ECLI:NL:RBAMS:2026:3015

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
10965924 \ CV EXPL 24-2281
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230v BWArt. 21 RvVerordening (EU) nr. 1215/2012Verordening (EG) nr. 593/2008Richtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende toetsing consumentenrecht en informatieplicht

Zalando Payments GmbH vordert betaling van een restantbedrag van €63,18 van gedaagde, voortvloeiend uit koopovereenkomsten uit 2019. De rechtbank toetst ambtshalve de bevoegdheid en het toepasselijke recht en bevestigt dat Nederlands recht van toepassing is. De vordering is een restant na eerdere gedeeltelijke toewijzing.

De rechtbank onderzoekt of aan de informatieplichten uit het consumentenrecht is voldaan en of de algemene voorwaarden kunnen worden getoetst op oneerlijke bedingen conform Richtlijn 93/13 EG. De dagvaarding verwijst naar eerdere stukken uit 2021, maar deze voldoen niet aan de eisen voor toetsing. De overgelegde schermafdrukken dateren van 2020 en zijn niet representatief voor het bestelproces in 2019.

Daarnaast zijn de algemene voorwaarden niet overgelegd, waardoor toetsing op oneerlijke bedingen niet mogelijk is. De enkele verwijzing naar een link volstaat niet. Eisende partij heeft onvoldoende gesteld en niet voldaan aan haar stelplicht, waardoor de vordering wordt afgewezen. De proceskosten worden aan eisende partij opgelegd, begroot op nihil aan de zijde van gedaagde.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van informatieplichten en het ontbreken van algemene voorwaarden voor toetsing op oneerlijke bedingen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10965924 \ CV EXPL 24-2281
Vonnis van 27 februari 2026
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
ZALANDO PAYMENTS GMBH,
gevestigd te Berlijn (Duitsland),
eisende partij,
gemachtigde: R. Slagman,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 maart 2024,
- het herstelexploot van 10 april 2024, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Vanwege de buitenlandse vestigingsplaats van eisende partij moet de kantonrechter ambtshalve de bevoegdheid van de Nederlandse rechter toetsen. Geoordeeld wordt dat de kantonrechter op grond van artikel 4 lid 1 van Pro de in deze toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Op grond van Verordening 593/2008 (Rome I) is Nederlands rechts van toepassing.
2.2.
Eisende partij vordert veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 63,18 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente en de proceskosten. De vordering bedroeg oorspronkelijk € 548,16. Eisende partij heeft gedaagde partij eerder in rechte betrokken en haar vordering toen beperkt tot € 500,00 onder uitdrukkelijke reservering van het meerdere. Bij verstekvonnis van 17 september 2021 is dat bedrag toegewezen. In deze procedure wordt het meerdere gevorderd, waarvan minnelijk, ondanks herhaalde aanmaning daartoe, geen betaling is te verkrijgen.
2.3.
In de dagvaarding verwijst eisende partij voor de gronden van haar vordering naar de eerdere dagvaarding van 24 juni 2021. Daaruit volgt dat gedaagde partij in 2019 meerdere goederen heeft gekocht via de website van Zalando.
2.4.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.5.
Het verstekvonnis waarin het beperkte gedeelte van de vordering is toegewezen dateert van 17 september 2021, derhalve vóór het Arvato-arrest van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677).
2.6.
Uit het verstekvonnis blijkt niet dat de bedingen in de op de overeenkomsten van toepassing verklaarde algemene voorwaarden, die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd zijn getoetst op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn. Daarom zal deze toets alsnog moeten plaatsvinden. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter, ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op een bepaald beding in de overeenkomst, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
2.7.
Het resterende gedeelte van de vordering dat in deze procedure wordt gevorderd dient dan ook met inachtneming van de (ontwikkelingen in onder andere de) hiervoor aangehaalde jurisprudentie te worden beoordeeld.
2.8.
Eisende partij en haar gemachtigde zijn repeatplayers. Zij worden geacht bekend te zijn met de informatie en stukken die (ten tijde van het indienen van de inleidende dagvaarding van deze procedure, te weten 26 februari 2024) moeten worden verstrekt om vorenbedoeld ambtshalve onderzoek te kunnen uitvoeren. Vast beleid is (en was in 2021) dat er geen tussenvonnis wordt gewezen waarin eventueel ontbrekende informatie of stukken worden opgevraagd.
2.9.
De kantonrechter stelt vast dat de dagvaarding uit 2021, waarnaar eisende partij in deze procedure verwijst, niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, reden waarom de vordering moet worden afgewezen.
2.10.
Gelet op de gestelde wijze van totstandkoming van de overeenkomst, is sprake van een overeenkomst op afstand, zodat gemotiveerd moet zijn gesteld dat is voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230v lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW). Indien in de dagvaarding onvoldoende is gesteld om de informatieplichten te kunnen toetsen, is de vordering niet toewijsbaar (ECLI:NL:HR:2021:1677, overweging 3.1.17). Daarvan is hier sprake.
2.11.
De koopovereenkomsten zijn gesloten in 2019, terwijl de schermafdrukken die eisende partij in het geding heeft gebracht ter onderbouwing van haar stelling dat zij heeft voldaan aan de informatieplichten dateren van 2020. Nu de kantonrechter niet beschikt over schermafdrukken van het bestelproces ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, kan niet worden getoetst op eisende partij destijds tegenover gedaagde partij aan haar informatieplichten heeft voldaan. Dat de kantonrechter in het verstekvonnis destijds is ingegaan op de inhoud van de schermafdrukken, maakt dit niet anders, nu deze beoordeling plaatsvond op een moment dat hierover door de Hoge Raad nog geen duidelijkheid was gegeven.
2.12.
Verder zijn de algemene voorwaarden niet overgelegd, waardoor de bedingen niet kunnen worden getoetst op oneerlijkheid. Weliswaar heeft eisende partij een link vermeld in de dagvaarding, maar een link heeft bij deze rechtbank – naar vast en ongewijzigd beleid – nimmer volstaan. Algemene voorwaarden dienen op papier te worden overgelegd.
2.13.
Eisende partij heeft de voor de beoordeling van belang zijnde informatie en stukken niet volledig aangevoerd, door te volstaan met de enkele verwijzing naar de gedateerde dagvaarding uit 2021. Hierdoor heeft eisende partij het de kantonrechter onmogelijk gemaakt om zijn taak, te weten het geven van een goede beslissing na toetsing van (de totstandkoming van) de overeenkomst, uit te voeren. Eisende partij heeft dan ook niet voldaan aan haar stelplicht. Dat geeft aanleiding de vordering af te wijzen op grond van artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.14.
Eisende partij wordt bij deze uitkomst veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van gedaagde partij worden begroot op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vordering af,
3.2.
veroordeelt eisende partij in de proceskosten, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026.
991