ECLI:NL:RBAMS:2026:2924

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
13/313280-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 366a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging diefstal met braak wegens onvoldoende bewijs eigendom fiets

De rechtbank Amsterdam behandelde op 4 maart 2026 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van poging diefstal met braak van een fiets. Verdachte werd aangetroffen terwijl hij met een slijptol het slot van een fiets probeerde te openen. De officier van justitie stelde dat dit bewijs was voor poging diefstal.

De verdediging voerde aan dat verdachte eigenaar was van de fiets, die hij van een oude buurjongen had gekocht, en dat hij het slot wilde openen omdat hij zijn sleutel was verloren. Er was geen aangifte van diefstal of vermissing van de fiets en geen ander bewijs dat de fiets aan een ander toebehoorde.

De rechtbank oordeelde dat het tenlastegelegde niet bewezen kon worden omdat niet kon worden vastgesteld dat de fiets eigendom was van een ander dan verdachte. De verklaring van verdachte werd niet onaannemelijk geacht. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastelegging.

Daarnaast wees de rechtbank een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf af, omdat verdachte werd vrijgesproken. De inbeslaggenomen goederen werden in bewaring gegeven ten behoeve van de rechthebbende, omdat niet kon worden vastgesteld wie de eigenaar was.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging diefstal met braak wegens onvoldoende bewijs dat de fiets aan een ander toebehoorde.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/313280-25
Parketnummer vordering tul: 13/271871-21
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd te: [detentieadres] ,
hierna: verdachte

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.T.A. de Ridder, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P. Jeeninga, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 19 november 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een tot op heden onbekend gebleven persoon, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die weg te nemen fiets onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreken,
- dichtbij voornoemde fiets een slijptol heeft aangezet en/of
- tegen het (hang)slot van die fiets met een slijptol heeft geslepen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit. Uit het dossier blijkt dat verbalisanten verdachte gehurkt bij een fiets hebben aangetroffen, terwijl hij met een slijptol bij het slot bezig was. De verbalisanten hoorden daarbij een slijpend geluid. Bij de fouillering bleek dat verdachte een slijptol en ander gereedschap bij zich had, dat door de verbalisanten als inbrekerswerktuig wordt omschreven. Gelet op de omstandigheden waaronder de verdachte is aangetroffen en de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen, kan worden geconcludeerd dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal van de fiets door middel van braak.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit en heeft daartoe aangevoerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de fiets aan een ander dan verdachte toebehoorde. Het dossier bevat geen aangifte van diefstal of vermissing van de fiets en verdachte heeft bij zijn aanhouding verklaard dat hij de eigenaar van de fiets was en dat hij deze van een oude buurjongen heeft gekocht. Hij probeerde het slot door te slijpen omdat hij zijn fietssleutel verloren was.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het tenlastegelegde niet bewezen en overweegt daartoe als volgt. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de fiets aan een ander dan verdachte toebehoorde. Er is geen aangifte van de diefstal gedaan en geen ander bewijs voorhanden waaruit blijkt dat de fiets eigendom is van een ander. Daarom kan niet worden uitgesloten dat verdachte de eigenaar van de fiets is. De verklaring van verdachte dat hij de eigenaar van de fiets is, acht de rechtbank dan ook niet onaannemelijk.

4.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 30 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/271871-21, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 19 oktober 2021 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, omdat verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde feit.

5.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
  • 3 STK Gereedschap (goednummer: BZAU4229);
  • 2 STK Gereedschap (goednummer: BZAU4233);
  • 1 STK Schaar (goednummer: BZAU4241);
  • 1 STK Gereedschap (goednummer: BZAU4239);
  • 1 STK Gereedschap (goednummer: BZAU4236);
  • 1 STK Gereedschap (goednummer: BZAU4235);
  • 1 STK Schaar (goednummer: BZAU4234).
Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij deze goederen van een ander had geleend. Nu de goederen niet aan verdachte toebehoren en de rechtbank niet kan vaststellen wie de rechtmatige eigenaar van deze goederen is, zal zij daarvan de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

6.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Wijst af de vordering met parketnummer 13/271871-21 van de officier van justitie van 30 januari 2026.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze beslissing is afzonderlijk opgemaakt en ondertekend.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
  • 3 STK Gereedschap (goednummer: BZAU4229);
  • 2 STK Gereedschap (goednummer: BZAU4233);
  • 1 STK Schaar (goednummer: BZAU4241);
  • 1 STK Gereedschap (goednummer: BZAU4239);
  • 1 STK Gereedschap (goednummer: BZAU4236);
  • 1 STK Gereedschap (goednummer: BZAU4235);
  • 1 STK Schaar (goednummer: BZAU4234).
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.S. Dogan, voorzitter,
mrs. R.A. Overbosch en M. Bakhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. I. van Heusden en S. Kwiyasse, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 maart 2026.