ECLI:NL:RBAMS:2026:2793

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
C/13/781970 / HA RK 26-15
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 onder f AVGArt. 21 lid 1 AVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verwijdering van BKR-registratie ondanks financiële situatie verzoeker

Verzoeker had sinds 2018 een zakelijk krediet bij ING met een limiet van €8.000, waarop vanaf 2019 achterstanden ontstonden. ING eiste in oktober 2020 het volledige openstaande bedrag op en registreerde de schuld bij het BKR met coderingen voor achterstand en opeising. Verzoeker betaalde de schuld uiteindelijk in juni 2025, deels met geleend geld.

Verzoeker vroeg via zijn gemachtigde Dynamiet Nederland B.V. om verwijdering van de BKR-registratie, omdat deze hem belemmert een hypotheek te verkrijgen voor een geschikte woning voor zijn gezin en zieke vader. ING weigerde dit verzoek, waarna de rechtbank moest toetsen of de belangen van verzoeker zwaarder wegen dan die van ING en andere kredietverstrekkers.

De rechtbank oordeelde dat hoewel de achterstanden mede door de Covid-19-pandemie zijn ontstaan, verzoeker onvoldoende verantwoordelijkheid toonde door niet tijdig contact te zoeken en pas te betalen na incassomaatregelen. De financiële stabiliteit van verzoeker is nog niet bestendig, gezien het lenen om de schuld af te lossen en eerdere onbetaalde schulden.

Hoewel het belang van verzoeker bij een hypotheek en woonsituatie duidelijk is, wegen de belangen van bescherming tegen overkreditering en het waarschuwen van kredietinstellingen zwaarder. De proportionaliteit en subsidiariteit zijn in het voordeel van ING. Het verzoek tot verwijdering van de BKR-registratie wordt daarom afgewezen. Verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten van ING.

Uitkomst: Het verzoek tot verwijdering van de BKR-registratie wordt afgewezen en verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/781970 / HA RK 26-15
Beschikking van 5 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
advocaat: mr. M. de Boorder,
tegen
ING BANK N.V.,
gevestigd in Amsterdam,
verwerende partij,
advocaat: mr. D.J. Posthuma.
Partijen worden hierna [verzoeker] en ING genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 19 januari 2026, met producties 1 tot en met 8,
  • het verweerschrift met producties 1 tot en met 23,
  • het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 februari 2026 en de daarin genoemde stukken.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] heeft sinds 2018 een zakelijk rekening-courant krediet bij ING gehad met een limiet van € 8.000,00. In mei 2019 zijn achterstanden ontstaan en deels blijven bestaan, waardoor ING in oktober 2020 het hele openstaande krediet (op dat moment € 6.054,66 vanwege verrekende inkomsten) heeft opgeëist. Daarbij heeft ING aangekondigd dat er een BKR [1] -registratie zou volgen als betaling uitbleef. [verzoeker] heeft toen niet betaald.
2.2.
Als gevolg daarvan heeft ING het krediet op naam van [verzoeker] geregistreerd in het BKR met de bijzonderheidscode A (achterstand) per 28 oktober 2020 en de bijzonderheidscode 2 (opeising) per 2 december 2020. De registratie heeft als einddatum 6 juni 2025 en blijft voor vijf jaar staan, dus tot 6 juni 2030.
2.3.
Bij brief van 18 september 2025 heeft Dynamiet Nederland B.V. (hierna: Dynamiet) ING namens [verzoeker] verzocht deze BKR-registratie te verwijderen. ING heeft dit verzoek afgewezen. Bij brief van 17 november 2025 heeft Dynamiet ING verzocht om een heroverweging. ING heeft het verwijderingsverzoek van [verzoeker] op 11 december 2025 nogmaals afgewezen.

3.De beoordeling

3.1.
[verzoeker] verzoekt samengevat dat de rechtbank ING veroordeelt tot verwijdering van de bijzonderheidscodering voor het krediet met contractnummer [nummer] . Partijen zijn het erover eens dat de BKR-registratie voor dit krediet met A2 codering op zichzelf klopt. [verzoeker] wil dat de registratie vroegtijdig wordt doorgehaald.
Juridisch kader
3.2.
Een BKR-registratie is een verwerking van persoonsgegevens zoals bedoeld in de AVG. [2] De verwerking van die gegevens mag onder andere als het noodzakelijk is voor de behartiging van gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke (hier ING) of van een derde, tenzij de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene (hier dus [verzoeker] ) bij bescherming van die persoonsgegevens zwaarder wegen dan eerder genoemde belangen. [3] [verzoeker] kan tegen de verwerking van zijn gegevens bezwaar maken bij ING. ING moet het bezwaar dan honoreren, tenzij zij dwingende gerechtvaardigde gronden aanvoert voor de verwerking die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van [verzoeker] . [4]
3.3.
Omdat ING het verzoek van [verzoeker] tot het verwijderen van de BKR-registratie heeft afgewezen, moet de rechtbank toetsen of ING aannemelijk heeft gemaakt dat dwingende gerechtvaardigde belangen – het beschermen van de consument tegen overkreditering en het waarschuwen van andere kredietinstellingen – in dit specifieke geval zwaarder wegen dan de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van [verzoeker] . Verder moet bij de gegevensverwerking voldaan zijn aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
3.4.
De belangenafweging moet worden gemaakt aan de hand van de op het moment van de afweging bekende feiten en omstandigheden. Daarbij kunnen dus ook feiten en omstandigheden meespelen van na de registratie.
Omstandigheden die hier een rol spelen zijn:
  • de omvang van de schuld en/of de achterstand,
  • of een eventuele betalingsregeling goed is nagekomen,
  • de houding van betrokkene ten aanzien van de schuld,
  • de reden voor het ontstaan van de achterstand en de mate van verwijtbaarheid,
  • de huidige financiële situatie van betrokkene en als deze stabiel is: hoe lang al,
  • of betrokkene andere schulden heeft,
  • of sprake is geweest van ernstige of structurele wanbetaling,
  • of betrokkene met de gewenste lening (in dit geval een hypotheek) niet kan wachten tot de vijfjaarstermijn is verstreken (bijvoorbeeld vanwege gezins- en woonsituatie),
  • het verstrijken van de tijd sinds het inlossen van de schuld.
Relevante omstandigheden
3.5.
ING heeft in 2020 het openstaande krediet opgeëist (zie 2.1). De schuld is met betalingen in oktober 2024 en juni 2025 afbetaald, ondanks diverse eerdere aanschrijvingen door ING. Op de aanschrijvingen door ING is in de jaren 2020 tot 2023 geen reactie gekomen. Toen [verzoeker] in 2023 advies inwon voor het krijgen van een hypotheek kwam hij achter de negatieve BKR-registratie en heeft hij contact gezocht met ING. Een betalingsregeling is niet tot stand gekomen. [verzoeker] heeft daarvoor wel een aanbod gedaan, maar hij heeft niet voldaan aan het verzoek van ING om zijn afloscapaciteit te onderbouwen. ING heeft de incasso vervolgens doorgezet en aan [verzoeker] een aangetekende sommatie verstuurd in oktober 2024. Daarna heeft [verzoeker] op 23 oktober 2024 een bedrag van € 5.000 betaald. Hij kon op dat moment niet het hele bedrag voldoen. Op 16 mei 2025 heeft ING [verzoeker] een dagvaarding gestuurd voor de rest van het openstaande bedrag. Vervolgens heeft [verzoeker] op 6 juni 2025 met geleend geld de rest van het verschuldigde bedrag van € 3.332,77 betaald.
3.6.
Volgens [verzoeker] zijn de achterstanden ontstaan door tegenvallende inkomsten vanwege de Covid-19 pandemie. ING heeft dit betwist door erop te wijzen dat in 2019, dus vóór de pandemie, al twee executoriale beslagen ten laste van [verzoeker] waren gelegd. [verzoeker] had volgens ING dus voor de pandemie al schulden.
3.7.
De in 2019 gelegde executoriale beslagen ten laste van [verzoeker] zijn gelegd op basis van twee vonnissen. In december 2018 is [verzoeker] onder andere veroordeeld tot betaling van € 430,63 aan FBTO. In 2019 is [verzoeker] onder andere veroordeeld tot betaling van € 6.595,46 aan Menzis. Die schuld zag op een incident uit 2011. De vordering van Menzis is bij [verzoeker] uit beeld geraakt. Op 13 februari 2026 heeft Menzis aan [verzoeker] laten weten dat de schuld is afbetaald. Ook de vordering van FBTO is een tijd uit beeld geraakt, maar heeft hij uiteindelijk voldaan, zo zegt [verzoeker] .
3.8.
[verzoeker] voert verder aan dat hij al lange tijd financieel stabiel is en wijst in dat verband onder andere op een verklaring van de accountant over de winstverwachting voor 2026 op basis van de lopende contracten. ING betwist dat sprake is van financiële stabiliteit en vindt dat een gedegen onderbouwing daarvoor ontbreekt.
3.9.
[verzoeker] voert aan dat hij door de BKR-registratie geen hypotheek kan krijgen. Banken verstrekken geen hypotheek als sprake is van een A2 codering. Die heeft hij wel nodig want hij wil met zijn partner, zijn twee kinderen en zijn ouders, waarvan vader aan Alzheimer lijdt, een woning betrekken. De huidige sociale huurwoningen van zijn ouders (waar hij nu bij inwoont) en zijn partner zijn daarvoor niet geschikt. Deze huurwoningen zijn te klein, [verzoeker] verdient te veel en zijn ouders behoren niet tot het huishouden van zijn partner. Huurwoningen zijn schaars en voldoen niet aan de wooneisen voor zijn zieke vader. Hij moet op de begane grond wonen met eigen sanitair en privéruimte. Daarvoor moet worden verbouwd en dat mag niet bij een huurwoning. De gewenste woonsituatie is dus alleen te realiseren met een koopwoning, waarvoor een hypotheek is vereist.
3.10.
ING betwist dat alleen de BKR-registratie in de weg zou staan aan het verkrijgen van een hypotheek en dat er geen andere mogelijkheden zijn voor [verzoeker] , zoals het huren van een woning.
Het oordeel van de rechtbank
3.11.
De rechtbank vindt het gezien de plaatsing in de tijd aannemelijk dat de achterstanden bij de ING in elk geval mede door de pandemie zijn ontstaan. Dat neemt niet weg dat het op de weg van [verzoeker] had gelegen om op dat moment aan de bel te trekken en in overleg te treden met ING om tot een oplossing voor de achterstanden te komen. Dat heeft hij niet gedaan. In plaats daarvan was [verzoeker] door zijn vertrek naar [land] onvindbaar voor ING en heeft hij zich een paar jaar niet gemeld bij ING om zijn openstaande schuld af te lossen. Uit die gang van zaken blijkt geen gevoel van verantwoordelijkheid of bereidheid van [verzoeker] voor het zo snel mogelijk oplossen van de schuld. [verzoeker] lijkt steeds pas te betalen als er een deurwaarder aan te pas komt of als hij gehinderd wordt door de BKR-registratie (zie 3.5).
3.12.
De rechtbank vindt dat, als ervan uit wordt gegaan dat [verzoeker] op dit moment financieel stabiel is, die situatie in elk geval nog niet ‘bestendig’ kan worden genoemd. Uit zijn eigen verklaringen blijkt dat [verzoeker] in oktober 2024 wel een bedrag van € 5.000 kon betalen, maar niet de totale schuld. In juni 2025 heeft [verzoeker] geld moeten lenen om de resterende schuld van € 3.332,77 bij ING af te betalen. Daarover kon hij kennelijk op dat moment niet vanuit zijn eigen inkomsten of spaargeld beschikken. Van spaargeld is de rechtbank ook verder niet gebleken. Uit de recente betalingen aan FBTO en Menzis is af te leiden dat [verzoeker] tot voor kort meerdere schulden had en ook die schulden lang onbetaald heeft gelaten (zie 3.7).
3.13.
De rechtbank ziet een duidelijk belang voor [verzoeker] in de woning voor hem en zijn familie, waaronder zijn vader die aan Alzheimer lijdt. De rechtbank vindt ook aannemelijk dat daarvoor een hypotheek nodig is en dat die gezien de huidige codering op zijn minst lastig te krijgen is (zie 3.9). Maar gezien de bovengenoemde andere omstandigheden en de nog korte periode van ongeveer 9 maanden sinds de laatste betaling van de totale achterstand, wegen de belangen van het beschermen van de consument tegen overkreditering en het waarschuwen van andere kredietinstellingen in dit specifieke geval zwaarder dan het belang van [verzoeker] . De inbreuk op de belangen van [verzoeker] is daarmee niet onevenredig in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel (proportionaliteit) en dat dit doel kan in redelijkheid niet op een andere, voor [verzoeker] minder nadelige, manier worden verwezenlijkt (subsidiariteit).
3.14.
Het verzoek tot verwijderen van de BKR-registratie wordt daarom afgewezen. Dat betekent overigens niet zonder meer dat de BKR-registratie voor de volledige vijf jaar gehandhaafd blijft. Naarmate de tijd vordert, neemt het belang bij het voortduren van de registratie steeds verder af ten opzichte van de belangen van [verzoeker] bij verwijdering daarvan.
Proceskosten
3.15.
Omdat [verzoeker] ongelijk krijgt en ING daarom verzocht heeft moet [verzoeker] de proceskosten van ING betalen. De proceskosten van ING worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.230,00
3.16.
De proceskostenveroordeling wordt zoals door ING verzocht uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat die veroordeling meteen geldt, ook als tegen deze beschikking hoger beroep wordt ingesteld, zolang daarop niet is beslist.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
wijst het verzoek van [verzoeker] af,
4.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van ING van € 2.230,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Huber, rechter, bijgestaan door mr. L.M. Garritsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.

Voetnoten

1.Voluit: Bureau Krediet Registratie, hierna steeds BKR.
2.Voluit: Algemene Verordening Gegevensbescherming (EU) 2016/679.
3.Artikel 6 lid 1 onder Pro f AVG.
4.Artikel 21 lid 1 AVG Pro.