ECLI:NL:RBAMS:2026:2888
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.Ş. Doğan
- Rechtspraak.nl
Beklag tegen invordering rijbewijs wegens alcoholoverschrijding ongegrond verklaard
De klager werd verdacht van het overtreden van artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, omdat op 8 december 2025 het alcoholgehalte in zijn adem hoger was dan 570 microgram per liter uitgeademde lucht. Naar aanleiding hiervan werd zijn rijbewijs ingevorderd en door de officier van justitie voor een periode van vier maanden onder zich gehouden.
De klager diende een klaagschrift in met het verzoek om teruggave van zijn rijbewijs, omdat hij dit nodig had voor zijn werk en om zijn kinderen op te halen. De officier van justitie wijzigde zijn standpunt en stelde voor het rijbewijs vanaf 6 februari 2026 terug te geven.
De rechtbank oordeelde dat de invordering van het rijbewijs rechtmatig was op grond van artikel 164 lid 4 WVW Pro 1994 en dat de officier van justitie zijn bevoegdheid redelijk had uitgeoefend. Gezien de ernst van het feit en het strafblad van de klager, waarbij geen eerdere rijontzeggingen waren opgelegd, achtte de rechtbank het aannemelijk dat een onvoorwaardelijke rijontzegging van langere duur zou volgen. Het beklag werd daarom ongegrond verklaard.
Na de zitting meldde het Openbaar Ministerie dat het rijbewijs reeds op 5 februari 2026 aan de klager was teruggegeven. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beklag tegen de invordering van het rijbewijs wordt ongegrond verklaard en de invordering blijft rechtmatig.