Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2717

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
12017035 EA VERZ 25-1470
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 7:672 lid 11 BWArt. 6:119 BWArt. 7:681 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proeftijdontslag niet rechtsgeldig wegens eerdere arbeid zonder schriftelijke vastlegging

Verzoeker was vanaf 16 juni 2025 betrokken bij het kinderdagverblijf van verweerder en ontving betalingen voor haar werkzaamheden, hoewel de schriftelijke arbeidsovereenkomst pas op 1 september 2025 inging. Verweerder stelde dat verzoeker pas vanaf die datum in dienst was en dat het proeftijdontslag rechtsgeldig was.

De kantonrechter stelde vast dat de betalingen voorafgaand aan de schriftelijke overeenkomst als loon voor arbeid voor verweerder kwalificeren en dat verzoeker op basis van een mondelinge arbeidsovereenkomst werkzaam was. Omdat niet duidelijk was dat de vaardigheden en verantwoordelijkheden vanaf 1 september wezenlijk anders waren, was het proeftijdbeding niet geldig.

Hierdoor was het ontslag op 16 oktober 2025 onregelmatig en werd verweerder veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van 2,5 maandloon, een billijke vergoeding van € 2.500,00, een aanvullende transitievergoeding, vakantiegeld en vergoeding van niet-genoten vakantiedagen met wettelijke verhoging en rente.

Verweerder werd tevens veroordeeld tot het verstrekken van loonstroken over de periode voorafgaand aan 1 september 2025 en tot betaling van proceskosten. Het verzoek tot afdracht van pensioenpremies werd afgewezen omdat dit een aanspraak van het pensioenfonds betreft.

Uitkomst: Het proeftijdontslag is onregelmatig verklaard en verweerder is veroordeeld tot betaling van schadevergoedingen, loon, vakantiegeld, en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 12017035 \ EA VERZ 25-1470
Beschikking van 17 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. R.M.A. Gielisse,
tegen
[verweerder] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. A.M. van Geel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- de mondelinge behandeling van 24 februari 2026 waar [verzoeker] met haar gemachtigde verschenen, en namens [verweerder] dhr. [naam 1] en de gemachtigde.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verweerder] is in 2024 opgericht en exploiteert met ingang van 16 juni 2025 een kinderdagverblijf aan de [adres] . Directeur van [verweerder] is dhr. [naam 1] die ook een eenmanszaak heeft in arbeidsbemiddeling met onder andere de handelsnaam [bedrijf] . De partner van [naam 1] is [naam 2] .
2.2.
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1980, is met ingang van 1 september 2025 op grond van een schriftelijke arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij het [verweerder] in de functie van senior pedagogisch medewerker voor de duur van zeven maanden. Het loon bedroeg € 3.168,32 bruto per maand (schaal 7 trede 25) op basis van een arbeidsduur van 30 uur per week. In de arbeidsovereenkomst is een proeftijd van twee maanden overeengekomen. De arbeidsovereenkomst kan tussentijds worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Kinderdagverblijf van toepassing.
2.3.
Bij opening van [verweerder] op 16 juni 2025 werd slechts één kind opgevangen en was de vestiging alleen open op maandag en donderdag. Vanaf de week van 25 juli 2025 is daar af en toe een dag bijgekomen. Het aantal op te vangen kinderen nam daarbij geleidelijk toe tot vijf op sommige dagen in augustus 2025. [verzoeker] en mw. [naam 3] stonden vanaf aanvang vaak samen op de groep en verzorgden daarbij ook rondleidingen.
2.4.
Op 16 oktober 2025 heeft [verweerder] B.V. de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 16 oktober 2025.
2.5.
Voorafgaand aan 1 september 2025 heeft [verzoeker] betalingen ontvangen van [naam 2] op 25 juli 2025 en 21 augustus 2025 van € 800,- en van [bedrijf] op 30 juni 2025 van € 320,-, op 6 augustus 2025 van € 800,- en op 28 augustus 2025 van € 400,-.
2.6.
Bij de eindafrekening heeft [verweerder] aan [verzoeker] een transitievergoeding van
€ 152,44 bruto betaald.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter:
a. [verweerder] te veroordelen tot betaling van haar mogelijk niet uitbetaalde loon en
vakantietoeslag over de periode vanaf 16 juni 2025 tot en met 16 oktober 2025 en de over
deze periode niet genoten maar wel opgebouwde vakantiedagen te vermeerderen met de
wettelijke verhoging ad 50% ex artikel 7:625 BW Pro en de wettelijke rente vanaf de datum van
opeisbaarheid tot en met de dag der algehele voldoening;
b. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de gefixeerde schadevergoeding van € 10.265,40 bruto;
c. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de transitievergoeding van
€ 459,99 bruto;
d. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een billijke vergoeding van
€12.318,48 bruto en deze te verhogen met € 14.634,24 bruto indien en voor zover het
gevorderde onder f niet toewijsbaar is, althans, een in goede justitie vast te stellen
billijke vergoeding;
e. [verweerder] te veroordelen tot afdracht van de werknemers- en werkgeverspremies aan
PFZW, voor zover dit niet reeds gedaan;
f. [verweerder] te veroordelen aan [verzoeker] deugdelijke loonspecificaties vanaf juni 2025 tot en
met oktober 2025 en een specificatie van de eindafrekening te verschaffen binnen 5
werkdagen na dagtekening van de beschikking, zulks op straffe van een dwangsom van
€150 per dag vanaf de dag van betekening van de beschikking tot aan de dag dat alle
loonspecificaties en de eindafrekening zijn verschaft voor het geval [verweerder] in gebreke
blijft aan de te wijzen beschikking te voldoen, althans een zodanige andere regeling of
voorziening te treffen als door UEA. in goede justitie te bepalen;
g. [verweerder] te veroordelen tot betaling van de volledige juridische kosten van haar
gemachtigde van € 7.347,12, met inachtneming van het gestelde in paragraaf 4.26;
h. [verweerder] te veroordelen tot betaling van de kosten van deze procedure, waaronder
griffierecht en nakosten (zowel zonder als met betekening), te voldoen binnen zeven dagen
na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na) kosten niet
binnen de gestelde termijn plaatsvindt- vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld
in artikel 6:119 BW Pro vanaf veertien dagen na de datum van de uitspraak.
3.2.
Volgens [verzoeker] was het proeftijdontslag niet rechtsgeldig, onder meer omdat zij al sinds 16 juni 2025 in dienst was bij [verweerder] en toen dezelfde werkzaamheden en verantwoordelijkheden had als na 1 september 2025. Dit onregelmatige ontslag waarin zij berust geeft [verzoeker] aanspraak op een gefixeerde schadevergoeding van 2,5 maand inclusief 8% vakantietoeslag. Verder voert zij aan dat haar vanaf het begin door [verweerder] is toegezegd dat zij een salaris zou ontvangen conform schaal 7 trede 25. Nu zij voorafgaand aan 1 september 2025 steeds zwart is uitbetaald namens [verweerder] en geen loonstroken heeft ontvangen, is voor haar moeilijk na te gaan of zij het juiste loon heeft ontvangen en vakantiegeld. Ook zijn geen inhoudingen en afdrachten verricht en heeft zij over deze periode nog vakantiedagen te vorderen en de wettelijke verhoging.
3.3.
Volgens [verweerder] is wel sprake van een geldig proeftijdontslag. [verzoeker] was voor 1 september 2025 niet in dienst bij [verweerder] en heeft alleen wat hand- en spandiensten verricht voorafgaand aan haar indiensttreding per 1 september 2025. [verweerder] had ook de financiële middelen niet om [verzoeker] al op 16 juni 2025 in dienst te nemen. Bovendien is [verzoeker] in maart 2025 een oproepcontract aangeboden dat zij heeft geweigerd. Mocht hierover anders worden geoordeeld dan waren de werkzaamheden niet te vergelijken met de werkzaamheden die [verzoeker] na 1 september 2025 verrichtte in de functie van senior pedagogisch medewerker. Voor zover de betalingen van [naam 2] en [bedrijf] al op enige wijze aan [verweerder] zijn toe te schrijven en als loon kwalificeren, dan betreft het een uurloon dat in hoogte niet te vergelijken is met het loon dat [verzoeker] per 1 september 2025 verdiende hetgeen een belangrijke indicatie is dat de werkzaamheden evenmin overeenkwamen. Voorts voert [verweerder] aan dat [verzoeker] niet is ontslagen vanwege een ziekmelding op 13 oktober 2025 maar omdat de samenwerking niet goed verliep. Er was namelijk een conflict ontstaan tussen een van de ouders van een opvangkind en met [naam 3] waarmee [verzoeker] diende samen te werken.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of sprake is geweest van een geldig proeftijdontslag. Daarover het navolgende.
4.2.
[verweerder] betwist dat [verzoeker] vanaf 16 juni 2025 bij haar in dienst was en stelt dat als ingangsdatum van het dienstverband 1 september 2025 heeft te gelden. [verweerder] heeft echter geen grondslag aangedragen voor de betalingen die [bedrijf] en [naam 2] (beiden net als [verweerder] direct te koppelen aan dhr. [naam 1] ) aan [verzoeker] hebben gedaan, anders dan dat deze hebben gediend als (zwarte) betalingen voor door [verzoeker] voor [verweerder] verrichtte werkzaamheden. Daarmee staat voldoende vast dat deze betalingen hebben te gelden als namens [verweerder] gedaan en bovendien als loon kwalificeren voor verrichtte arbeid. Daarmee staat ook genoegzaam vast dat [verzoeker] , die sinds de opening van het kinderdagverblijf tot het ontslag op 16 oktober 2025 structureel betrokken was bij het reilen en zeilen van het kinderdagverblijf, op basis van een (mondelinge) arbeidsovereenkomst voor [verweerder] werkzaam is geweest. Dat [verzoeker] ook werkzaam was voor een uitzendbureau, op enig moment een aangeboden oproepcontract heeft geweigerd en er andere mensen in de opstartfase van [verweerder] een vrijwillige bijdrage hebben geleverd, doet hieraan niet af.
4.3.
Het bestaan van een eerder dienstverband tussen dezelfde partijen sluit echter niet uit dat een rechtsgeldig proeftijdbeding is overeengekomen. Hiervoor is dan wel vereist dat er duidelijk andere vaardigheden of verantwoordelijkheden van [verzoeker] werden vereist dan voorheen.
4.4.
[verweerder] heeft op dit punt betoogd dat [verzoeker] tot 1 september 2025 alleen wat ‘hand- en spandiensten’ voor haar heeft verricht. Wat [verweerder] echter heeft nagelaten is deze werkzaamheden schriftelijk vast te leggen in een arbeidsovereenkomst, deze werkzaamheden in een functieomschrijving te vatten en hiervoor loonstroken te genereren. Hoewel hiervoor best enig begrip is op te brengen omdat [verweerder] in een opstartfase verkeerde, niet of nauwelijks eigen inkomsten had en haar focus vanzelfsprekend gericht was op groei van het aantal aanmeldingen, heeft zij hiermee een grijs gebied gecreëerd met betrekking tot de aard van de werkzaamheden van [verzoeker] . Dat is moeilijk te verenigen met het wettelijke vereiste dat het voor een rechtsgeldige proeftijd in een opvolgend contract duidelijk om andere vaardigheden of verantwoordelijkheden moet gaan.
4.5.
Daar komt nog het volgende bij. Uit de loonstroken van september en oktober 2025 valt op te maken dat bij de functie van senior pedagogisch medewerker schaal 7 trede 25 een bruto uurloon van € 24,37 behoort exclusief vakantietoeslag (en dus geen bruto uurloon van
€ 30,- zoals [verweerder] heeft gesteld in haar verweerschrift).
4.6.
In de periode hieraan voorafgaand heeft [verzoeker] een netto beloning ontvangen van opgeteld € 3.120,-. [verzoeker] heeft gesteld dat aan dit bedrag 190 gewerkte uren ten grondslag liggen en verwezen naar werkroosters uit Tactiplan. [verweerder] heeft betwist dat van deze roosters kan worden uitgegaan omdat deze slechts een prognose inhielden. Zij heeft evenwel geen alternatieve roosters verstrekt of berekeningswijze voorgesteld van de door [verzoeker] gewerkte uren zodat hieraan voorbij wordt gegaan. Daarbij weegt ook mee dat niet gesteld, gebleken of zelfs maar aannemelijk is gemaakt dat [verzoeker] meer dan 190 uur heeft gewerkt in de periode 16 juni 2025 tot 1 september 2025. Uitgangspunt is daarom dat [verzoeker] een netto uurloon heeft ontvangen van omgerekend € 16,24.
4.7.
Volgens de eigen stellingen van [verweerder] is dat netto uurloon te vergelijken is met een bruto uurloon van om en nabij € 24,-. Dit bruto uurloon komt dus zo goed als overeen met het loon dat [verzoeker] met ingang van 1 september 2025 ontving. Voor zover [verweerder] zou willen betogen dat het bedrag van € 3.120,- netto geacht wordt inclusief vakantietoeslag en/of vergoeding van opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen te zijn, dan kan dat bij gebrek aan enige schriftelijke vastlegging en/of strijd met de bepalingen van de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag niet worden aangenomen. Dit betreft een omstandigheid die voor rekening en risico van [verweerder] als werkgever komt en zal, zoals hierna zal worden overwogen, ook tot een veroordeling tot nabetaling leiden.
4.8.
Op grond van voorgaande wordt dus aangenomen dat [verzoeker] voor 1 september 2025 op gelijke hoogte werd beloond voor haar arbeid als daarna.
4.9.
Dat er in de opstartfase minder werk was dan na 1 september 2025 omdat het aantal op te vangen kinderen geleidelijk is toegenomen, brengt niet noodzakelijkerwijs mee dat daarbij ook minder verantwoordelijkheden en andere vaardigheden kwamen kijken. Zoals hiervoor al overwogen, moet het gaan om duidelijk andere vaardigheden en verantwoordelijkheden en ontbreekt door toedoen van [verweerder] deze duidelijkheid. Geconcludeerd wordt daarom dat het proeftijdbeding geen gelding heeft tussen partijen en de opzegging van het dienstverband op 16 oktober 2025 daarom onregelmatig is geweest.
4.10.
Nu geoordeeld is dat sprake is van een onregelmatig ontslag is [verweerder] ingevolge artikel 7: 672 lid 11 BW de gefixeerde schadevergoeding verschuldigd, te weten het loon over de tussen partijen geldende opzegtermijn van in dit geval twee maanden. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de dag waartegen mag worden opgezegd, in dit geval de eerste dag van de maand die volgt op de datum van opzegging. Nu is opgezegd halverwege de maand oktober komt de gefixeerde schadevergoeding daarmee uit op 2,5 bruto maandloon, ofwel een bedrag van € 8.554,46 bruto.
4.11.
Omdat hiervoor geoordeeld is dat [verzoeker] al eerder bij [verweerder] in dienst is getreden, moet de verschuldigde transitievergoeding worden herberekend. [verzoeker] heeft gesteld dat ze tot 1 september 2025 190 uur heeft gewerkt. Aangenomen dat dit tegen een bruto uurloon van € 24,37 was, komt dat uit op een bedrag van in totaal € 4.630,30. Daarbij opgeteld het brutoloon van september en oktober 2025 (respectievelijk € 3.169,32 en
€ 1.810,47) en 8% vakantiegeld komt de transitievergoeding (volgens de rekentool van de rijksoverheid) uit op € 266,92 bruto. Daarop strekt nog € 152,44 bruto in mindering, zodat [verweerder] nog € 114,48 bruto aan [verzoeker] dient te betalen.
4.12.
Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt ook toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is gebeurd. [1] Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldige opzegging als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt. [2]
4.13.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [3] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.14.
Op grond van alle feiten en omstandigheden zoals die hiervoor zijn besproken zal aan [verzoeker] een billijke vergoeding worden toegekend van € 2.500,00, naast de transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding. Daarbij is meegenomen dat het onrechtmatige proeftijd ontslag ertoe heeft geleid dat [verzoeker] van de ene op de andere dag zonder inkomen zat hetgeen voor haar een stressvolle situatie is geweest. Verder is daarbij rekening gehouden met het feit dat zij pas enkele maanden voor [verweerder] werkzaamheden verrichtte en op het moment van de zitting weer werkte voor het uitzendbureau waar zij ook voor dat zij voor [verweerder] begon had gewerkt. Tot slot is van belang dat behalve het onrechtmatige proeftijdontslag aan [verweerder] geen (ernstige) verwijten zijn te maken, in die zin en zoals ook eerder al overwogen dat het proeftijdontslag vooraf is gegaan door een opstartfase waarin nog nauwelijks inkomsten werden gegenereerd en de focus vooral gericht was op groei van het aantal aanmeldingen.
4.15.
[verzoeker] heeft ook aanspraak gemaakt op betaling van misgelopen vakantiegeld over de periode tot 1 september 2025. Zoals eerder overwogen zijn de loonafspraken tussen partijen tot 1 september 2025 onduidelijk, niet op papier gesteld en ontbreken hiervoor loonstroken. Er wordt daarom van uitgegaan dat [verzoeker] over het ontvangen loon nog vakantiegeld tegoed heeft. Uitgaande van een brutoloon van in totaal € 4.630,30 (wederom gebaseerd op een uurloon van € 24,37 en 190 gewerkte uren) en 8% vakantiegeld daarover is [verweerder] nog een bedrag van € 370,42 bruto aan vakantiegeld verschuldigd.
4.16.
Wat betreft de uitbetaling van opgebouwde maar niet opgenomen vakantiedagen heeft [verweerder] geen enkele stelling ingenomen, noch verweer gevoerd. Uit de beschikbare loonstroken kan de kantonrechter niet opmaken dat bij de eindafrekening niet-genoten vakantiedagen aan [verzoeker] zijn vergoed. Verder is gesteld noch gebleken dat [verzoeker] tussen 16 juni 2025 en 16 oktober 2025 vakantiedagen heeft opgenomen. De arbeidsovereenkomst van 1 september geeft aanspraak op 144 vakantie-uren per kalenderjaar bij een fulltime dienstverband dat op grond van de cao Kinderopvang 36 uur per week bedraagt. Dat is omgerekend dus 120 uur bij een dienstverband van 30 uur. Uitgaande van 1560 te werken uren per jaar en 400 daadwerkelijk door [verzoeker] gewerkte uren (190 + 130 + 80), heeft zij in totaal 31 vakantie uren opgebouwd. Tegen een brutoloon van € 24,37 komt dat uit op een bedrag van in totaal € 755,47 bruto.
4.17.
[verzoeker] heeft over de bedragen genoemd onder 4.15 en 4.16 de wettelijke verhoging gevorderd. De kantonrechter ziet aanleiding die wettelijke verhoging te matigen tot 25%.
4.18.
[verzoeker] heeft verzocht om loonstroken over de periode voorafgaand aan 1 september 2025 en een correcte eindafrekening op verbeurte van een dwangsom. Dit verzoek wordt toegewezen met dien verstande dat de dwangsom zal worden gematigd als hierna te melden.
4.19.
[verzoeker] heeft ook verzocht om [verweerder] te veroordelen tot afdracht van pensioenpremies. Dit betreft echter geen zelfstandige aanspraak van [verzoeker] jegens [verweerder] maar een aanspraak van het desbetreffende pensioenfonds jegens [verweerder] . Dit verzoek wordt daarom afgewezen.
4.20.
[verzoeker] heeft tot slot nog verzocht om [verweerder] in de daadwerkelijke proceskosten te veroordelen. De lat daarvoor is hoog en niet gehaald nu daarvoor nodig is dat sprake is van - kort gezegd - misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen. Daarvoor heeft [verzoeker] onvoldoende aangedragen. Wel zal [verweerder] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, begroot op € 732,-. aan griffierecht, € 865,- aan salaris gemachtigde, € 144,- aan nakosten, aan te vullen met eventueel nog te maken betekeningskosten.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van:
- € 114,48 bruto aan (restant) transitievergoeding;
- € 2.500,00 bruto aan billijke vergoeding;
- € 8.554,46 bruto aan gefixeerde schadevergoeding;
5.2.
veroordeelt [verweerder] tevens tot betaling aan [verzoeker] van € 370,42 bruto aan vakantiegeld en € 755,47 bruto aan niet-genoten vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 25% en de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2025 totdat is betaald;
5.3.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] deugdelijke loonstroken te verstrekken met betrekking tot de periode 16 juni 2025 tot 1 september 2025 en een deugdelijke gecorrigeerde eindafrekening, op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag vanaf de betekening van deze uitspraak tot een maximum van € 5.000,-;
5.4.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.741,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, een en ander voor zover verschuldigd inclusief btw;
5.5.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [4] ,
5.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Patijn en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:681 lid Pro 1, onderdeel a, BW.
3.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (
4.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.