de wettelijke regeling verwezen. Hoe dat oneerlijk kan zijn begrijpt eisende partij niet. Eisende partij is van mening dat haar vordering integraal voor toewijzing gereed ligt. Ten overvloede merkt eisende partij op dat de grondslag van de vordering primair is gegrond op de overeenkomst en subsidiair op grond van onrechtmatige daad, aldus – steeds – eisende partij.
2.3.
De kantonrechter stelt voorop dat het bij de beoordeling van de oneerlijkheid gaat om hoe bedingen toegepast zouden kunnen worden, waarbij het toetsingsmoment het moment van het sluiten van de overeenkomst is. Daarbij is irrelevant of en hoe bedingen zijn toegepast of wat zich na het sluiten van de overeenkomst feitelijk heeft voorgedaan.
2.4.
Van belang is dat bedingen moeten worden beoordeeld op hun eigen merites. Leemtes, of het (al dan niet bewust) niet opnemen van eisen die de wet stelt aan bepalingen over bepaalde onderwerpen, met als gevolg dat het beding gunstiger uitpakt voor de handelaar en minder gunstig voor de consument, leiden eerder tot het oordeel dat het beding oneerlijk is. Daarbij is het de eigen keuze van de handelaar om algemene voorwaarden te hanteren. Dat gebeurt normaliter om te kunnen afwijken van de wettelijke regeling. Anders zouden algemene voorwaarden niet nodig zijn. De wet bevat immers voldoende mogelijkheden om eventuele schade te verhalen, rente of incassokosten in rekening te brengen of een overeenkomst te ontbinden. De handelaar neemt dan ook een bepaald risico als hij ervoor kiest algemene voorwaarden te hanteren. Het is niet zo dat de wet bepaalde leemtes in bedingen opvult. Dan zouden handelaren immers enkel profijt hebben van minder gunstige of oneerlijke bedingen tegenover consumenten, omdat de wet dan altijd als vangnet fungeert. Dan verdwijnen dergelijke bedingen niet uit overeenkomsten, wat één van de doelstellingen is van Richtlijn 93/13 EG. Het is aan de handelaar om in te staan voor eerlijke bedingen, die het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen tussen partijen niet onevenredig (kunnen) verstoren ten nadele van de consument. Zijn bedingen oneerlijk, dan heeft dat vergaande consequenties, omdat dan geen beroep meer kan worden gedaan op het beding noch op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn als het beding niet in de algemene voorwaarden zou staan. Alleen op die manier verdwijnen oneerlijke bedingen uit consumentenovereenkomsten en wordt eerlijke concurrentie tussen handelaren bevorderd. Dat de wet ook niet altijd duidelijk is, zoals eisende partij opmerkt, kan zo zijn, maar de wet wordt wel geacht een evenwichtige afweging te zijn tussen de belangen van partijen over en weer.
2.5.
Wat eisende partij in haar akte heeft opgemerkt onder het kopje ‘tussentijdse beëindiging’ gaat, gelet op het voorgaande, dan ook niet op.
2.6.
Eisende partij heeft in haar akte terecht opgemerkt dat de gevorderde schade aan de auto, bestaande uit herstelkosten, niet is gebaseerd op het in het tussenvonnis aangehaalde beding over eigen risico. Het is een vordering die is (of kan worden) gebaseerd op artikel 6, 6e alinea van de algemene voorwaarden. Dat beding is getoetst en niet oneerlijk bevonden. De schade heeft eisende partij onderbouwd. Dat maakt dat de gestelde schade aan de auto, begroot op € 3.669,00 aan herstelkosten, toewijsbaar is.
2.7.
Wat eisende partij heeft opgemerkt over de ‘korting’ in het rentebeding, leidt niet tot een andere uitkomst dan in het tussenvonnis overwogen. Alleen al het overeengekomen rentepercentage leidt tot oneerlijkheid, zodat iedere boete (of verval van korting, zoals eisende partij het noemt) die ervoor zorgt dat de vertragingsvergoeding vanwege wanbetaling hoger wordt, dat oordeel niet anders maakt. Voor rente is dan ook geen ruimte.
2.8.
Wat eisende partij heeft opgemerkt over de buitengerechtelijke kosten leidt evenmin tot een andere uitkomst. Ondanks de verwijzing naar de wettelijke regeling, maakt het beding het mogelijk daarvan af te wijken, nu geen vereiste wordt gesteld over de veertiendagenbrief als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Dat maakt het beding oneerlijk.
2.9.
Voor zover het gevorderde niet is toegewezen op grond van de primaire grondslag, te weten de leaseovereenkomst, kan de subsidiaire grondslag (onrechtmatige daad) eisende partij niet baten, vanwege de oneerlijke bedingen en de gevolgen daarvan. Niet kan worden aanvaard dat een partij economisch voordeel haalt uit haar onrechtmatige gedrag – waaronder wordt verstaan het hanteren van oneerlijke bedingen – noch dat zij wordt gecompenseerd voor de nadelen die daardoor worden veroorzaakt (ECLI:EU:C:2023:478, punt 81: het “nemo auditur propriam turpitudinem allegans” (NAPTA) beginsel). De lange termijndoelstelling van artikel 7 lid 2 van Pro Richtlijn 93/13 EG – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – zou in het gedrang komen wanneer eisende partij alsnog een vergoeding zou kunnen krijgen terwijl zij in haar overeenkomsten oneerlijke bedingen hanteert.
2.10.
Wat eisende partij in haar akte heeft opgemerkt leidt dan ook niet tot een ander oordeel dan verwoord in het tussenvonnis. Het toewijsbare gedeelte van de vordering bestaat dan ook enkel uit de onbetaald gelaten leasetermijnen tot de datum van ontbinding, de afrekening van het gereden aantal kilometers en de herstelkosten van de schade. Dat komt in totaal neer op een bedrag van € 7.198,00. Dat bedrag wordt aan hoofdsom toegewezen, omdat het niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Het meerdere wordt afgewezen, om de redenen genoemd in het tussenvonnis en dit vonnis.
2.11.
Bij deze uitkomst wordt gedaagde partij met de proceskosten (inclusief nakosten) belast. Nu een gedeelte van de vordering is afgewezen, wordt gedaagde partij slechts veroordeeld in de proceskosten die corresponderen met het toegewezen gedeelte van de vordering. Het meer betaalde blijft voor rekening van eisende partij. Met inachtneming hiervan worden de proceskosten van eisende partij begroot op:
- kosten van de dagvaarding
113,54
- griffierecht
524,00
- salaris gemachtigde
360,00
(1 punt × € 360,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.069,54

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 7.198,00 aan hoofdsom,
3.2.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 1.069,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.
991