In deze civiele zaak staat centraal de vraag wat de gevolgen zijn van een strafrechtelijk sepot voor een lopende civiele procedure waarin een bankgarantie is gesteld ter zekerheid van een beslag. De rechtbank verwijst naar een eerder tussenvonnis waarin onvoldoende bewijs was voor onrechtmatig handelen van de gedaagde jegens eiser. De strafrechtelijke vervolging is geseponeerd wegens verjaring, maar het strafrechtelijk onderzoek kan nog worden heropend.
De gedaagde vordert opzegging van de bankgarantie en vergoeding van de kosten daarvan, terwijl eiser de zaak wil aanhouden in afwachting van een mogelijk strafrechtelijk vervolg. De rechtbank overweegt dat ondanks het sepot de mogelijkheid van een toekomstige strafrechtelijke vervolging niet is uitgesloten, waardoor het belang bij handhaving van de bankgarantie blijft bestaan.
De rechtbank bepaalt daarom dat zekerheid moet worden gesteld voor de schade die door het beslag en de bankgarantie wordt veroorzaakt, en beveelt eiser de bankgarantie op te zeggen tenzij binnen twee weken een zekerheid van € 5.000 wordt gesteld. Indien eiser niet aan deze verplichting voldoet, wordt gedaagde gemachtigd de bankgarantie namens eiser op te zeggen.
De zaak wordt aangehouden voor een eindvonnis nadat de beslissing van het gerechtshof over het strafrechtelijk vervolg bekend is. Tot die tijd worden verdere beslissingen aangehouden.