Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2872

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
765738
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 FaillissementswetArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rabobank spreekt borgen aan voor restantvordering na faillissement vakantiewoningen

Rabobank heeft de borgen aangesproken voor betaling van hun borgtochten voor de restantvordering op een gefailleerde vennootschap die vakantiewoningen exploiteerde. De curator heeft in overleg met Rabobank de zekerheidsobjecten onderhands verkocht. De borgen stelden dat Rabobank haar zorgplicht schond door niet te streven naar een hogere opbrengst via executoriale verkoop en dat de curator onrechtmatig handelde door geen nakoming te vorderen van een voor faillissement gesloten koopovereenkomst.

De rechtbank oordeelt dat Rabobank als separatist de vrijheid heeft om zekerheden uit te winnen en dat zij zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid heeft ingespannen. De curator handelde binnen de ruime discretionaire bevoegdheid en volgens de Maclou-norm, waarbij een doorstart werd nagestreefd. De beweerde koopovereenkomst was niet afgerond en de curator had geen aanleiding om nakoming te vorderen.

De verkoopprijs van de vakantiewoningen was hoger dan de getaxeerde onderhandse waarde en executoriale verkoop zou niet noodzakelijkerwijs een hogere opbrengst hebben opgeleverd. De borgen konden geen schending van zorgplicht of onrechtmatig handelen aantonen. Daarom worden de vorderingen van Rabobank toegewezen en die van de borgen afgewezen. De borgen worden veroordeeld in de proceskosten van beide procedures.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de borgen tot betaling aan Rabobank en wijst de vorderingen tegen de curator af wegens geen schending van zorgplicht of onrechtmatig handelen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummers: C/13/765738 / HA ZA 25-780 (hoofdzaak)
en C/13/773331 HA ZA 25-1336 (vrijwaring)
Vonnis in de hoofdzaak en vrijwaringszaak van 18 maart 2026
in de hoofdzaak met nummer C/13/765738 / HA ZA 25-780 van
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd in Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Rabobank,
advocaat: mr. S. Kuipers,
tegen

1.[gedaagde 1 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] ,

wonende in [woonplaats 1] ,
2.
[gedaagde 2 in de hfdzk en eiser in de vrwzk],
wonende in [woonplaats 2] ,
3.
[gedaagde 3 in de hfdzk en eiser in de vrwzk],
wonende in [woonplaats 1] ,
4.
[gedaagde 4 in de hfdzk en eiser in de vrwzk],
wonende in [woonplaats 3] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: de borgen,
advocaat: mr. A.J.M. Dekkers.
en
in de vrijwaringszaak met nummer C/13/773331 HA ZA 25-1336 van

1.[gedaagde 1 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] ,

wonende in [woonplaats 1] ,
hierna: [gedaagde 1 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] ,
2.
[gedaagde 2 in de hfdzk en eiser in de vrwzk],
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna: [gedaagde 2 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] ,
3.
[gedaagde 3 in de hfdzk en eiser in de vrwzk],
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna: [gedaagde 3 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] ,
4.
[gedaagde 4 in de hfdzk en eiser in de vrwzk],
wonende in [woonplaats 3] ,
hierna: [gedaagde 4 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: de borgen,
advocaat: mr. A.J.M. Dekkers,
tegen
mr. [curator],
pro se en in hoedanigheid van curator in het faillissement van [gedaagde in de vrwzk] B.V.,
kantoorhoudende in [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Curator,
advocaat: mr. M.R. Lauxtermann.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure in de hoofdzaak (Rabobank tegen de borgen) blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 januari 2025, met producties,
- het vonnis in incident van 14 mei 2025,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 22 oktober 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overlegging productie van Rabobank,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 januari 2026.
1.2.
Het verloop van de procedure in de vrijwaringszaak (de borgen tegen de Curator) blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 juli 2025,
- de akte producties van de borgen,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 22 oktober 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 januari 2026.
1.3.
Daarna is in beide zaken vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 20 november 2007 is [gedaagde in de vrwzk] B.V. (hierna: [gedaagde in de vrwzk] ) opgericht. Zij exploiteerde vakantiewoningen, samen met de eigenaar van de grond waarop deze werden geplaatst. De grondeigenaar verleende aan [gedaagde in de vrwzk] een opstalrecht, maar [gedaagde in de vrwzk] bleef eigenaar van de vakantiewoningen. [gedaagde in de vrwzk] had meerdere locaties, waaronder de [locatie] met zes vakantiewoningen.
2.2.
De borgen waren ieder aandeelhouder van [gedaagde in de vrwzk] . [gedaagde 1 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] was ook bestuurder van [gedaagde in de vrwzk] .
2.3.
In maart 2008 heeft Rabobank voor de exploitatie van de vakantiewoningen financiering aan [gedaagde in de vrwzk] verstrekt. Daarbij heeft Rabobank een eerste recht van hypotheek op de vakantiewoningen gekregen en een eerste pandrecht op de voorraad van [gedaagde in de vrwzk] . Onderdeel van die voorraad waren opgeslagen onderdelen voor vakantiewoningen. De borgen hebben zich in het kader van de financiering borg gesteld voor alles wat Rabobank te vorderen heeft van [gedaagde in de vrwzk] . [gedaagde 1 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] heeft een borgtocht afgegeven voor een maximum van € 54.500,00, [gedaagde 2 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] voor € 7.000,00, [gedaagde 3 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] voor € 16.750,00 en [gedaagde 4 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] voor € 38.750,00.
2.4.
In juli 2022 zijn voor versnelde afwikkeling van de schulden van [gedaagde in de vrwzk] de vakantiewoningen op de [locatie] getaxeerd op een marktwaarde van € 107.000,00.
2.5.
Op 1 december 2022 heeft Rabobank haar financiering aan [gedaagde in de vrwzk] opgezegd en opgeëist per 1 maart 2023.
2.6.
Op 19 december 2022 hebben [gedaagde in de vrwzk] en de grondeigenaren van de [locatie] (hierna in enkelvoud: [naam] ) een document ondertekend met de titel “
Verklaring van overeenkomst”.
Daarin is opgenomen dat [gedaagde in de vrwzk] per 1 januari 2023 afstand doet van het opstalrecht op de locatie, en, voor zover van belang:
“(…)
Met het afstand doen van het recht van opstal en het overnemen van de eigendom is een bedrag overeengekomen van€ 75.000,- (…)
De afwikkeling van de nog openstaande verplichtingen van [gedaagde in de vrwzk] aan [naam] zullen met de verkoopprijs worden verrekend. Voor deze verrekening is een overzicht opgesteld die als bijlage is toegevoegd.
(…)
Het is de intentie van [naam] en [gedaagde in de vrwzk] om de samenwerking onder de noemer van [gedaagde in de vrwzk] nog een aantal jaren voort te zetten op basis van een franchise overeenkomst.(…)
Een voorbeeld van een dergelijke overeenkomst is als bijgevoegd.
(…)
De afwikkeling van de gehele transactie zal worden belegd bij een nader te kiezen notaris in Hoorn of omstreken.
De gehele transactie (…) wordt overeengekomen onder voorbehoud van toestemming van de Rabobank(…)
(…).”
2.7.
Op 21 februari 2023 heeft de notaris die was ingeschakeld voor de afwikkeling van de hiervoor bedoelde transactie aan [gedaagde in de vrwzk] en [naam] laten weten dat hun uitleg dat het verschil tussen de koopsom van € 75.000,00 en de taxatiewaarde van € 107.000,00 werd verklaard door achterstallig onderhoud ten bedrage van € 24.000,00 en de bijzondere relatie tussen partijen, niet toereikend was. De notaris heeft daarbij aan [gedaagde in de vrwzk] en [naam] gemeld dat zij op basis van de gegevens in haar dossier de koopsom als niet-marktconform en onzakelijk beschouwt, constateert dat [gedaagde in de vrwzk] er financieel niet goed voorstaat en meerdere schuldeisers heeft, en zelfs een risico bestaat dat de vennootschap op korte termijn failliet wordt verklaard. Op grond van dit alles is haar conclusie dat zij haar medewerking aan de afstand/overdracht moet opschorten omdat de transactie mogelijk paulianeus is.
2.8.
Op 22 februari 2023 is [gedaagde in de vrwzk] op verzoek van een derde failliet verklaard, met benoeming van de Curator als zodanig.
2.9.
In maart 2023 zijn de vakantiewoningen op de toen vijf locaties van [gedaagde in de vrwzk] en de opgeslagen onderdelen gewaardeerd. Voor de [locatie] is de onderhandse verkoopwaarde bepaald op € 36.500,00.
2.10.
In april 2023 heeft de Curator de activa van [gedaagde in de vrwzk] , waaronder de vakantiewoningen op de locaties en de opgeslagen onderdelen, aangeboden aan geïnteresseerden, waaronder de borgen. Geen van de geïnteresseerden heeft een bieding uitgebracht alle activa. [naam] heeft een bieding van € 42.900,00 gedaan voor de vakantiewoningen op de [locatie] . Deze vakantiewoningen zijn daarna door de Curator aan [naam] voor die prijs verkocht. Na aftrek van een boedelbijdrage is € 16.251,00 aan Rabobank als zekerheidsgerechtigde afgedragen.
2.11.
Op 13 november 2023 heeft Rabobank de borgen aangesproken tot betaling van hun borgtochten voor het restant van haar vordering ten belope van € 99.181,34. Daarna heeft Rabobank de datum van opeising van de borgtochten verlengd tot 31 januari 2024 en zijn partijen in overleg gegaan. Dit heeft niet tot een oplossing geleid.
2.12.
Rabobank heeft met twee andere borgen een regeling getroffen. Zij hebben samen € 40.479,00 aan Rabobank betaald.

3.Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.
Rabobank vordert, na eiswijziging, dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad,
I. [gedaagde 1 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] veroordeelt tot betaling van € 54.500,00,
II. [gedaagde 2 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] veroordeelt tot betaling van € 7.000,00,
III. [gedaagde 3 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] veroordeelt tot betaling van € 16.750,00,
IV. [gedaagde 4 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] veroordeelt tot betaling van € 38.750,00,
steeds vermeerderd met wettelijke rente vanaf 31 januari 2024,
V. onder de bepaling dat Rabobank voor de borgen gezamenlijk aanspraak kan maken op een bedrag van maximaal € 58.702,00 in hoofdsom, waaronder niet begrepen de wettelijke rente over de afzonderlijk door de borgen betaalde bedragen onder de borgstelling,
VI. de borgen hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De borgen voeren verweer en willen dat de vorderingen van Rabobank worden afgewezen, met veroordeling van Rabobank in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
in de vrijwaringszaak
3.3.
De borgen vorderen, na eiswijziging, dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad,
1. voor recht verklaart dat de Curator q.q. aansprakelijk is ten opzichte van de borgen voor de door hen geleden schade van € 22.982,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
31 januari 2024, of voor het mindere waartoe de borgen als gedaagden in de hoofdzaak mochten worden veroordeeld,
2. de Curator pro se veroordeelt tot betaling aan de borgen van de door hen geleden schade zoals toegewezen onder 1., voor zover de borgen die schade niet op de faillissementsboedel van [gedaagde in de vrwzk] kunnen verhalen,
3. de Curator veroordeelt in de proceskosten.
3.4.
De Curator betwist de vordering van de borgen en wil dat die wordt afgewezen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de borgen in de kosten van deze procedure.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, verder ingegaan.

4.De beoordeling

in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

De verwijten van de borgen aan Rabobank en aan de Curator
4.1.
De borgen verwijten Rabobank dat zij zich niet heeft ingespannen om een zo hoog mogelijke opbrengst te realiseren van de zekerheidsobjecten. Daarmee heeft Rabobank haar zorgplicht heeft geschonden en is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Rabobank een beroep doet op de borgtochten. Volgens de borgen zijn de vakantiewoningen op de [locatie] voor een te laag bedrag verkocht en zijn de andere zaken onterecht niet te gelde gemaakt. Rabobank had deze zaken volgens de borgen executoriaal moeten verkopen. Het verwijt van de borgen aan de Curator is dat zij geen nakoming heeft gevraagd van de voor faillissement met [naam] gesloten koopovereenkomst. Had zij dit wel gedaan, dan was voor de activa op de [locatie] een opbrengst van € 75.000,00 gerealiseerd in plaats van € 42.900,00.
Zorgplicht Rabobank bij uitwinning borgtochten
4.2.
Het uitgangspunt is dat Rabobank met zekerheidsrechten (zoals hypotheekrecht, pandrecht en borgtochten) de vrijheid heeft om te bepalen op welke manier en in welke volgorde zij haar zekerheden gaat uitwinnen. Dat geldt ook in faillissement, waarin Rabobank separatist is. Zij kan als pand- en hypotheekhouder handelen alsof er geen faillissement was (artikel 57 Faillissementswet Pro). Dit betekent dat als Rabobank ervoor kiest het hypotheek- en pandrecht uit te winnen, zij ook de vrijheid heeft om ervoor te kiezen zekerheidsobjecten door de curator (onderhands) te laten verkopen. Volgens vaste rechtspraak is Rabobank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, en rekening houdend met alle omstandigheden, gehouden zich in te spannen om te voorkomen dat zij een borg onder een borgtocht moet aanspreken. Als Rabobank hierin tekortschiet, kunnen de borgen zich met een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid tegen de aanspraak van Rabobank tot nakoming van de borgtochtovereenkomst verzetten.
Toets handelen Curator
4.3.
Als een curator bij de uitoefening van zijn/haar taak niet is gebonden aan regels, is het uitgangspunt dat aan hem/haar een ruime mate van vrijheid toekomt. [1] Bij het gebruikmaken van die vrijheid geldt de Maclou-norm die de Hoge Raad heeft geformuleerd in zijn arrest van 19 april 1996. [2] Deze norm houdt in dat een curator moet handelen zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn/haar taak met nauwgezetheid en inzet verricht. De Curator moet zich dus richten naar het belang van de boedel, maar het is in beginsel aan haar inzicht overgelaten op welke wijze en langs welke weg het beste aan dat belang kan worden bijgedragen. Bij toetsing aan de Maclou-norm moet worden beoordeeld of de Curator in de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot het handelen heeft kunnen komen. Bij deze laatste toets past volgens de Hoge Raad terughoudendheid. Voor persoonlijke aansprakelijkheid is immers nodig dat de Curator ook persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt van haar handelen. Daarvoor is vereist dat zij heeft gehandeld terwijl zij het onjuiste van haar handelen inzag of redelijkerwijs moest inzien.
Geen schending zorgplicht door Rabobank en geen onrechtmatig handelen Curator
4.4.
Van schending van de zorgplicht door Rabobank is in dit geval geen sprake en ook de Curator heeft niet onrechtmatig gehandeld bij de verkoop van de vakantiewoningen op de [locatie] . Dit wordt hierna toegelicht.
Curator
4.5.
De Curator heeft tijdens de zitting haar keuze voor verkoop aan [naam] toegelicht. Zij heeft ervoor gekozen alle geïnteresseerden te benaderen en een biedingsproces op te zetten met het doel een doorstart te realiseren. Voor een doorstart wordt een bieding gedaan op alle activa. Een doorstart leidt vaak tot de hoogste opbrengst en het is daarom gebruikelijk in een faillissement om te proberen een doorstart te bewerkstelligen. De borgen hebben zich op 10 maart 2023, kort na het uitspreken van het faillissement, als geïnteresseerden gemeld en zijn in het biedingsproces betrokken. Van een doorstart is het niet gekomen, omdat geen van de partijen interesse had in alle activa. Alleen [naam] heeft een bieding van € 42.900,00 gedaan op de vakantiewoningen van de [locatie] , waarvan hij grondeigenaar was. Deze bieding heeft de Curator geaccepteerd, omdat dit de enige bieding was en omdat die hoger was dan de getaxeerde onderhandse verkoopwaarde van € 36.500,00. De Curator zag geen aanleiding om nakoming te vragen van de beweerde koopovereenkomst met [naam] . Zij heeft in de eerste week van het faillissement van [gedaagde 1 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] het document met de titel “Verklaring van overeenkomst” (zie 2.6.) ontvangen. Door de titel, de bepaling over de verrekening en de franchiseformule, het ontbreken van de bijlage met het overzicht van de te verrekenen bedragen, was de Curator van mening dat hier niet ging om een afgeronde overeenkomst. Daarbij komt dat de borgen haar niet op de urgentie van een koopovereenkomst met [naam] hadden gewezen, terwijl zij zich wel als geïnteresseerden voor een doorstart hadden gemeld. Ook toen de borgen werden toegelaten tot het biedingsproces, hebben zij de Curator niet gewezen op een koopovereenkomst die bij nakoming zou leiden tot een opbrengst voor de boedel van € 75.000,00. Bovendien heeft [gedaagde 1 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] zelf op 27 maart 2023 aan de Curator, nadat zij vragen over de “Verklaring van Overeenkomst” had gesteld, verklaard dat formalisering van de koop met [naam] niet had plaatsgevonden, ook omdat er geen instemming van de Rabobank was voor het aangaan van de overeenkomst. Daarnaast wees [gedaagde 1 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] de Curator op de weigering van de notaris om mee te werken in verband met een paulianarisico, aldus steeds de Curator.
4.6.
Bij deze stand van zaken is het een begrijpelijke keuze van de Curator geweest om zich te richten op een doorstart en niet op de beweerde overeenkomst met [naam] . Dit betekent dat de Curator in redelijkheid tot haar handelen heeft kunnen komen. Daarmee is van onrechtmatig handelen en aansprakelijkheid van de Curator q.q., laat staan pro se, geen sprake. De vorderingen van de borgen op de Curator in vrijwaring stuiten hierop dus af.
Rabobank
4.7.
Ook het verwijt van de borgen aan Rabobank, dat zij zich onvoldoende heeft ingespannen voor een zo hoog mogelijke opbrengst te realiseren, gaat niet op. Allereerst zijn de vakantiewoningen op de [locatie] voor een hogere prijs verkocht dan de getaxeerde onderhandse verkoopwaarde (zie 4.5.). Daarmee kan, anders dan de borgen hebben aangevoerd, niet worden gezegd dat Rabobank die locatie voor een hogere prijs had kunnen verkopen. Het lag ook voor de hand lag dat Rabobank mee ging in de begrijpelijke keuze van de Curator voor het onderhands aanbieden van de activa (waaronder de zekerheidsobjecten) met het oog op een doorstart. De borgen hebben aangevoerd dat Rabobank met onderhandse verkoop van vakantiewoningen op drie locaties slechts € 29.251,00 heeft ontvangen, terwijl bij executoriale verkoop daarvan volgens het taxatierapport van maart 2023 een opbrengst € 157.000,00 zou zijn gerealiseerd. Of deze opbrengst met een executoriale verkoop zou zijn gerealiseerd is echter maar zeer de vraag. Allereerst wordt er in het algemeen vanuit gegaan dat een onderhandse verkoop meer oplevert dan een executoriale verkoop. Hier geldt bovendien dat in geval van verkoop van de vakantiewoningen aan andere partijen dan de grondeigenaren, deze worden gedemonteerd en vervoerd, wat de nodige kosten met zich meebrengt. Dit maakt dat koop van de vakantiewoningen eigenlijk alleen interessant is voor de grondeigenaren van de locaties, zoals [gedaagde 1 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] ook tijdens de zitting heeft bevestigd. Bovendien gaat het hier kennelijk om zaken waarvoor weinig interesse is en zijn deze ook daarom nog niet allemaal te gelde zijn gemaakt. Rabobank en de Curator hebben onweersproken gesteld dat er geen enkele belangstelling is geweest voor de opgeslagen onderdelen voor vakantiewoningen, die door de Curator ook zijn aangeboden in het biedingsproces.
4.8.
Dat Rabobank zich onvoldoende heeft ingespannen voor een zo hoog mogelijke opbrengst is dan ook niet gebleken. Daarmee is van een zorgplichtschending geen sprake. Dit betekent dat de vorderingen van Rabobank worden toegewezen. De wettelijke rente is, zoals gevorderd, toewijsbaar vanaf 31 januari 2024, het moment van opeisbaarheid van de borgstellingen.
Proceskosten
4.9.
De borgen zijn in de hoofdzaak in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rabobank worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding € 123,60
- griffierecht € 6.861,00
- salaris advocaat € 3.858,00 (2 punten x € 1.290,00, tarief V)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing
€ 16.738,20
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in de hoofdzaak zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.11.
De borgen zijn ook in de vrijwaringszaak in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van de curator betalen. Die worden begroot op:
- griffierecht € 1.374,00
- salaris advocaat € 1.672,00 (2 punten x € 836,00, tarief III)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing
€ 3.235,00

5.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] om aan Rabobank € 54.500,00 te betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 31 januari 2024 tot aan de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 2 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] om aan Rabobank € 7.000,00 te betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 31 januari 2024 tot aan de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 3 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] om aan Rabobank € 16.750,00 te betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 31 januari 2024 tot aan de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 4 in de hfdzk en eiser in de vrwzk] om aan Rabobank € 38.750,00 te betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 31 januari 2024 tot aan de dag van volledige betaling,
5.5.
dit alles met dien verstande dat Rabobank op de borgen gezamenlijk aanspraak kan maken op een bedrag van ten hoogste € 58.702,00 in hoofdsom, dus zonder rekening te houden met de toegewezen wettelijke rente,
5.6.
veroordeelt de borgen hoofdelijk in de proceskosten van € 16.738,20, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de borgen niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
veroordeelt de borgen hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.8.
verklaart dit vonnis tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de vrijwaringszaak
5.10.
wijst het gevorderde af,
5.11.
veroordeelt de borgen in de proceskosten van € 3.235,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de borgen niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.12.
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, rechter, bijgestaan door
mr. N. Noordmans, griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4204 (
2.HR 19 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2047 (