Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling
3.Beslissing
.
Rechtbank Amsterdam
Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene, een cliënt met dementie van het gemengde type Alzheimer en vasculaire dementie. De mondelinge behandeling vond plaats op 2 maart 2026, waarbij de arts, specialist ouderengeneeskunde, de raadsman en de dochter van betrokkene werden gehoord.
De arts gaf aan dat betrokkene geen fysiek verzet meer vertoont en dat verlenging van de inbewaringstelling niet langer noodzakelijk is. Betrokkene heeft verminderd ziekte-inzicht en uitte verbaal de wens om naar huis te gaan, maar toonde geen gedragingen die duiden op weg willen gaan of ontsnappen. De dochter gaf aan dat thuiszorg niet meer mogelijk was vanwege valincidenten en zelfzorgproblemen. De huidige verblijfplaats is tijdelijk, met het oog op een toekomstige verhuizing dichter bij familie.
De raadsman verzocht afwijzing van het verzoek omdat betrokkene geen verzet meer toont. De rechtbank oordeelde dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor voortzetting van de inbewaringstelling en wees het verzoek af. De beschikking werd op 2 maart 2026 mondeling gegeven en op 13 maart 2026 schriftelijk uitgewerkt.
Uitkomst: Verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling wordt afgewezen wegens ontbreken van noodzaak en verzet.