Verzoeker, een Iraanse man met bescherming op grond van de Tijdelijke Bescherming voor vluchtelingen uit Oekraïne, verzoekt de rechtbank om een voorlopige voorziening tegen zijn toewijzing aan een nieuwe opvanglocatie. Hij kampt met ernstige mentale klachten zoals PTSS, depressie en slaapstoornissen, en vreest dat zijn situatie verslechtert door de verhuizing naar een locatie met gedeelde voorzieningen.
De voorzieningenrechter erkent het spoedeisend belang vanwege de onzekere verblijfssituatie van verzoeker, maar ziet geen aanleiding om een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te geven. De rechtbank benadrukt dat verweerder eerst het bezwaar volledig moet heroverwegen en alle medische gegevens integraal moet betrekken.
Na een zorgvuldige belangenafweging weegt het belang van verweerder, die terughoudend wil zijn met uitzonderingen op standaardopvang vanwege beperkte capaciteit, zwaarder dan het belang van verzoeker. De medische stukken tonen niet overtuigend aan dat verblijf op de nieuwe locatie onaanvaardbaar is. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.