Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3009

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
C/13/780303 / FA RK 25-9622
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 1:100 BWArtikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelselsArtikel 26, lid 1 onder a, Verordening huwelijksvermogensstelselsArtikel 820 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en verdeling huwelijksgemeenschap zonder vergoeding lening

Partijen zijn gehuwd op 20 april 2023 te Denemarken en hebben hun eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats in Nederland gevestigd. De verzoeker heeft verzocht de echtscheiding uit te spreken wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk. De rechtbank stelt vast dat zij rechtsmacht heeft en dat Nederlands recht van toepassing is op het verzoek tot echtscheiding.

De rechtbank wijst het verzoek tot echtscheiding toe omdat dit niet is weersproken en voldoet aan de wettelijke vereisten. Daarnaast beveelt de rechtbank partijen om over te gaan tot verdeling van de huwelijksgemeenschap bij een notaris. De verzoeker had tevens gevorderd dat de wederpartij een lening van €3.040 aan hem zou vergoeden, maar dit verzoek wordt afgewezen omdat niet is onderbouwd dat dit vergoedingsrecht past binnen een verdeling bij helfte.

De rechtbank benoemt een notaris voor het geval partijen niet binnen veertien dagen overeenstemming bereiken over de keuze van een notaris. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit en beveelt verdeling van de huwelijksgemeenschap, maar wijst het verzoek tot vergoeding van de lening af.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken
zaaknummer / rekestnummer: C/13/780303 / FA RK 25-9622
Beschikking van 25 maart 2026 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[verzoeker]
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen [verzoeker] ,
advocaat mr. A. Vogelaar, gevestigd te Krommenie,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen [verweerder] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van [verzoeker] , ingekomen op 11 december 2025;
- het betekeningsexploot.
1.2.
Binnen de daarvoor gestelde termijn is door [verweerder] geen verweerschrift ingediend.

2.De beoordeling

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op 20 april 2023 te [plaats] , Denemarken. [verzoeker] heeft de Braziliaanse en de Israëlische nationaliteit. [verweerder] heeft de Braziliaanse nationaliteit.
2.2.
Scheiding
2.2.1.
[verzoeker] heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.2.2.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
2.2.3.
Op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
2.2.4.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.
2.3.
Verdeling
2.3.1.
[verzoeker] heeft verzocht partijen te veroordelen met elkaar over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap, voor zover aanwezig en de heer [verweerder] te gelasten de lening ad € 3.040 binnen twee weken na afgifte van de beschikking in te lossen bij de heer [verzoeker] .
2.3.2.
Nu de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II-ter Verordening rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
2.3.3.
Op het huwelijksvermogensstelsel van partijen is de Verordening huwelijksvermogensstelsels van toepassing.
Niet is gesteld of gebleken dat partijen ten aanzien van het huwelijksvermogensstelsel een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.
Krachtens artikel 26, lid 1 onder a van de Verordening wordt het huwelijksvermogensstelsel beheerst door het Nederlandse recht, nu partijen na de huwelijkssluiting hun eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben gevestigd in Nederland.
2.3.4.
Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.
2.3.5.
Op grond van artikel 1:100 BW Pro dient de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap bij helfte te worden verdeeld, tenzij partijen (bij echtscheidingsconvenant) zijn overeengekomen af te wijken van de verdeling bij helfte of dat uit de redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit. Hiervan is de rechtbank niet gebleken. De door [verzoeker] gestelde lening zou zijn opgekomen tijdens het huwelijk, en maakt zodoende aan de actief en passief zijde onderdeel van de gemeenschap. De rechtbank kan het verzoek zonder nadere toelichting niet toewijzen. De rechtbank zal daarom bepalen, nu daartegen geen verweer is gevoerd, dat het verzoek tot het veroordelen van partijen om met elkaar over te gaan tot verdeling wordt toegewezen als na te melden.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] , Denemarken op 20 april 2023;
3.2.
beveelt partijen over te gaan tot verdeling van hun gemeenschap ten overstaan van een notaris;
3.3.
benoemt, voor het geval partijen het binnen veertien dagen na inschrijving van de beschikking tot echtscheiding over de keuze van een notaris niet eens zijn, mr. H. Mol, notaris te Amsterdam, of diens waarnemer of opvolger;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.B. Sluijs, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van den Berg op 25 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv Pro openlijk bekend is gemaakt.