ECLI:NL:RBAMS:2026:2724

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
C/13/769388 FA / RK 25-3685
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning eenhoofdig gezag aan moeder wegens onbereikbaarheid en verslaving vader

Partijen zijn gehuwd geweest en hebben twee minderjarige kinderen. Na ontbinding van het huwelijk wonen de kinderen bij de moeder, die tevens de Nederlandse nationaliteit heeft, terwijl de vader de Marokkaanse nationaliteit bezit. De moeder verzoekt de rechtbank het gezamenlijk gezag te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen, omdat de vader verslaafd is aan verdovende middelen en sinds de echtscheiding onbereikbaar is.

De vader heeft geen verweer gevoerd en is niet verschenen bij de zitting. De moeder ondervindt problemen doordat zij geen toestemming van de vader krijgt voor belangrijke beslissingen, zoals vakantie en noodzakelijke medische behandeling van een van de kinderen met agressieproblemen. De rechtbank stelt vast dat de vader geen betrokkenheid toont en dat de communicatie ontbreekt, wat leidt tot een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders.

De rechtbank oordeelt dat het belang van de kinderen vereist dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en dat de moeder voortaan alleen met het gezag wordt belast. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard zodat deze direct van kracht is, ook gedurende de hoger beroepstermijn.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de moeder krijgt het eenhoofdig gezag over de minderjarige kinderen toegewezen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/769388 / FA RK 25-3685 (AS/WvL)
Beschikking van 17 maart 2026 betreffende wijziging van het gezag
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.J. van Ommeren te Amsterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift met bijlagen van 16 mei 2025;
- het verkort proces-verbaal van mondelinge behandeling d.d. 18 juli 2025;
- het F9 formulier van 21 november 2025 aan de zijde van de vrouw
1.2.
De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 17 februari 2026.
Verschenen zijn: de vrouw bijgestaan door haar advocaat.
De minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld haar mening te geven. Zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
1.3.
De man is op 19 januari 2026 opgeroepen op het adres waar hij bij de GBA staat ingeschreven. Hij is derhalve behoorlijk opgeroepen. Van de man is geen bericht ontvangen.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn gehuwd op 13 december 2008 te [plaats] , Marokko. Het huwelijk van partijen is ontbonden op 9 oktober 2024 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 5 juni 2024 van deze rechtbank in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Uit dit huwelijk zijn geboren:
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013 en
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016.
2.3.
De kinderen wonen bij de vrouw.
2.4.
De vrouw en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Marokkaanse nationaliteit.
2.5.
Op 18 juli 2025 is de inhoudelijke behandeling van het verzoek aangehouden om de man de mogelijkheid te bieden verweer te voeren. Blijkens het proces-verbaal heeft de man toegezegd met de school van [minderjarige 2] in contact te treden en dat hij daarna zou beslissen of hij zijn toestemming zou verlenen voor de benodigde onderzoeken/ondersteuning voor de behandeling van [minderjarige 2] voor diens agressieproblemen. Op verzoek van de vrouw is de behandeling van het verzoek hierna drie maanden pro forma aangehouden.

3.Het verzoek

3.1.
De vrouw verzoekt het gezamenlijk gezag van de man en de vrouw te beëindigen en het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan haar toe te wijzen.

4.De standpunten

De vrouw
4.1.
De vrouw heeft haar verzoek tot eenhoofdig gezag gehandhaafd. De man is verslaafd aan verdovende middelen en sinds de echtscheiding is hij volstrekt onbereikbaar. De vrouw loopt hierdoor tegen allerlei problemen op. Zij kreeg geen toestemming van de man om met de kinderen op vakantie te gaan in mei 2025 en is daarom met de kinderen noodgedwongen thuisgebleven. Een groter probleem is dat [minderjarige 2] moeilijk gedrag vertoont op school en volgens de school ondersteuning nodig heeft. Nu de man niet bereikbaar is en er bovendien door zijn verslavingsproblematiek ook al geen communicatie met hem mogelijk is, is het verkrijgen van toestemming van de man voor doorverwijzing en eventueel verdere behandeling van [minderjarige 2] niet mogelijk. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling van 17 februari 2026 verklaard dat het onderzoek van [minderjarige 2] nog steeds nodig is, ook volgens zijn school. [minderjarige 2] staat nu op een wachtlijst van Levvel. Voor de behandeling van [minderjarige 2] door Levvel is toestemming van de man nodig. Waar mogelijk hebben wel al gesprekken plaatsgevonden in afwachting van de behandeling, met Levvel, de huisarts en het maatschappelijk werk van school. Zonder toestemming van de man kan de behandeling echter niet worden vervolgd met gesprekken met de psychiater en de psycholoog. De vrouw heeft verklaard dat zij geen contact kan krijgen met de man. Als zij belt, belooft hij terug te bellen maar doet dat dan niet. Hij leest ook geen e-mailberichten. De kinderen hebben ook weinig contact met de man, Een van de kinderen wil dat ook niet. Namens de vrouw is aangevoerd dat op de vorige zitting tegen de man is gezegd dat er consequenties zouden zijn als hij bij deze behandeling niet aanwezig zou zijn.
De man
4.2.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling op 18 juli 2025 verklaard dat hij gebruik wenste te maken van de juridische bijstand van een advocaat en van een tolk. De mondelinge behandeling is onder meer om die reden aangehouden. Van de man is echter niets meer vernomen.
5. De beoordeling
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253n van het Burgerlijke Wetboek (BW) in verbinding met artikel 1.251a BW kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van één van hen het gezamenlijk gezag beëindigen. Uitgangspunt is dat gezamenlijk gezag van de ouders in het belang van het kind is. Daarop gelden wel uitzonderingen. Het criterium om één van de ouders met het ouderlijk gezag te belasten is op grond van artikel 1:251a BW het bestaan van een onaanvaardbaar risico dat het kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen dan wel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.2.
De rechtbank begrijpt het standpunt van de vrouw dat thans van een gezamenlijke uitoefening van het gezag door de ouders geen sprake meer is. De vrouw neemt al meer dan een jaar de opvoeding en verzorging van de kinderen op zich en ook is er nauwelijks contact tussen de man en de kinderen. Contact en communicatie met de man, teneinde een goede uitvoering te kunnen geven aan het ouderlijk gezag, ontbreekt, hetgeen nu concreet voor [minderjarige 2] leidt tot een situatie waarin hij noodzakelijke ondersteuning nodig heeft vanuit school maar deze niet kan krijgen omdat de toestemming van de man ontbreekt.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is hierin een wijziging als bedoeld in artikel 1:253n BW gelegen, die noopt tot een hernieuwde beoordeling van de gezagsvoorziening.
5.4.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen. Voor gezamenlijk gezag is echter wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hen kunnen voordoen. Dit alles om te voorkomen dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders.
5.5.
Het is de rechtbank uit de onweersproken stellingen van de vrouw gebleken dat de man sinds het uiteengaan van partijen geen betrokkenheid bij zijn kinderen heeft getoond. De man, die het juridisch ouderlijk gezag mede moet uitoefenen, doet dat feitelijk niet. De vrouw krijgt geen contact met de man en hij heeft al eens toestemming geweigerd voor vakantie, waardoor de vrouw en de kinderen van vakantie moesten afzien. De rechtbank acht het zorgelijk dat hoewel de hulpverlening aan [minderjarige 2] dringend noodzakelijk is, deze niet van de grond komt doordat de man ook daarvoor toestemming weigert. Van de vrouw kan niet verwacht worden dat zij bij het nemen van gezagsbeslissingen nog langer afhankelijk is van de man. Die afhankelijkheid houdt ook in dat de vrouw steeds vervangende toestemming aan de rechtbank zou moeten vragen, wanneer de toestemming van de man ontbreekt. Dit is geenszins in het belang van de kinderen en bij deze stand van zaken bestaat er een onaanvaardbaar risico dat zij daardoor klem en verloren zullen raken tussen de ouders. De rechtbank stelt vast dat de verwachting niet is dat in deze situatie binnen afzienbare tijd verbetering komt. De man heeft ook geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw, hoewel hij tijdens de mondelinge behandeling op 18 juli 2025 heeft verklaard dat hij gebruik wenste te maken van de juridische bijstand van een advocaat en van een tolk. Voorts zou de man zelf contact opnemen met de school van [minderjarige 2] om te bespreken wat er aan de hand is met [minderjarige 2] . De man zou daarna beslissen of hij zijn toestemming zal verlenen. De mondelinge behandeling is onder meer om die reden aangehouden. Van de man is echter niets meer vernomen.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat wijziging van het gezag in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
5.6.
Het verzoek van de vrouw om het gezamenlijk gezag te beëindigen en haar voortaan alleen met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te belasten wordt toegewezen. Deze beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zodat de beslissing ook al gedurende de hoger beroepstermijn (dus met ingang van heden) van kracht is.

6.De beslissing

De rechtbank:
- beëindigt het gezamenlijk gezag van de vrouw en de man en belast de vrouw voortaan alleen met de uitoefening van het gezag over de minderjarige kinderen van partijen:
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013 en
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016,
voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;
- draagt de griffier op om aantekening van deze beslissing te (laten) maken in het gezagsregister;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.B. Sluijs, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.C. van Lavieren, griffier, op 17 maart 2026. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).