Verzoeker had sinds 2018 een zakelijk krediet bij ING met een limiet van €8.000, waarop vanaf 2019 achterstanden ontstonden. ING eiste in oktober 2020 het volledige openstaande bedrag op en registreerde de schuld bij het BKR met coderingen voor achterstand en opeising. Verzoeker betaalde de schuld uiteindelijk in juni 2025, deels met geleend geld.
Verzoeker vroeg via zijn gemachtigde Dynamiet Nederland B.V. om verwijdering van de BKR-registratie, omdat deze hem belemmert een hypotheek te verkrijgen voor een geschikte woning voor zijn gezin en zieke vader. ING weigerde dit verzoek, waarna de rechtbank moest toetsen of de belangen van verzoeker zwaarder wegen dan die van ING en andere kredietverstrekkers.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de achterstanden mede door de Covid-19-pandemie zijn ontstaan, verzoeker onvoldoende verantwoordelijkheid toonde door niet tijdig contact te zoeken en pas te betalen na incassomaatregelen. De financiële stabiliteit van verzoeker is nog niet bestendig, gezien het lenen om de schuld af te lossen en eerdere onbetaalde schulden.
Hoewel het belang van verzoeker bij een hypotheek en woonsituatie duidelijk is, wegen de belangen van bescherming tegen overkreditering en het waarschuwen van kredietinstellingen zwaarder. De proportionaliteit en subsidiariteit zijn in het voordeel van ING. Het verzoek tot verwijdering van de BKR-registratie wordt daarom afgewezen. Verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten van ING.