ECLI:NL:RBAMS:2026:279

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
11926438 \ CV EXPL 25-14348
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling schadevergoeding en parkeergeld wegens treintje rijden in parkeergarage

Eisende partij, Q-Park Operations Netherlands B.V., vordert betaling van parkeergeld, schadevergoeding en buitengerechtelijke incassokosten van gedaagde partijen wegens het rijden van een treintje met een voertuig in een parkeergarage op 23 juli 2025. De vordering is ingesteld op basis van een parkeer- en schadevergoedingsovereenkomst en algemene voorwaarden.

Gedaagde partijen zijn niet verschenen en verstek is verleend. De kantonrechter gaat ervan uit dat de overeenkomst is gesloten met consumenten en toetst ambtshalve de informatieplichten en de eerlijkheid van de bedingen aan Richtlijn 93/13/EEG. De informatieplichten zijn nageleefd en de bedingen worden niet als oneerlijk beoordeeld.

De gevorderde bedragen aan parkeergeld (€20,00), schadevergoeding (€382,41) en buitengerechtelijke kosten (€60,36) worden toegewezen, inclusief wettelijke rente vanaf respectievelijk de datum van de gedraging en de dagvaarding. Gedaagde partijen worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van €382,54. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde partijen worden veroordeeld tot betaling van parkeergeld, schadevergoeding, buitengerechtelijke kosten en proceskosten met wettelijke rente.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11926438 \ CV EXPL 25-14348
Vonnis van 15 januari 2026
in de zaak van
Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Maastricht,
eisende partij,
gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,
tegen

1.[naam vof] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
3.
[gedaagde 3],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: gedaagde sub 1., gedaagde sub 2., gedaagde sub 3, en samen: gedaagde partijen,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Bij dagvaarding van 14 oktober 2025, met producties, heeft eisende partij een vordering ingesteld tegen de gedaagde partijen.
1.2.
Gedaagde partijen hebben geen uitstel verzocht en evenmin geantwoord, zodat tegen hen verstek is verleend. Daarna is een datum voor vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij vordert dat gedaagde partijen worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 20,00 aan verschuldigd parkeergeld, € 382,41 aan en € 60,36 aan buitengerechtelijke kosten, alles te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van gedaagde partijen in de proceskosten. Volgens eisende partij is tussen partijen een (parkeer)overeenkomst tot stand gekomen. Eisende partij stelt, zo begrijpt de kantonrechter, dat met het voertuig waarvan het kenteken op naam van gedaagde sub 1. staat, op 23 juli 2025 treintje is gereden en daarmee in strijd is gehandeld met de overeenkomst en de algemene voorwaarden. Gedaagde partijen zijn op grond van artikel 5.5 van de algemene voorwaarden schadevergoeding en parkeergeld verschuldigd.
2.2.
Volgens eisende partij is het bedrag aan parkeergeld berekend aan de hand van het parkeertarief per uur in de betreffende parkeergarage, uitgaande van het tijdstip waarop het voertuig is binnen gereden en het tijdstip van de gedraging. De schadevergoeding is gebaseerd op de schade die eisende partij lijdt wanneer parkeerders treintje rijden, onder andere vanwege omzetderving, gemaakte kosten, uitgevoerde werkzaamheden, gedane en toekomstige investeringen en het inschakelen van derden. In veel gevallen is ook schade toegebracht aan de slagboom, aldus eisende partij.
2.3.
Gelet op hetgeen eisende partij in de dagvaarding stelt ten aanzien van het toetsen van de bedingen aan Richtlijn 93/13 gaat eisende partij er kennelijk van uit dat gedaagde partijen de overeenkomst hebben gesloten als consument. De kantonrechter zal daar ook van uitgaan, wat betekent dat hij eerst ambtshalve moet onderzoeken of eisende partij de informatieplichten ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft nageleefd.
2.4.
De overeenkomst is tot stand gekomen binnen de verkoopruimte. Eisende partij heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij voldaan heeft aan de informatieplichten die zij heeft op grond van artikel 6:230l BW.
2.5.
De kantonrechter moet ook uit eigen beweging beoordelen of de bedingen in de overeenkomst en de algemene voorwaarden oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EEG (de richtlijn oneerlijke bedingen, hierna: de richtlijn). Zoals al eerder is geoordeeld, worden de voor de beoordeling van de vordering van belang zijnde bedingen in de algemene voorwaarden (versie 02.2025) niet oneerlijk bevonden (zie bijvoorbeeld het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10294).
2.6.
Uitgangspunt is dat de vordering in verstek wordt toegewezen, tenzij deze de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Het gevorderde parkeergeld en de gevorderde schadevergoeding komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat de bedragen van € 20,00 en € 382,41 toewijsbaar zijn, evenals de gevorderde wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum van de gedraging.
2.7.
Eisende partij vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Omdat gedaagde partijenen consument zijn, moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Eisende partij heeft aan gedaagde partijenen een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Daarom zal een bedrag van € 60,36 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Omdat eisende partij niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
2.8.
Gedaagde partijen zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Deze proceskostenveroordeling zal de kantonrechter hoofdelijk uitspreken. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
124,54
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
82,00
(1 punt × € 82,00)
- nakosten
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
382,54

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partijen om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 402,41, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 23 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt gedaagde partijen om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 60,36 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van 14 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt gedaagde partijen hoofdelijk in de proceskosten van € 382,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.
57327