Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2888

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
25/032854
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.Ş. Doğan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 2 WVW 1994Art. 164 lid 4 WVW 1994Art. 164 lid 8 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beklag tegen invordering rijbewijs wegens alcoholoverschrijding ongegrond verklaard

De klager werd verdacht van het overtreden van artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, omdat op 8 december 2025 het alcoholgehalte in zijn adem hoger was dan 570 microgram per liter uitgeademde lucht. Naar aanleiding hiervan werd zijn rijbewijs ingevorderd en door de officier van justitie voor een periode van vier maanden onder zich gehouden.

De klager diende een klaagschrift in met het verzoek om teruggave van zijn rijbewijs, omdat hij dit nodig had voor zijn werk en om zijn kinderen op te halen. De officier van justitie wijzigde zijn standpunt en stelde voor het rijbewijs vanaf 6 februari 2026 terug te geven.

De rechtbank oordeelde dat de invordering van het rijbewijs rechtmatig was op grond van artikel 164 lid 4 WVW Pro 1994 en dat de officier van justitie zijn bevoegdheid redelijk had uitgeoefend. Gezien de ernst van het feit en het strafblad van de klager, waarbij geen eerdere rijontzeggingen waren opgelegd, achtte de rechtbank het aannemelijk dat een onvoorwaardelijke rijontzegging van langere duur zou volgen. Het beklag werd daarom ongegrond verklaard.

Na de zitting meldde het Openbaar Ministerie dat het rijbewijs reeds op 5 februari 2026 aan de klager was teruggegeven. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het beklag tegen de invordering van het rijbewijs wordt ongegrond verklaard en de invordering blijft rechtmatig.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
raadkamernummer : 25/032854
parketnummer : 96/334316-25
datum : 4 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) van:

[de klager] ,

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [woonadres] ,
hierna te noemen: de klager.

Feiten

Tegen de klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 8, tweede lid, WVW 1994, gepleegd te Amsterdam op 8 december 2026.
Het proces-verbaal houdt onder meer in dat het alcoholgehalte in zijn adem hoger was dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.
Op 8 december 2025 rijbewijs is op grond van het bovenstaande het rijbewijs van de klager ingevorderd.
De officier van justitie heeft vervolgens binnen tien dagen beslist het rijbewijs onder zich te houden voor een periode van 4 maanden tot uiterlijk 7 april 2026.
Het is onbekend wanneer de strafzaak tegen de klager zal worden behandeld.

Procedure

Het klaagschrift is op 18 december 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt en daarbij zijn standpunt gewijzigd in die zin dat het rijbewijs tot 6 februari 2026 ingevorderd moet blijven.
De rechtbank heeft op 4 februari 2026 het beklag in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, op zitting gehoord.
De klager is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Beklag

Het beklag strekt tot teruggave van het rijbewijs van de klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt.
Door de klager is aangevoerd dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk en om zijn kinderen in Hilversum op te halen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verklaard zich niet te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs met ingang van 6 februari 2026.

Beoordeling

De rechtbank overweegt het volgende.
De rechtbank acht de inhouding van het rijbewijs, op grond van artikel 164 lid 4 WVW Pro 1994 rechtmatig. De officier van justitie heeft in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
Uit het uittreksel justitiële documentatie (het strafblad) van de klager blijkt onder meer dat hem niet eerder een rijontzegging is opgelegd.
Gelet op de ernst van het feit waarvan de klager wordt verdacht, het strafblad van de klager en ondanks zijn persoonlijke omstandigheden moet ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de klager een onvoorwaardelijke rijontzegging zal worden opgelegd, van langere duur dan de tijd dat het rijbewijs is ingehouden. De rechtbank weegt daarbij mee dat de invordering gelet op het standpunt van de officier van justitie binnenkort zal eindigen.*
Het beklag zal dan ook ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
*Na de behandeling in raadkamer heeft het Openbaar Ministerie de rechtbank gemaild dat het rijbewijs reeds op 5 februari 2026 aan de klager was terug gezonden.
Deze beslissing is gegeven door
mr. A.Ş. Doğan, rechter,
in tegenwoordigheid van G. Jenuwein, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de klager en het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, voor het Openbaar Ministerie binnen veertien (14) dagen en voor de klager binnen veertien (14) dagen na de betekening van deze beslissing.