AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijspraak van verkrachting en aanranding, veroordeling voor mishandeling na incident in Sloterpark
Op 22 april 2023 vond in het Sloterpark te Amsterdam een incident plaats waarbij aangeefster verklaarde door verdachte te zijn gedwongen tot seksuele handelingen en mishandeld te zijn. Verdachte ontkende dwang en stelde dat de seksuele handelingen met wederzijdse instemming waren.
De rechtbank beoordeelde de verklaringen van aangeefster en verdachte, constateerde inconsistenties in de verklaringen van aangeefster en concludeerde dat er onvoldoende steunbewijs was om de verkrachting en aanranding wettig en overtuigend te bewijzen. Het alternatieve scenario van verdachte kon niet worden weerlegd, waardoor verdachte voor deze feiten werd vrijgesproken.
Voor de mishandeling, waarbij verdachte aangeefster meermalen op het hoofd sloeg, was voldoende bewijs aanwezig. Het beroep op noodweer werd verworpen omdat de rechtbank niet kon vaststellen of het geweld gerechtvaardigd was. Verdachte werd veroordeeld tot 16 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en kreeg een gedragsbeïnvloedende maatregel van vijf jaar opgelegd.
De benadeelde partij vorderde schadevergoeding, waarvan €1.000,- aan immateriële schade werd toegewezen wegens het lichamelijk letsel. De overige schadevorderingen werden afgewezen vanwege het ontbreken van causaliteit met de bewezenverklaarde feiten.
De rechtbank legde tevens een contactverbod op tussen verdachte en benadeelde partij en bepaalde dat bij niet-naleving vervangende hechtenis kan worden toegepast.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van verkrachting en aanranding, veroordeeld tot 16 dagen gevangenisstraf en een gedragsbeïnvloedende maatregel voor mishandeling.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/108209-23
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1998,
zonder vaste woon- of verblijfadres,
nu gedetineerd te: [detentieadres] ,
hierna: verdachte.
1.Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting 4 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B.J.W. Tijkotte, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door de benadeelde partij [benadeelde partij] en haar advocaat, mr. M.A.C. de Bruijn, naar voren is gebracht.
2.Tenlastelegging
Na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting is aan verdachte – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 22 april 2023 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan
feit 1, primair:
verkrachting van [benadeelde partij] ;
feit 1, subsidiair:
het seksueel binnendringen van [benadeelde partij] , terwijl zij in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde;
feit 2:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid van [benadeelde partij] ;
feit 3:
mishandeling van [benadeelde partij] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3.Waardering van het bewijs
3.1.
Inleiding
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 21 april 2023 had aangeefster een feestje. Na middernacht heeft zij dat feestje verlaten. Op haar route naar huis is zij het Sloterpark in gegaan en daar kwam zij verdachte tegen. Op een gegeven moment heeft zij verdachte gepijpt, heeft zij in zijn penis gebeten en heeft verdachte haar meermalen op haar hoofd geslagen. Zowel verdachte als aangeefster zijn toen weggerend. Aangeefster kwam een persoon op een scooter tegen die haar naar het politiebureau heeft gebracht.
Verklaringen aangeefster
Aangeefster heeft verklaard dat de seksuele handelingen met verdachte onvrijwillig waren en zij hiertoe werd gedwongen.
In de nacht van 22 april 2023 heeft aangeefster tegen de politie op het politiebureau verklaard dat zij die nacht door het park liep en dat verdachte haar aanvankelijk voorbij rende. Verdachte zou zich vervolgens hebben omgekeerd en haar tegen twee houten schotten hebben aangeduwd. De telefoon van aangeefster werd toen door verdachte afgepakt. Verdachte trok de broek van aangeefster omlaag, duwde haar naar de grond toe en stopte zijn penis in haar mond. Hierop heeft aangeefster verdachte tot bloedens toe in zijn penis gebeten en heeft verdachte haar vervolgens meermalen op haar hoofd geslagen, waarna verdachte wegrende. Aangeefster rende ook weg en kwam toen een persoon op een scooter tegen die haar naar het politiebureau heeft gebracht.
In het informatief gesprek zeden van later diezelfde nacht heeft zij verklaard dat zij direct nadat zij door (de joggende) verdachte werd gepasseerd, voelde dat zij werd geduwd waardoor zij op de grond viel. Verdachte pakte op dat moment de telefoon van aangeefster af, deed de telefoon in zijn broekzak, sloeg aangeefster, pakte haar bij haar haren vast en duwde haar tegen een houten hekwerk. Daar probeerde verdachte haar te zoenen, probeerde hij haar broek omlaag te trekken en probeerde hij met zijn vingers in de vagina van aangeefster te komen. Toen aangeefster bukte om te proberen weg te komen, deed verdachte zijn penis in haar mond en zei hij tegen haar dat zij hem moest pijpen. Aangeefster beet toen hard in de penis van verdachte, waarop verdachte meermalen op het hoofd van aangeefster heeft geslagen. Zij is vervolgens weggerend naar de verderop gelegen kinderboerderij. Verdachte kwam haar achterna en duwde haar tegen het hek van de kinderboerderij en sloeg haar daar weer. Zij schermde haar hoofd af met haar handen. Hij had minder kracht dan daarvoor waarna zij wegrende. Vervolgens kwam ze, nadat zij eerst nog had aangebeld bij twee huizen voor hulp, de persoon op de scooter tegen.
In haar aangifte van 23 april 2023 heeft aangeefster verklaard dat zij op een bankje aan het bellen was met haar huisgenoot [persoon 1] . Ze was verdrietig en was eerder van het feestje weggegaan. Toen ze opstond van het bankje werd zij door verdachte, die in haar richting kwam aanjoggen, geduwd waardoor zij ten val kwam. Vervolgens werd zij naar het houten hek toe gesleept door verdachte. Daar probeerde verdachte haar broek uit te trekken, heeft hij geprobeerd haar te zoenen en zei hij tegen haar dat zij hem moest pijpen. Aangeefster was bang en zij sloeg hem. Ze vroeg hem haar te laten gaan omdat ze al genoeg had meegemaakt in haar leven. Zij heeft over haar leven met hem gesproken om medelijden bij hem te wekken. Hij begon ook met haar te praten en probeerde haar te manipuleren. Hij stak ook een sigaret op en bleef maar zeggen dat ze hem moest pijpen. Aangeefster besloot verdachte te pijpen, omdat zij weg wilde. Daarop heeft verdachte zijn penis in de mond van aangeefster gedaan. Omdat zijn penis slap was, zei aangeefster dat het niet ging lukken. Verdachte liet aangeefster toen gaan en aangeefster is weggerend in de richting van de kinderboerderij. Verdachte stond toen nog bij de hekjes, ongeveer op 20 meter afstand.
Bij de kinderboerderij werd zij om 01:47 uur door haar huisgenoot [persoon 1] gebeld en heeft ze hem verteld wat er was gebeurd. Zij vertelde hem dat ze was aangevallen door een man die wilde dat zij hem zou pijpen, dat ze nu een Uber had besteld en richting huis ging. Ze vertelde hem ook dat ze niet eerder had kunnen opnemen omdat ze tegen een hek werd geduwd. Ze was op dat moment in paniek, sprak snel, was aan het huilen en voelde zich niet veilig. Ze was zo in paniek dat ze er niet aan dacht om 112 te bellen. Op dat moment zag ze verdachte niet meer. Ze bleef staan bij de kinderboerderij omdat ze niet weer langs de hekjes terug het park uit wilde. Terwijl zij een Uber probeerde te bestellen stond verdachte opeens weer bij haar. Hij pakte haar telefoon uit haar hand en stopte de telefoon in zijn zak die hij dichtritste, Hij heeft haar geslagen, haar bij de haren vastgepakt en weer tegen haar gezegd dat zij hem moest pijpen. Zij probeerde haar telefoon terug te pakken. Ze viel op haar rechterzijde op de grond en hij bleef haar vasthouden en zeggen dat ze hem moest pijpen. Verdachte heeft toen zijn penis in de mond van aangeefster gedaan, waarop aangeefster hem heeft gebeten. Net zoals zij eerder heeft verklaard begon verdachte haar daarop op haar hoofd te slaan en rende hij daarna weg. Aangeefster rende achter verdachte aan voor haar telefoon.
De verklaring van verdachte
Verdachte heeft op 23 en op 25 april 2023 tegenover de politie verklaard dat aangeefster verdachte met wederzijdse instemming heeft gepijpt. Verdachte zag dat aangeefster aan het huilen was op een bankje in het Sloterpark; zij hing voorover met haar handen in haar gezicht en hij vroeg haar of het ging. Toen stond ze op en liep weg. Hij zag dat zij wankelde en dat zij vervolgens omviel. Verdachte is toen naar haar toegelopen en heeft geprobeerd haar rechtop te laten staan. Dat lukte niet, waarna hij haar bij de oksels pakte en haar naar een hekje heeft gesleept. Dat hekje stond langs het pad. Daar hebben zij ongeveer drie kwartier samen gestaan. Intussen bleven zij praten. Aangeefster was erg overstuur en deed steeds haar armen om zijn nek. Zij vertelde tegen verdachte over haar overleden ouders, over haar man die zelfmoord heeft gepleegd en over het feit dat haar man geen seks met haar wilde. Ze vertelde ook dat ze in [plaats] woonde, een hond had en advocaat was. Verdachte vertelde ook over zichzelf. Intussen hoorde hij dat haar telefoon een paar keer af ging, die stond op trilstand. Op enig moment nam ze haar telefoon op; dat was de oppas van haar hond waarop ze zei dat ze naar huis moest omdat hij anders de hele nacht bij haar zou zijn. Die man heette iets van ‘ [persoon 1] ’. Ze stond tegen het hekje toen hij haar belde en verdachte zag hem op het scherm. Verdachte heeft zelf nog een grapje over zijn naam gemaakt. Op het laatst had aangeefster het erover dat ze een Uber zou bestellen. Twee minuten nadat hij belde heeft aangeefster hem gepijpt, dat was nog steeds bij de hekjes. Zij vroeg of verdachte seks met haar wilde; zij was helemaal knuffelig en vertelde dat haar man geen seks met haar wilde. Ze had het steeds over seks en verdachte vroeg toen of zij hem wilde pijpen. Hierover verklaart verdachte: ik ben daar eerlijk in, ik ben een man. Ik ga geen nee zeggen. Terwijl verdachte werd gepijpt, ging hij in haar billen knijpen. Verdachte dacht dat aangeefster geil was en deed ook zijn hand in haar broek en ging naar haar clit. Toen zij zei dat ze dit niet wilde - ‘please don’t do that’ - heeft hij zijn hand weggehaald. Tijdens het pijpen zag verdachte de telefoon van aangeefster uit haar jaszak en pakte hij deze. Daarop heeft aangeefster verdachte in zijn penis gebeten. Verdachte sloeg haar volgens meermalen hard op haar hoofd. Ook schopte hij haar een keer. De telefoon heeft hij direct uit zijn handen laten vallen. Zij riep toen om hulp en zei: ‘The man is stealing my phone’. Ook heeft zij zijn kleding betast op zoek naar haar telefoon. Hierna is zij weggerend richting de kinderboerderij. Hij heeft haar telefoon in haar richting geschopt.
Verdachte verklaart dat hij achteraf bezien geen seks had moeten hebben met iemand in deze staat van dronkenschap.
Op de terechtzitting heeft verdachte gelijkluidend verklaard.
In het dossier zit ook een verklaring van de man op de scooter die aangeefster heeft geholpen. Hij verklaart dat hij haar op enig moment voor twee uur overstuur en bebloed tegen kwam net buiten het Sloterpark. Zij was zwaar in paniek en ze zei tegen me: ‘kun je me helpen, mijn telefoon is gestolen’. Daarna vertelde ze dat ze iemand had moeten pijpen en dat ze hem in zijn piemel had gebeten en dat diegene haar telefoon had weggegooid.
De door aangeefster genoemde vriend, [persoon 1] , is ook als getuige gehoord. Hij verklaart dat hij haar die nacht om 00:38 uur aan de lijn had en dat zij zeer overstuur en verdrietig was. Ze zat op een bankje in het park en ze had zich nog nooit zo slecht gevoeld. Vervolgens hing ze op en nam ze ondanks zijn pogingen om haar te bereiken, de telefoon niet meer op. Om 00:47 uur belde hij haar en vertelde zij dat er iemand bij haar was die seks wilde en dat ze het had opgelost. Ze had geen seks gehad en was bezig om een Uber te bestellen. Die persoon was op dat moment niet meer bij haar. Zij klonk trots op zichzelf dat ze het goed had opgelost. Haar stem klonk toen weer vrij normaal. Het leek alsof ze niet meer dronken was. Om 7:57 uur belde ze hem weer en vertelde ze dat ze bij de politie was en was verkracht.
Tot slot is op foto’s in het dossier te zien dat op de achterkant van de jas en achterkant (onderkant) van de trui van aangeefster een modderspoor zat, dat zij letsel had en dat er bloed op haar en op haar jas zat.
Uit de opgemaakte letselverklaring volgt dat aangeefster naast letsel op haar hoofd, aangezicht, handen en benen ook een lijnvormige verkleuring had op haar rug vlak boven de rand van haar bil.
3.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde feiten. De officier van justitie acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar en ziet voldoende steunbewijs voor haar verklaring. Daartegenover ligt een ongeloofwaardige verklaring van verdachte. Daarmee kan worden bewezen dat verdachte aangeefster heeft gedwongen hem te pijpen, dat hij haar heeft aangeraakt aan haar billen en vagina, dat hij haar heeft gezoend en dat hij haar heeft mishandeld.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
Feiten 1 primair en 2:
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van aangeefster niet betrouwbaar is, omdat zij inconsistent heeft verklaard, zij niet nuchter was en getuige [persoon 1] in een WhatsApp bericht heeft aangegeven dat aangeefster over deze feiten leugens zou hebben verteld. Daarnaast is er onvoldoende steunbewijs dat de vermeende seksuele handelingen onder dwang hebben plaatsgevonden en kan het alternatief scenario van verdachte niet door bewijsmiddelen worden weerlegd.
Feit 1 subsidiair:
Ook heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit. Uit het dossier volgt niet ondubbelzinnig dat aangeefster als gevolg van de alcohol in een zodanige toestand verkeerde dat in redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij weerstand kon bieden aan de seksuele verlangens van een ander.
Feit 3:
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat alleen kan worden vastgesteld dat verdachte aangeefster meermalen op haar hoofd heeft geslagen, nadat zij hem in zijn penis heeft gebeten. Daarbij heeft de raadsman bepleit dat verdachte een gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt met als gevolg dat de wederrechtelijkheid van de mishandeling wegvalt en verdachte moet worden vrijgesproken.
3.4.
Het oordeel van de rechtbank
3.4.1.
Vrijspraak van feit 1 – verkrachting
Alvorens de rechtbank toekomt aan haar oordeel richt zij zich eerst tot de aangeefster in deze zaak. Gelet op het risico van secundaire victimisatie vindt de rechtbank de volgende opmerking van belang. Uit het hiernavolgende zal blijken dat verdachte zal worden vrijgesproken voor de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. De rechtbank realiseert zich dat deze vrijspraak aangeefster zwaar zal vallen. Zij heeft immers aangegeven hoezeer zij te lijden heeft gehad van het handelen van verdachte en dat zij daar tot op de dag van vandaag nog nadelige gevolgen van ondervindt. De rechtbank zal de vrijspraak hierna uitleggen.
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dat is in deze zaak ook het geval.
Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechtbank niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Voor een bewezenverklaring dient sprake te zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan het vermeende slachtoffer. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in combinatie met een betrouwbare verklaring van het slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren.
In deze zaak staat niet ter discussie dat verdachte seksuele handelingen heeft verricht met aangeefster. De vraag die de rechtbank moet beoordelen is of sprake is geweest van dwang in de zin van het oude artikel 242 vanPro het Wetboek van Strafrecht.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
Aangeefster heeft meerdere malen verklaard over wat zich in de nacht van 22 april 2023 heeft afgespeeld. De rechtbank stelt vast dat haar verklaringen op onderdelen niet consistent zijn. De rechtbank wijst er in dit verband op dat aangeefster op het politiebureau heeft verklaard dat zij liep en door verdachte tegen een houten hek werd geduwd, dat hij haar telefoon afpakte en in zijn broekzak stopte, haar op de grond duwde en vervolgens zijn geslachtsdeel in haar mond deed waarna zij hem beet en dat hij toen wegrende. In het informatief gesprek zeden daarentegen heeft zij verklaard dat, voordat zij tegen het houten hek aan werd geduwd en hem moest pijpen en hem beet, zij door verdachte eerst op de grond werd geduwd, dat hij haar telefoon afpakte, haar meerdere klappen gaf met zijn vuist, dat zij vochten en dat zij probeerde haar telefoon terug te krijgen. Ook heeft zij verklaard dat zij na het pijpen en het bijten richting de kinderboerderij is gerend, dat hij haar achterna kwam en haar daar tegen het hek duwde en weer sloeg, maar dat zij kon wegkomen en dat niet hij maar zij wegrende. In de verklaring van aangeefster zitten dus inconsistenties over wat er gebeurd is voorafgaand aan het pijpen en erna. Los van deze inconsistenties heeft zij in haar aangifte – anders dan bij haar verklaringen van 22 april 2023 – verklaard dat zij niet op één maar op twee momenten en op twee verschillende locaties zou zijn gedwongen tot het verrichten van seksuele handelingen, te weten éénmaal bij de hekjes en éénmaal bij de kinderboerderij. Daarnaast verklaart ze bij haar aangifte dat haar telefoon niet – zoals eerder wel verklaard – bij het houten hek is afgepakt, maar op een later moment, namelijk bij de entree van de kinderboerderij, waar zij na de eerste keer pijpen naar toe was gerend. Bij de kinderboerderij zou hij haar opnieuw hebben gedwongen tot pijpen en het was daar op die locatie dat zij hem in zijn geslachtsdeel beet. Zodra zij los liet rende hij weg en rende zij achter hem aan om haar telefoon terug te krijgen. In haar verklaringen van 22 april 2023 heeft zij dat niet verklaard en heeft zij juist verklaard direct weggerend te zijn.
Bovengenoemde inconsistenties maken de verklaringen van aangeefster niet zonder meer onbetrouwbaar. Het is wel een reden om terughoudend met het gebruik van die verklaringen om te gaan. Het komt dus aan op de vraag of voldoende steunbewijs aanwezig is die de verklaringen van aangeefster kan bevestigen.
Steunbewijs
De officier van justitie heeft aangevoerd dat het letsel van aangeefster aan haar rug, hoofd en hand, de bij haar kort na de feiten waargenomen gemoedstoestand, de modder aan de achterkant van haar jas en het aantreffen van haar schoenklipje en haar telefoon op de plaats delict, en de tijdlijn in haar telefoon als steunbewijs voor de verklaring van aangeefster kunnen dienen. De rechtbank ziet dat anders. Zij overweegt hierover als volgt.
De waargenomen gemoedstoestand
De getuige [getuige] en de verbalisanten op het politiebureau hebben, zeer kort na de tenlastegelegde feiten, bij aangeefster waargenomen dat zij in paniek was en extreem geëmotioneerd was. Zoals reeds is vastgesteld heeft aangeefster verdachte in zijn penis gebeten, waarna zij door verdachte meermalen op haar hoofd is geslagen. Naar het oordeel van de rechtbank is het goed mogelijk dat (ook) deze geweldstoepassing van zowel verdachte als aangeefster een heftige gemoedstoestand bij aangeefster heeft opgeroepen. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat de waargenomen gemoedstoestand daarvan het gevolg is geweest, zodat die niet kan dienen als steunbewijs van de verkrachting.
Modder aan de jas
De omstandigheid dat de achterkant van de jas van aangeefster vol met modder zat kan evenmin als steunbewijs dienen voor de vermeende dwang. Zowel aangeefster als verdachte hebben verklaard dat aangeefster is gevallen. Verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij aangeefster naar het houten hek heeft gesleept, zodat hij haar tegen het hek aan kon laten leunen. Gelet op het streepvormige modderspoor uitsluitend op de achterkant van de jas is het goed mogelijk dat de modder op haar jas is ontstaan als gevolg van het vallen, het slepen, of het tegen het houten hek aan zetten van aangeefster, zodat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat dit het gevolg is geweest van enige dwang. De worsteling voorafgaand aan het pijpen, waar aangeefster over verklaart en waarbij zij ten val zou zijn gekomen op de zijkant van haar lichaam, is door deze modderstreep in ieder geval lastiger te verklaren.
Het letsel
Bij aangeefster is letsel waargenomen op haar rug, handen en hoofd. Het letsel aan zowel haar handen als haar hoofd kan worden verklaard doordat verdachte aangeefster meermalen op haar hoofd heeft geslagen. Dat past bij het scenario van aangeefster, maar ook bij het scenario van verdachte dat hij aangeefster sloeg toen zij hem beet. Ten aanzien van het letsel aan de rug is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat dit letsel is ontstaan als gevolg van omstandigheden die verdachte noemt: de val van aangeefster, het leunen tegen het hekje of het geweld dat door verdachte is toegepast. Hierdoor kan ook het letsel niet als steunbewijs dienen voor de verklaring van aangeefster dat zij verkracht is.
Het aantreffen van de telefoon van aangeefster op de plaats-delict
De officier van justitie heeft aangevoerd dat op de plaats-delict de telefoon van aangeefster is gevonden en dat de Uber-applicatie nog openstond. Dit dient volgens de officier van justitie als steunbewijs voor de verklaring van aangeefster, omdat hieruit blijkt dat zij inderdaad weg wilde. Daarnaast wordt daardoor de verklaring van verdachte dat aangeefster verdachte vrijwillig heeft gepijpt, tegengesproken, aldus de officier van justitie. De rechtbank merkt hierover op dat aangeefster heeft verklaard dat zij al vanaf het moment dat zij het feestje verliet en ontdekte dat de tram niet reed heeft geprobeerd om een Uber te regelen. De omstandigheid dat haar telefoon is aangetroffen en de Uber applicatie openstond, is om die reden niet redengevend voor de dwang tot het verrichten van seksuele handelingen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit daarom evenmin als steunbewijs dienen voor de verklaring van aangeefster.
Daarbij noemt de rechtbank nog dat de telefoon van aangeefster is teruggevonden bij de hekjes. Dat is de locatie waarover verdachte heeft verklaard dat hij daar werd gepijpt en gebeten door aangeefster waarna hij de telefoon van aangeefster liet vallen. Dat is niet de plaats delict waar volgens aangeefster het afpakken van de telefoon, het daaropvolgende pijpen en het bijten heeft plaatsgevonden. Ook deze omstandigheid is dus niet redengevend voor het bewijs van verkrachting.
Verklaring [persoon 1]
Tot slot wordt als steunbewijs door de officier van justitie nog de getuigenverklaring van [persoon 1] genoemd. Deze verklaring spreekt echter de verklaring van aangeefster op een essentieel onderdeel tegen. Aangeefster heeft verklaard dat zij hem die nacht belde en vertelde wat er was gebeurd. Ze was in paniek, sprak snel, was aan het huilen en voelde zich niet veilig. Dit was volgens aangeefster op het moment dat zij vrij was en was weggerend richting de boerderij. [persoon 1] verklaart daarentegen dat hij haar belde en dat aangeefster hem vertelde dat zij was lastig gevallen maar dat ze het had opgelost en dat ze geen seks had gehad. Ze klonk trots, weer vrij normaal en hij had het gevoel dat ze niet meer dronken was.
Ook verdachte verklaarde niets ongewoons over dit gesprek. Volgens verdachte stond aangeefster bij hem op het moment dat [persoon 1] belde, klonk ze normaal en legde hem uit wie dat was en dat hij op haar hondjes paste.
Dat zij – zoals de officier van justitie aanvoert – na dit telefoontje enige tijd niet meer bereikbaar was komt wel overeen met haar verklaring, maar dat is voor de rechtbank onvoldoende concreet om te kunnen dienen als steunbewijs voor de verkrachting. Immers, dat na het telefoontje het pijpen en bijtincident inclusief mishandeling heeft plaatsgevonden kan worden aangenomen. Dat zij overstuur was en naar de politie is gegaan en hierdoor enige tijd haar telefoon niet opnam, ook. Deze volgordelijkheid biedt echter geen steunbewijs voor de dwang.
Nu er ook geen ander steunbewijs in het dossier aanwezig is concludeert de rechtbank dat er onvoldoende bewijs is dat aangeefster is gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen. Daarmee is niet voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid Sv. Daar komt bij dat het door verdachte geschetste alternatief scenario op voorhand niet zo ongeloofwaardig dan wel onaannemelijk is dat zijn lezing zonder meer terzijde kan worden geschoven. Daarom dient dat alternatieve scenario te worden weerlegd. Naar het oordeel van de rechtbank is dat aan de hand van de bewijsmiddelen die in dit dossier voorhanden zijn niet mogelijk. Daarmee zegt de rechtbank overigens niet dat de verklaringen van aangeefster onwaar zijn. De rechtbank kan niet vaststellen welk scenario (dat van aangeefster of dat van verdachte) meer voor de hand ligt en dus ook niet dat buiten redelijke twijfel is dat het scenario van aangeefster klopt.
Gelet op het voorgaande kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan. Verdachte zal hier dan ook van worden vrijgesproken.
3.4.2.
Vrijspraak van feit 1 subsidiair
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het onder 1 subsidiair tenlastegelegde kan worden bewezen. Zij beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt als volgt.
Vast staat dat aangeefster een seksuele handeling heeft verricht bij verdachte. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat aangeefster die avond alcohol heeft gedronken. Verdachte en de getuige [persoon 1] hebben immers verklaard dat aangeefster dronken was. Aangeefster zelf heeft verklaard aangeschoten te zijn geweest.
Hoewel kan worden vastgesteld dat aangeefster alcohol heeft gedronken, volgt uit het dossier niet dat aangeefster zodanig onder invloed van alcohol was dat als gevolg daarvan sprake was van een roes en zij in een staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde. Hierom kan het tenlastegelegde niet worden bewezen en spreekt de rechtbank verdachte vrij van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit.
3.4.3.
Vrijspraak van feit 2 – aanranding
De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen is dat verdachte aangeefster heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen en spreekt hem hiervan vrij. De rechtbank verwijst hiervoor naar haar eerdere overwegingen onder rubriek 3.4.1. ten aanzien van het ontbreken van dwang.
3.4.4.
Veroordeling voor feit 3 – mishandeling
Op grond van de verklaring van aangeefster, haar letsel en de verklaring van verdachte zelf stelt de rechtbank vast dat verdachte aangeefster meermalen op haar hoofd heeft geslagen. Verdachte heeft zich beroepen op noodweer: hij stelt dat hij haar sloeg omdat hij ogenblikkelijk wederrechtelijk werd aangerand, hij werd (in zijn scenario) immers door aangeefster gebeten in zijn geslachtsdeel. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer. Omdat de rechtbank niet kan kiezen tussen de scenario’s van aangeefster en van verdachte, is haar ook niet duidelijk wat de aanleiding is geweest van het bijten door aangeefster en of het door verdachte gepleegde geweld een gerechtvaardigde reactie hierop was. De lezing van verdachte is dan ook niet aannemelijk geworden. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de onder 3 tenlastegelegde mishandeling. De rechtbank zal verdachte daarbij vrijspreken van de overige tenlastegelegde geweldshandelingen, nu hiervoor, gelet op hetgeen de rechtbank in rubriek 3.4.1 heeft overwogen, onvoldoende bewijs voorhanden is.
4.Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 22 april 2023 te Amsterdam, [benadeelde partij] heeft mishandeld door meermalen op het gezicht/hoofd van die [benadeelde partij] te slaan/stompen.
5.De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6.De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7.Motivering van de straf en maatregel
7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, en dat aan hem wordt opgelegd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GBM) zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft in geval van een bewezenverklaring van de onder 3 tenlastegelegde mishandeling de rechtbank verzocht om aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, omdat artikel 63 SrPro van toepassing is, zijn moeder recent is overleden en dit een oude zaak betreft.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling. Hij heeft aangeefster meermalen geslagen op haar hoofd, Verdachte heeft hierdoor blijk gegeven geen respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van anderen.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 24 september 2025, waaruit blijkt dat hij in het verleden meermalen is veroordeeld voor vermogensdelicten en ook eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Verdachte zit momenteel een langdurige gevangenisstraf uit voor voorbereiden van moord. Eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapporten, waaronder het meest recente rapport van 1 juli 2025, opgemaakt door [persoon 2] . Hieruit volgt dat de reclassering het zorgelijk acht dat verdachte, gelet op zijn strafblad, geen geweld lijkt te schuwen en dat hij in een gesprek met de reclassering dreigende uitspraken heeft geuit in de richting van aangeefster. Verdachte heeft aangegeven niet bereid te zijn mee te werken aan justitiële interventies gericht op het gedrag, omdat hij dit niet nodig vindt. De reclassering vindt de houding van verdachte risicovol. Zij schatten in dat na een jarenlange gevangenisstraf verdachte ook niet zal openstaan voor gedragsverandering. Gelet hierop adviseren zij bij een veroordeling om geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
De straf
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde acht de rechtbank een gevangenisstraf langer dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht niet op zijn plaats. Alles overwegend acht zij een gevangenisstraf van 16 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Daarmee wijkt de rechtbank af van de door de officier van justitie geëiste straf, omdat zij tot een andere bewezenverklaring komt.
Daarnaast legt de rechtbank verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op. Het doel van deze maatregel is beveiliging van de maatschappij en voorkoming van strafbare feiten. De rechtbank legt de maatregel op omdat zij van oordeel is dat er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich op een andere manier belastend naar personen toe zal gedragen. Uit het eerder genoemde rapportage blijkt immers dat verdachte bedreigende uitspraken heeft geuit richting aangeefster en het gevaar voor herhaling van een soortgelijk feit hoog is. Ook op de terechtzitting heeft verdachte zorgelijke uitspraken gedaan. De rechtbank zal deze maatregel opleggen voor een periode van vijf jaar.
8.De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 1.460,- aan vergoeding van materiële schade en € 10.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
Primair heeft de raadsman aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, vanwege de door de raadsman bepleite vrijspraak.
Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van de materiële schadepost aangevoerd dat moeilijk is te bepalen in hoeverre de geclaimde kosten samenhangen met de tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van de immateriële schade aan de hand van aangeefster is onduidelijk hoe die schade is ontstaan, waardoor de causaliteit met het tenlastegelegde feit niet kan worden vastgesteld. Hierom dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in dit deel van haar vordering. Wat betreft de gevorderde immateriële schade van 8.000 euro heeft de raadsman de hoogte daarvan betwist en de rechtbank verzocht dit bedrag matigen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 2.500,-, als gevolg van het lichamelijk letsel, waaronder het ontsierend litteken op de hand van de benadeelde partij, overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 6:106 onderPro B van het Burgerlijk Wetboek de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding. De benadeelde partij heeft immers ten gevolge van het bewezenverklaarde lichamelijk letsel opgelopen. Verdachte heeft de benadeelde partij meermalen op haar hoofd geslagen en gestompt, waartegen aangeefster zich onder andere met haar handen heeft verweerd. Als gevolg van deze geweldstoepassing door verdachte heeft zij ook een ontsierend litteken overgehouden op haar hand. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 2.500,- te hoog, omdat het litteken beperkt zichtbaar is en als gevolg van het bewezenverklaarde sprake is van beperkt lichamelijk letsel. Gelet hierop en rekening houdend met de Rotterdamse Schaal en vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van € 1.000,- billijk, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 22 april 2023, tot de dag van de volledige betaling.
De overige gevorderde schadeposten, te weten € 1.460,- aan materiële schade en € 8.000,- aan immateriële schade dat ziet op psychisch letsel, hebben betrekking op de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. Omdat verdachte van deze feiten wordt vrijgesproken, is er geen rechtstreeks verband tussen deze schade en het feit waarvoor verdachte wordt veroordeeld. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk voor dit deel van haar vordering.
Veroordeling in de kosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde partij] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van het bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 22 april 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 vanPro het Wetboek van Strafvordering toe te passen gijzeling op maximaal 10 dagen.
De rechtbank bepaalt dat, indien en voor zover verdachte een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
10.Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeeltverdachte tot een gevangenisstraf van 16 (zestien) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Legt opde maatregeldat verdachte voor de duur van 5 (vijf) jarenop geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedag 2] 1985.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 (zeven) dagenvoor iedere keerdat niet aan de maatregel wordt voldaan, tot een maximum van 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € € 1.000,- (duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 22 april 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 1.000,- (duizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 22 april 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.A. Brunner, voorzitter,
mr. R.A. Sipkens en mr. D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Alexeas, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 maart 2026.