Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2920

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
C/13/782836 / FA RK 26-904
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • C.M. Mellema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 822 lid 1 sub e RvArt. 824 lid 1 RvArt. 824 lid 2 RvArt. 826 lid 1 sub c Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verlaging voorlopige partneralimentatie na wijziging omstandigheden

Partijen zijn gehuwd sinds 2000 en de man is op grond van een beschikking van 3 december 2025 verplicht tot betaling van voorlopige partneralimentatie aan de vrouw. De man verzoekt de rechtbank om deze alimentatie te verlagen wegens gewijzigde omstandigheden en onjuiste gegevens bij de eerdere beschikking.

De man voert aan dat grievend gedrag van de vrouw, een strafrechtelijke veroordeling wegens mishandeling, de verkoop van de echtelijke woning met overwaarde, en schulden die hij draagt, aanleiding geven tot verlaging. De vrouw betwist deze gronden en stelt dat de rechtbank reeds op de hoogte was van het strafrechtelijk vonnis en dat de verkoop van de woning en schulden geen wijziging van omstandigheden vormen die een verlaging rechtvaardigen.

De rechtbank oordeelt dat de strafrechtelijke veroordeling geen nieuwe wijziging van omstandigheden inhoudt, de overwaarde woning niet mag worden aangewend voor levensonderhoud omdat de vrouw deze nodig heeft voor een nieuwe woning, en de schulden van de man beperkt en vermijdbaar zijn. Ook de woonlasten van de vrouw worden in aanmerking genomen. Ten aanzien van de kosten van de jongmeerderjarige zoon van partijen concludeert de rechtbank dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat onjuiste gegevens tot een wijziging leiden.

Gelet op deze overwegingen wijst de rechtbank het verzoek van de man af en blijft de voorlopige partneralimentatie ongewijzigd.

Uitkomst: Het verzoek tot verlaging van de voorlopige partneralimentatie wordt afgewezen en de oorspronkelijke beschikking blijft van kracht.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, team familie en jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/782836 / FA RK 26-904 (CM/SM)
Beschikking van 20 maart 2026 betreffende wijziging voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[vrouw] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna mede te noemen de man,
advocaat mr. S.M. Oor te Zeewolde,
tegen
[man] ,
wonende te Duitsland,
hierna mede te noemen de vrouw,
advocaat mr. M. Kaouass te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 4 februari 2026;
- het F9-formulier met bijlagen van de man van 27 februari 2026;
- het verweerschrift met bijlagen van de vrouw van 3 maart 2026;
- het F9-formulier met bijlagen van de vrouw van 5 maart 2026.
1.2.
De zaak is behandeld tijdens de mondelinge behandeling achter gesloten deuren op
6 maart 2026. Gehoord zijn:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de advocaat van de vrouw.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats] , op [datum] 2000.
2.2.
Partijen hebben beide de Nederlandse nationaliteit.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 3 december 2025, hersteld bij beschikking van
17 december 2025, heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de man met ingang van 24 oktober 2025 € 3.302,--- per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud, bij vooruitbetaling te voldoen. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de maandelijkse onderhoudsbijdrage op dit moment € 3.453,89 per maand.

3.Het verzoek, verweer en zelfstandig verzoek

3.1.
De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij wege van voorlopige voorzieningen, voor de duur van de echtscheidingsprocedure, zover de wet dat toelaat, de beschikking van 3 december 2025 (hersteld bij beschikking van
10 december 2025) te wijzigen en te bepalen dat de man per 24 oktober 2025, dan wel de datum van indiening van dit verzoekschrift, als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling een bedrag van € l .706,-- dient te betalen, althans een in goede justitie bijdrage vast te stellen vanaf een zodanige ingangsdatum als de rechtbank juist acht. Kosten rechtens.
3.2.
De vrouw verweert zich tegen het verzoek van de man en verzoekt de rechtbank primair de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot wijziging van de partneralimentatie en subsidiair het verzoek van de man af te wijzen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4.De beoordeling

De rechtbank overweegt op voorhand dat het hier gaat om een procedure (wijziging van) voorlopige voorzieningen. Bij de beoordeling van de verzoeken stelt de rechtbank voorop dat deze voorzieningen bedoeld zijn als een ordemaatregel voor de duur van de procedure tot ontbinding van het huwelijk. De rechtbank zal daarom volstaan met een korte motivering.
4.1.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De rechtbank heeft ambtshalve onderzocht of zij rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is op de voorliggende verzoeken. Dit onderzoek heeft geleid tot de conclusie dat de rechtbank rechtsmacht heeft en dat het Nederlandse recht van toepassing is op de verzoeken.
4.2.
Wettelijk kader
4.2.1.
Op grond van artikel 822 lid Pro 1, aanhef onder e, van het Wetboek van Rechtsvordering (hierna: RV) kan de rechter voor de duur van het geding het bedrag bepalen dat de ene echtgenoot moet betalen voor het levensonderhoud van de andere echtgenoot. Die beslissing behoudt haar kracht totdat de beslissing op een verzoek om partneralimentatie in kracht van gewijsde is gegaan (artikel 826 lid 1 onder Pro c Rv). Tegen een beslissing waarin voorlopige partneralimentatie is bepaald, staat geen hogere voorziening open, behoudens cassatie in belang der wet (artikel 824 lid 1 Rv Pro).
4.2.2.
Uit artikel 824 lid 2 Rv Pro volgt dat een op grond van artikel 822 Rv Pro gegeven beschikking kan worden gewijzigd of ingetrokken door de rechtbank die of het gerechtshof dat de beschikking heeft gegeven, indien de omstandigheden na de dagtekening der beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven. Dit betekend dat niet iedere wijziging in de omstandigheden en niet iedere onjuistheid van de oorspronkelijke gegevens tot een wijziging van de beschikking kunnen leiden. Alleen in evidente, zeer sprekende gevallen, is een wijziging gerechtvaardigd.
4.2.3.
De rechtbank dient in de onderhavige procedure een antwoord te geven op de vraag of de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking voorlopige voorzieningen van 3 december 2025 (hersteld bij beschikking van 10 december 2025) in zodanige mate zijn gewijzigd of dat bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven.
4.3.
Beoordeling
4.3.1.
De man stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden ten opzichte van de beschikking uit december, maar ook dat de rechtbank destijds van onjuiste en onvolledige gegevens is uitgegaan. Dit heeft geresulteerd in een zeer evident en sprekend geval waarbij alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de handhaving van de voorziening niet in
stand kan blijven. De rechtbank zal de stellingen van de man hierna één voor één behandelen.
Gewijzigde omstandigheden
Grievend gedrag
4.3.2.
De man stelt zich allereerst op het standpunt dat er sprake is van grievend gedrag van de vrouw richting de man die het in stand laten van de beschikking niet rechtvaardigt. Na de beschikking van de voorzieningenrechter heeft de strafrechter een vonnis gewezen in een incident tussen partijen. De vrouw is daarbij veroordeeld wegens mishandeling van de man op de dag dat partijen de relatie in augustus 2025 feitelijk hebben verbroken. De voorzieningenrechter was volgens de man niet op de hoogte van dit vonnis omdat het nog niet was afgegeven voor die datum. De gedragingen die de vrouw ten laste zijn gelegd en die door de strafrechter bewezen en strafbaar zijn bevonden, zijn aldus niet in de procedure meegenomen. De man meent dat de vrouw zich met haar handelen schuldig heeft gemaakt aan grievend gedrag en dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw van hem een bijdrage in haar levensonderhoud verlangt.
4.3.3.
De vrouw stelt dat de mishandeling waarvoor zij thans is veroordeeld ook reeds is aangehaald op de eerste mondelinge behandeling bij de voorzieningen rechter op 18 november 2025. De vrouw had de dagvaarding toen reeds ontvangen. De rechtbank was hiervan dus reeds op de hoogte bij het wijzen van de beschikking. Gelet op het voorgaande is dit dan ook geen wijzigingsgrond.
4.3.4.
Gebleken is dat het door de man aangehaalde incident tussen hem en de vrouw heeft plaatsgevonden in augustus 2025 op de dag dat partijen hun relatie feitelijk hebben verbroken. Bovendien heeft de vrouw onbetwist gesteld dat deze gedragingen reeds ter zitting ter sprake zijn gekomen. Van gewijzigde omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de beschikking van
3 december 2025 is dan ook geen sprake. Een strafrechtelijke veroordeling nadien maakt dit niet anders, althans de man heeft onvoldoende toegelicht waarom een strafrechtelijke veroordeling in dit geval leidt tot een wijziging van omstandigheden.
Overwaarde woning
4.3.5.
De man stelt verder dat partijen op 2 februari 2026 de echtelijke woning hebben geleverd aan een derde en zij beide in dit kader een bedrag van ruim € 200.000,-- hebben ontvangen. De man stelt dat de vrouw door in te teren op dit bedrag, of in ieder geval een gedeelte van dit bedrag, in haar eigen levensonderhoud moet kunnen voorzien.
4.3.6.
De vrouw stelt ten eerste dat de verkoop van de echtelijke woning reeds gaande was ten tijde van de eerste voorlopige voorzieningenprocedure. Bovendien kan niet van haar verlangd worden dat zij inteert op het vermogen dat zij thans heeft ontvangen uit de verkoop van de echtelijke woning. De vrouw wil dit bedrag, evenals de man, namelijk gaan gebruiken om een andere woning aan te kopen. Thans woont zij bij haar ouders, maar dit is geen langdurige oplossing voor haar woonsituatie. Zij heeft dit geld dan ook hard nodig om haar leven weer op te bouwen.
4.3.7.
Vaststaat dat beide partijen op 2 februari 2025 ruim € 200.000,-- hebben ontvangen bij de levering van hun woning. In zoverre is er sprake van een wijziging van omstandigheden na afgifte van de beschikking op 3 december 2025. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit evenwel niet tot de conclusie dat er sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 824 lid 2 Rv Pro. Niet in geschil is dat de vrouw een WIA-uitkering van € 835,-- per maand ontvangt en daarnaast een pensioenuitkering van
€ 565,-- per maand. De vrouw zal daarom (onder meer) een woning uit eigen middelen moeten financieren. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet van de vrouw mag worden verwacht dat zij inteert op haar vermogen.
Schuldenlast
4.3.8.
De man stelt dat hij na de beschikking voorlopige voorzieningen van 3 december 2025 is geconfronteerd met een tweetal schulden. Een schuld bij ICS Mastercard en een schuld bij Infomedics. Deze schulden vloeien voort uit het huwelijk van partijen. De man geeft aan inmiddels op deze schulden af te lossen. Uit de door de man overgelegde correspondentie van ICS Mastercard en Infomedics van respectievelijk 24 en 25 november 2025, blijkt dat hij met deze instanties op deze data een betalingsregeling is overeengekomen van respectievelijk € 75,-- en € 229,-- per maand.
4.3.9.
De vrouw stelt dat zij niet van het bestaan van deze schulden afwist. Daarbij stelt zij dat deze schulden mee zullen worden genomen in de afwikkeling van het huwelijksvermogen van partijen. Dit zijn volgens de vrouw ook vermijdbare lasten.
4.3.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat bij de beschikking van 3 december 2025 geen rekening is gehouden met de thans door de man opgevoerde schulden. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit evenwel niet tot de conclusie dat er sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 824 lid 2 Rv Pro.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de totale schuld bij Infomedics in november 2025 € 1.148,48 bedroeg. Uit de stukken blijkt niet hoe hoog de totale schuld destijds was bij ICS Mastercard. Deze schulden zullen bij de afwikkeling van het huwelijkse vermogen van partijen worden meegenomen. Gelet op de op het feit dat de schulden beperkt in omvang zijn en de man een aanzienlijke overwaarde heeft ontvangen bij de levering van de echtelijke woning op 2 februari 2026 kan hij deze schulden bij ICS Mastercard en Infomedics in zijn geheel aflossen. Dit maakt dat deze schulden in het kader van de berekening van zijn draagkracht vermijdbaar zijn en derhalve zijn draagkracht niet beperken.
Woonlast vrouw
4.3.11.
De man stelt dat de vrouw inmiddels naar Duitsland is verhuisd en bij haar ouders woont. Zij heeft geen woonlasten meer.
4.3.12.
De vrouw betwist dit en stelt dat zij € 700,-- per maand betaalt aan haar ouders voor woonlasten. Zij brengt tevens een verklaring in het geding van haar ouders waaruit dit zou blijken. Daarbij stelt zij op zoek te zijn naar zelfstandige woonruimte.
4.3.13.
De rechtbank heeft bij de berekening van de draagkracht van de vrouw rekening heeft gehouden met een woonbudget van € 350,-- per maand. De rechtbank ziet geen aanleiding om geen rekening te houden met een woonbudget aan de zijde van de vrouw. De vrouw verblijft tijdelijk bij haar ouders en is opzoek naar vervangende woonruimte.
Onjuiste en onvolledige gegevens
De kosten van [persoon]
4.3.14.
De man stelt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de kosten van [persoon] , de jongmeerderjarige zoon van partijen.
4.3.15.
De vrouw stelt dat de kosten voor [persoon] in de voorgaande voorlopige voorzieningenprocedure wel degelijk zijn besproken. De vrouw stelt dat de man pas bedragen aan [persoon] is gaan overmaken na de afgifte van de beschikking van de voorzieningenrechter.
4.3.16.
De rechtbank maakt uit de door de man in deze procedure als productie 6 overgelegde stukken op dat de man in de afgelopen maanden diverse kosten voor [persoon] heeft voldaan. In zoverre is de rechtbank uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit evenwel niet tot de conclusie dat er sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 824 lid 2 Rv Pro. Ter toelichting het volgende.
Tussen partijen staat vast dat de behoefte van [persoon] op basis van de WSF-norm kan worden vastgesteld op een bedrag van € 1.094,12 per maand. Dit normbedrag ziet op de kosten van zijn levensonderhoud. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met zijn collegegeld ter hoogte van € 216,75 per maand. Daarmee komt de totale behoefte van [persoon] volgens partijen uit op € 1.310,87 per maand. De basisbeurs van € 314,-- per maand strekt in mindering op de behoefte van [persoon] . Na aftrek van de basisbeurs resteert dan ook in beginsel een aanvullende behoefte van € 996,87 per maand, zijnde afgerond € 997,-- per maand. Hierover zijn partijen het eens.
Geleken is dat de ouders van de vrouw met regelmaat bedragen aan [persoon] overmaken, waarmee [persoon] deels voorziet in zijn levensonderhoud. De vrouw heeft stortingsbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat [persoon] in 2025 in totaal een bedrag van € 3.630,-- heeft ontvangen, wat neerkomt op een bedrag van € 302,50 per maand. Partijen zijn het er over eens dat de financiële bijdrage die [persoon] ontvangt van de ouders van de vrouw in mindering strekt op zijn aanvullende behoefte.
Voorts is [persoon] (incidenteel) werkzaam als industrieel designer. Tussen partijen is in geschil wat de omvang van zijn inkomen bedraagt. Voordat [persoon] is gaan werken, kon hij aanspraak maken op een studietoeslag. In 2025 bedroeg deze studietoeslag afgerond € 301,-- per maand. Nadat [persoon] is gaan werken kon hij niet langer aanspraak maken op deze toeslag. De rechtbank is niet bekend met het huidige inkomen van [persoon] . De rechtbank gaat er gelet op het voorgaande vanuit dat het inkomen van [persoon] minimaal € 301,-- per maand bedraagt, dan wel dat hij opnieuw aanspraak kan maken op voornoemde studietoelage van € 301,-- per maand.
De vrouw heeft verder een afschrift aan de rechtbank overgelegd waar uit blijkt dat [persoon] een spaarrekening heeft waarop op 31 december 2024 een saldo stond van € 14.700,--. De vrouw stelt dat partijen deze spaarrekening in het verleden hebben afgesloten voor [persoon] , zodat hij daarmee in de toekomst zijn collegegeld zou kunnen betalen. De vrouw stelt dan ook dat [persoon] in de afgelopen jaren zijn collegegeld telkens van deze spaarrekening heeft betaald. Nu de man deze stelling van de vrouw onvoldoende heeft betwist en de rechtbank het aannemelijk acht dat [persoon] zijn collegegeld van voornoemd spaarsaldo voldoet, gaat de rechtbank er vanuit dat [persoon] in ieder geval zijn collegegeld van € 216,75 per maand vanaf deze spaarrekening betaald.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat de aanvullende behoefte van [persoon] niet meer dan € 176,75 per maand (te weten € 997,-- - € 302,50 - € 301,-- - € 216,75) bedraagt. Gelet op het feit dat de man vóór 3 december 2025 geen aanzienlijke bijdrage aan [persoon] voldeed en [persoon] over voornoemde spaarrekening beschikt, gaat de rechtbank ervan uit dat de man enkel incidentele kosten voor [persoon] voldoet. Dat deze bedragen niet zijn meegenomen in het kader van de beschikking van
3 december 2025 maakt niet dat er sprake is van een geval waarbij is uitgegaan van zodanig onjuiste of onvolledige gegevens, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de door de man te betalen partneralimentatie niet in stand kan blijven.
Behoefte vrouw
4.3.17.
De man heeft zich verder nog op het standpunt gesteld dat de behoefte van de vrouw te hoog is vastgesteld. De behoefte van de vrouw bedraagt volgens de man € 4.101,-- per maand. Gelet op het feit dat de draagkracht van de man de beperkende factor betreft behoeft dit betoog van de man geen verdere bespreking.
4.3.18.
Mitsdien zal worden beslist als volgt.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek van de man af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Mellema, rechter tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.A. Marchal, griffier, op 20 maart 2026.